Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU3210

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-10-2011
Datum publicatie
03-11-2011
Zaaknummer
11/108
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6306, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat eiser contact heeft opgenomen met de regiopolitie Haaglanden om een snelheidsovertreding te laten seponeren. Nadat de bekeuring alsnog is binnengekomen, heeft de leidinggevende van eiser met hem afgesproken dat eiser de bekeuring zelf zou betalen. De leidinggevende heeft daarvan een aantekening gemaakt op de beschikking van het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Eiser heeft doelbewust over de aantekening heen een post-it geplakt en het formulier zo naar de regio Haaglanden gefaxt, en opnieuw gevraagd de bekeuring te seponeren. Daarnaast zijn andere incidenten aangevoerd. Verweerder heeft als voornaamste verwijt naar voren gebracht dat twijfel bestaat aan zijn betrouwbaarheid. Gelet op de functie van eiser als rechercheur bij het KLPD worden er aan de betrouwbaarheid en integriteit zware eisen gesteld, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen. Het tegen de expliciete opdracht van de leidinggevende in laten seponeren van de bekeuring, hetgeen vaststaat en erkend is door eiser, is alleen al te kwalificeren als ernstig plichtsverzuim. De overige gedragingen zijn minder ernstig en minder onomstreden maar bevatten voldoende concrete aanknopingspunten om te dienen als nadere onderbouwing van de twijfel aan de betrouwbaarheid en de integriteit van eiser. In zoverre wegen die gedragingen mee in het oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Plichtsverzuim is toerekenbaar en niet onevenredig. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/108 AW

Uitspraak in het geding tussen

[…], wonende te Poortugaal, eiser,

gemachtigde drs. G.N.R. Priem,

en

de beheerder van het Korps landelijke politiediensten (KLPD), verweerder.

gemachtigde mr. A.M.G. Kho.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 25 november 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 juli 2010 (hierna: het primaire besluit) ongegrond verklaard. Het primaire besluit strekt tot ontslag bij wijze van disciplinaire maatregel op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en met onmiddellijke ingang op grond van het artikel 82 van het Barp.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser bij brief van 3 januari 2011 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2011. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door P.R. den Butter, tactisch teamleider van de Dienst Nationale Recherche.

2 Overwegingen

2.1.1 Ingevolge artikel 76, eerste lid, van het Barp kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft.

2.1.2 Ingevolge artikel 76, tweede lid, van het Barp omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

2.1.3 Ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan ontslag als straf worden opgelegd.

2.1.4 Ingevolge artikel 82 van het Barp kan de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer worden gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij het opleggen van de straf is bevolen dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.

2.2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is sinds 1996 werkzaam bij de politie, sinds 1 februari 2008 als tactisch rechercheur bij de Dienst Nationale Recherche van het KLPD. Bij besluit van 20 april 2009 is eiser vanwege een overplaatsing naar Zoetermeer, dat op meer dan 30 kilometer van zijn woonplaats is gelegen, toestemming verleend om voor woon-werkverkeer gebruik te maken van een dienstauto. In dat besluit is opgenomen dat het niet is toegestaan de dienstauto privé te gebruiken. Daarnaast is de auto nodig voor piketdiensten en observatiewerkzaamheden.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. De volgende gedragingen zijn volgens verweerder als zodanig aan te merken:

- eiser heeft, toen hij piket had op 19 juli 2009 om 02.41 uur met een diensauto een snelheidsovertreding begaan. Eiser heeft geprobeerd deze direct te laten seponeren door contact op te nemen met collega’s in Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden. De bekeuring zou er tussenuit worden gehaald. Toch werd een bekeuring ontvangen op het bureau van eiser. Aangezien het geen dienstrit was, heeft de leidinggevende met eiser afgesproken dat eiser de bekeuring zelf zou betalen. Dit heeft de leidinggevende ook op de bekeuring gezet. Eiser heeft echter opnieuw getracht de bekeuring te laten seponeren. In de fax van de bekeuring aan de collega van Haaglanden heeft hij een post-it sticker geplakt over de tekst van zijn leidinggevende dat hij de bekeuring zelf zou betalen. Daarop heeft hij gezet “t.a.v. […], origineel”. De bekeuring is toen geseponeerd;

- ondanks meerdere waarschuwingen heeft eiser in de periode van 8 tot en 12 juli 2009 een dienstvoertuig voor privédoeleinden gebruikt. Hiervoor had eiser geen toestemming gevraagd en gedurende die periode is schade ontstaan aan het dienstvoertuig. Eiser heeft in eerste instantie geen openheid gegeven over de datum dat hij het dienstvoertuig in beheer had;

- het veroorzaken van een aanrijding met een dienstvoertuig met signalering door in tegengestelde richting een rotonde op te rijden op zaterdag 31 oktober 2009, buiten dienst. Eiser heeft wisselende verklaringen afgelegd over de toedracht van de aanrijding en zijn rol als gids voor de brandweer en het gebruik van het zwaailicht;

- het meerdere malen onjuist invullen van het tijdregistratiesysteem PCS.

2.3 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Verweerder legt een te breed feitencomplex aan het besluit ten grondslag, nu het openbaar ministerie heeft afgezien van strafvervolging. Eiser beroept zich voorts met het oog op de onschuldpresumptie op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, en artikel 11 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Voorts acht eiser het bestreden besluit in strijd met de zorgvuldigheid, evenredigheid, het motiveringsvereiste en het goed werkgeverschap.

2.4 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1 Vooropgesteld moet worden dat in deze procedure aan de orde is het opleggen van een disciplinaire maatregel. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals nader uiteengezet in onder meer de uitspraak van 1 november 2001, LJN AD6321, berust een strafontslag als hier aan de orde op het voor ambtenaren op grond van hun rechtspositieregeling geldende tuchtrecht, dat geheel betrokken is op en zijn werking uitsluitend heeft binnen de bijzondere arbeidsverhouding tussen de ambtenaar en het overheidslichaam waarbij deze in dienst is. De omstandigheid dat de aan de ambtenaar verweten gedraging mogelijkerwijs tevens een strafbaar feit oplevert, doet aan deze eigen verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan niet af. Tuchtrecht en strafrecht vormen van elkaar te onderscheiden kaders, elk met een eigen invalshoek. Naar nationaal recht kan niet worden staande gehouden dat het bestuursorgaan het (al dan niet definitieve) oordeel van de strafrechter zou moeten afwachten, noch ook dat bij gebreke van strafrechtelijke vervolging een disciplinaire bestraffing zou zijn uitgesloten. Evenmin zijn op de tuchtrechtelijke procedure de strafrechtelijke voorschriften inzake bewijsvoering van toepassing.

De omstandigheid dat het openbaar ministerie ten aanzien van eiser heeft afgezien van strafvervolging is derhalve voor de onderhavige procedure niet van belang. Het beroep van eiser op bepalingen van internationaal recht, ten betoge dat iemand voor onschuldig moet worden gehouden totdat zijn schuld in rechte vaststaat, leidt er, gelet op het vorenstaande, niet toe dat verweerder geen tuchtrechtelijke maatregel mag opleggen ten aanzien van hetzelfde feitencomplex. Een vereiste voor disciplinaire bestraffing is wel, dat op grond van het geheel aan ter beschikking staande gegevens de rechtbank tot de overtuiging is gekomen dat de ambtenaar de gedraging heeft verricht.

2.4.2 In geschil is of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim; of naar het oordeel van de rechtbank de verweten gedragingen voldoende zijn vastgesteld en of die als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt.

2.4.3 Verweerder heeft door het Bureau Veiligheid & Integriteit (BV&I) een tweetal onderzoeken laten verrichten naar de gedragingen van eiser. Van beide onderzoeken, een strafrechtelijk onderzoek en een disciplinair onderzoek, is op 7 januari 2010 een rapport uitgebracht. Er zijn geen aanknopingspunten dat de rapporten een onjuiste weergave zouden geven van de feiten. Van vooringenomenheid of sturing van de zijde van verweerder, zoals eiser ter zitting heeft betoogd, is niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de resultaten van deze onderzoeken niet als grondslag kunnen dienen voor het ontslagbesluit.

2.4.4 Niet in geschil is dat eiser naar aanleiding van een door hem gepleegde snelheidsovertreding op 19 juli 2009, contact heeft opgenomen met de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en daarna met de regiopolitie Haaglanden om de snelheidsovertreding te laten seponeren. Nadat de bekeuring alsnog is binnengekomen, heeft de leidinggevende van eiser met hem afgesproken dat eiser de bekeuring zelf zou betalen, omdat de overtreding was begaan buiten diensttijd. De leidinggevende heeft daarvan een aantekening gemaakt op de beschikking van het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Eiser heeft doelbewust over de aantekening heen een post-it geplakt en het formulier zo naar de regio Haaglanden gefaxt, en opnieuw gevraagd de bekeuring te seponeren. Aan dit verzoek is gevolg gegeven. Afschriften van de beschikking, met daarop de aantekening van de leidinggevende, en van het stuk zoals het naar de regiopolitie Haaglanden is gefaxt met de post-it, bevinden zich in het dossier. Daarmee staan deze gedragingen voldoende vast. Het betoog van eiser ter zitting dat deze gedraging ten onrechte als zeer ernstig plichtsverzuim is aangemerkt, volgt de rechtbank niet. De uitspraak van de CRvB van 16 oktober 2002 (LJN BJ3073), waarnaar eiser verwijst ter onderbouwing van zijn stelling, heeft betrekking op een andere situatie. In dat geval was niet gebleken dat betrokkene meer gedaan had dan verwijzen naar een afspraak ten aanzien van de verkeersituatie in een specifieke straat. Dat is hier anders. Eiser heeft tot tweemaal toe getracht de bekeuring te laten seponeren, de tweede maal in strijd met de afspraak met zijn leidinggevende, en onder het geven van onjuiste informatie. In het advies van de Bezwaaradviescommissie inzake personele aangelegenheden Korps landelijke politiediensten (BAC), dat aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen, is verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 24 december 2009 (LJN BK8785), waarin het proberen om een bekeuring voor een snelheidsovertreding door een collega ongedaan te laten maken, onmiskenbaar als ernstig plichtsverzuim is aangemerkt. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat dit gedrag van eiser is aan te merken als ernstig plichtsverzuim.

2.4.5 Ten aanzien van het verweten ongeoorloofde gebruik van de dienstauto overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat volgens de afspraak tussen verweerder en eiser de dienstauto uitsluitend bedoeld is voor woon–werk verkeer en voor gebruik tijdens piket.

Verweerder verwijt eiser dat hij vanaf 8 juli 2009 tot 12 juli 2009 de dienstauto heeft gebruikt voor privédoeleinden, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gevraagd. Eiser heeft dit niet betwist. De verklaring die eiser hiervoor heeft gegeven, namelijk dat hij vanaf 13 juli 2009 piket had en hij de auto alvast had opgehaald omdat deze moeilijk startte, overtuigt niet, en laat onverlet dat eiser ook in dat geval toestemming had kunnen en moeten vragen. Bovendien blijkt uit het rapport van 12 oktober 2009 van de leidinggevende van eiser, dat eiser aanvankelijk heeft verklaard dat hij de dienstauto op vrijdag 10 juli 2009 thuis heeft opgehaald, maar nadat hij was geconfronteerd met de informatie in de formulieren, die waren opgemaakt nadat schade aan de auto was ontstaan, heeft erkend dat hij de auto reeds een of meer dagen daarvoor had opgehaald.

2.4.6 Ten aanzien van het incident op 31 oktober 2009 waarbij eiser een aanrijding heeft veroorzaakt met de dienstauto, is niet in geschil dat geen sprake was van woon-werkverkeer. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij op dat moment ook geen piket had. De stelling van eiser dat hij alleen ging tanken, en dat tanken en wassen van de dienstauto’s meestal in eigen tijd gebeurde en dat alle collega’s dat deden, heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft verweerder ter zitting weersproken dat dit gebruikelijk was. Verweerder verwijt eiser dat hij bij de melding van de schade zijn leidinggevende niet volledig heeft geïnformeerd. Uit de stukken volgt dat eiser in zijn sms heeft geschreven: “Heb aanrijding gehad met astra in t dorp toen ik ging tanken. Op pleintje omdat ik opzij moest voor brandweerauto met optische –en geluidsignalen’. Later heeft eiser verklaard dat hij voor de brandweer de rotonde vrij wilde maken, en daarom de rotonde langs de verkeerde kant was opgereden. De verklaringen van eiser zijn daarmee op verschillende wijze uit te leggen. De rechtbank acht voldoende vastgesteld, dat eiser tijdens oneigenlijk gebruik van de dienstauto een aanrijding heeft veroorzaakt en verweerder niet duidelijk heeft geïnformeerd.

2.4.7 Verweerder heeft - anders dan de BAC heeft geadviseerd - ook de onregelmatigheden in de urenverantwoording als plichtsverzuim aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van 12 oktober 2009 van de leidinggevende van eiser blijkt dat verweerder naast algemene observaties, een drietal onjuiste verantwoordingen heeft genoemd. Eiser heeft daarvan alleen zijn verantwoording van zijn deelname aan de Nijmeegse vierdaagse bestreden.

2.4.8 Verweerder heeft naar aanleiding van de bovengenoemde incidenten en gebeurtenissen als voornaamste verwijt richting eiser naar voren gebracht dat de houding en het gedrag van eiser aanleiding geven om te twijfelen aan zijn betrouwbaarheid. Gelet op de functie van eiser als rechercheur bij het KLPD worden er aan de betrouwbaarheid en integriteit zware eisen gesteld, aldus verweerder. De rechtbank ziet geen reden om daar anders over te oordelen. Het tegen de expliciete opdracht van de leidinggevende in laten seponeren van de bekeuring, hetgeen vaststaat en erkend is door eiser, is naar het oordeel van de rechtbank alleen al te kwalificeren als ernstig plichtsverzuim. De overige gedragingen zijn minder ernstig en minder onomstreden maar bevatten voldoende concrete aanknopingspunten om te dienen als een nadere onderbouwing van de door verweerder genoemde twijfel aan de betrouwbaarheid en de integriteit van eiser. In zoverre wegen die gedragingen mee in het oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.

2.5 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat eiser dit plichtsverzuim niet kan worden toegerekend. Als reden voor het vragen om sepot van de bekeuring heeft eiser aangevoerd dat hij in die periode relatieproblemen had waaruit financiële problemen voortvloeiden. Afgezien van de omstandigheid dat deze stelling niet is onderbouwd, is dat ook geen afdoende reden. Voor zover eiser zich beroept op een bepaalde cultuur binnen de dienst, zoals het tanken in het weekend, is dat onvoldoende aannemelijk gemaakt. Uit het dossier komt juist naar voren, zoals het verslag van 18 september 2008, waarin onder meer staat dat eiser is aangesproken op het ‘ritselen’ van auto’s, en hem is gevraagd transparanter te zijn, dat het gedrag van eiser kennelijk afweek van hetgeen gebruikelijk was binnen de dienst.

2.6 Dat leidt ertoe dat verweerder bevoegd was een disciplinaire straf op te leggen. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de straf van onmiddellijk ontslag op te leggen.

2.7 Eiser stelt dat de straf onevenredig is omdat hij een lang en gedifferentieerd dienstverband heeft bij de politie waarin hij uistekend heeft gefunctioneerd. Eiser wijst op de gevolgen voor zijn maatschappelijke positie en zijn leven omdat de bezoldiging is stopgezet en zijn aanvraag om een uitkering is afgewezen. Vanwege het strafontslag is het moeilijk ander passend werk te vinden. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat hij niet eerder is gewaarschuwd en daardoor geen tweede kans heeft gehad.

De BAC heeft in het advies dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit een belangenafweging gemaakt, waarin de relevante belangen zijn betrokken. Met neme is van belang geacht de aard van het verzuim, waarbij is overwogen dat de integriteit heel zwaar weegt voor de politie, dat het in dit geval niet om een eenmalig incident gaat, de staat van dienst, de houding van eiser, die ambivalent is genoemd vanwege zijn beroep op de bedrijfscultuur, en de voorbeeldfunctie van de politie. Dit alles afwegend komt de BAC tot de slotsom dat de straf evenredig is. Verweerder heeft er ter zitting nog aan toe gevoegd dat juist het aspect betrouwbaarheid dat hier aan de orde is, in de functie die eiser bij het KLPD vervulde nog zwaarder weegt dan elders bij de politie.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. De omstandigheid dat hier sprake is van meerdere incidenten, en dat eiser, gelet op het verslag van 18 september 2009, al eerder op zijn gedrag was aangesproken, en bij het sepot zich tweemaal heeft gewend tot het korps Haaglanden, terwijl hij wist dat hij de bekeuring zelf moest betalen maakt alleen al dat voor een waarschuwing of tweede kans geen plaats meer is. De staat van dient van eiser maakt dat niet anders. De gevolgen die eiser in zijn persoonlijk leven ondervindt van het bestreden besluit wegen naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de belangen van de dienst, zoals verwoord in het advies, van het behoud van de integriteit van het KLPD als geheel dat essentieel is voor een effectieve uitvoering van zijn taken.

2.8 Van strijd de zorgvuldigheid, het motiveringsbeginsel of goed werkgeverschap, zoals door eiser is betoogd maar niet onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. De omstandigheid dat eiser een goede beoordeling heeft gekregen leidt niet tot een ander oordeel.

2.9 Het beroep is ongegrond.

2.10 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en

mr. E.A. Poppe-Gielesen, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier.

De griffier: De voorzitter:

De voorzitter is buiten staat te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op: 13 oktober 2011.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.