Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU3005

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
400861 / FA RK 11-6306
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het feit dat de minderjarige (14 jaar) sinds haar komst in Nederland van meet af aan te kennen heeft gegeven bij haar moeder in Nederland te willen blijven en in die wens volhardt, hetgeen ook blijkt uit voormelde brieven en haar verklaringen tijdens het minderjarigenverhoor op 3 oktober 2011, leidt de rechtbank af dat de minderjarige de uitdrukkelijke en eigen wens heeft om bij haar moeder in Nederland te blijven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat onweersproken is gebleven dat de minderjarige ook zelf contact met de vader heeft opgenomen om te realiseren dat zij voorgoed in Nederland zou kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van een expliciete persoonlijke wens van de minderjarige die niet door de moeder is ingegeven. Nu de minderjarige inmiddels een dusdanige leeftijd heeft bereikt dat zij de gevolgen van haar uitdrukkelijke wens op korte en lange termijn kan overzien, concludeert de rechtbank dat sprake is van verzet van de minderjarige als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag. Het verzoek tot teruggeleiding naar Denemarken wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Nevenzittingsplaats 's-Gravenhage

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 11-6306

Zaaknummer: 400861

Datum beschikking: 14 oktober 2011

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 juli 2011 ingekomen verzoek van:

de directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202, hierna: de Uitvoeringswet) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139, hierna: het Haagse Verdrag), gevestigd te 's-Gravenhage,

verder te noemen: de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats A], Denemarken.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats B],

advocaat: mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht.

Procedure

Op 28 juli 2011 heeft de Centrale Autoriteit bij de rechtbank Rotterdam een verzoek tot teruggeleiding naar Denemarken van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats], Polen, ingediend.

Bij beschikking van 11 augustus 2011 heeft de rechtbank Rotterdam zich bevoegd geacht van de zaak kennis te nemen en op grond van artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en het Aanwijzingsbesluit 's-Gravenhage als nevenzittingsplaats internationale kinderontvoeringen d.d. 4 februari 2009 van de Raad voor de Rechtspraak bepaald dat de behandeling van de zaak plaatsvindt in de nevenzittingsplaats 's-Gravenhage.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift en het faxbericht van 8 september 2011 van de zijde van de moeder.

Op 8 september 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. C.L. Wehrung, de vader met de heer H.P. Vuijk als tolk, de moeder met haar advocaat en mevrouw M. Chojecki-Nuchowska als tolk. Voorts was aanwezig mevrouw [kennis van de moeder], een kennis van de moeder. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. S.J. Hoekstra-van Vliet.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke schikking te komen. Op 12 september 2011 heeft het Mediation Bureau de rechtbank meegedeeld dat de mediation heeft geresulteerd in een spiegelovereenkomst, maar dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de gewone verblijfplaats van de minderjarige, alsmede dat het teruggeleidingsverzoek gehandhaafd blijft.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het verweerschrift, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het faxbericht van 30 september 2011, met bijlagen, van de zijde van de Centrale Autoriteit.

Op 3 oktober 2011 heeft de behandeling ter terechtzitting van de Meervoudige Kamer plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. C.L. Wehrung, de vader met de heer H.P. Vuijk als tolk, de moeder met haar advocaat en mevrouw M. Chojecki-Nuchowska als tolk. Ter zitting heeft de Centrale Autoriteit een nader stuk overgelegd.

De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamer op 3 oktober 2011 haar mening over het verzoek kenbaar gemaakt.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

- Uit deze relatie is het volgende thans nog minderjarige kind geboren:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] (Polen).

- De vader is in 2005 naar Denemarken verhuisd en de moeder en de minderjarige zijn samen in Polen achtergebleven. Tot die tijd hebben de vader, de moeder en de minderjarige in gezinsverband in Polen samengewoond.

- Sinds augustus 2008 woont de minderjarige met instemming van de moeder bij de vader in Denemarken.

- In de zomer van 2009 heeft de minderjarige de vakantie bij haar moeder in Polen doorgebracht.

- Eind 2009 is de moeder vanuit Polen naar Nederland verhuisd.

- In juli 2010 is de minderjarige voor vakantie naar haar moeder in Nederland gegaan. De minderjarige is nadien niet naar Denemarken teruggekeerd.

Verzoek en verweer

De Centrale Autoriteit verzoekt:

- met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet, de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans dat de terugkeer van de minderjarige voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum zal plaatsvinden, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Denemarken dan wel, indien zij nalaat de minderjarige terug te brengen, de rechtbank zal bepalen op welke datum de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal worden afgegeven, zodat de vader de minderjarige zelf mee kan nemen naar Denemarken;

- de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte reis- en verblijfkosten in de onderhavige procedure.

De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, dan wel zijn verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

Beoordeling

Het Haagse Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Haagse Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Haagse Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Ongeoorloofd achterhouden in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag

Niet in geschil is dat de minderjarige ten tijde van haar achterhouding in Nederland haar gewone verblijfplaats in Denemarken had.

Nu de minderjarige ten tijde van haar achterhouding in Nederland haar gewone verblijfplaats in Denemarken had, was ten tijde van die achterhouding het Deense recht van toepassing op het gezag. De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of de achterhouding al dan niet heeft plaatsgevonden in strijd met het Deense gezagsrecht.

Tussen partijen staat vast dat de vader de minderjarige in Polen vlak na haar geboorte, op [dag van erkenning], heeft erkend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Centrale Autoriteit aan de hand van de door haar overgelegde brief met bijlagen van de Poolse Centrale Autoriteit van 28 december 2010 voldoende aangetoond dat de vader door voormelde erkenning van de minderjarige naar Pools recht mede het gezag over de minderjarige heeft verkregen.

Uit de overgelegde stukken van de Deense Centrale Autoriteit, waaronder de brief van 10 januari 2011 en de verklaring als bedoeld in artikel 15 van het Haagse Verdrag met de daarbij gevoegde Deense wetgeving van 8 februari 2011, is voorts naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat ouders die gezamenlijk het gezag over hun kind dragen, naar Deens recht beiden hun toestemming dienen te verlenen om dat kind buiten Denemarken te brengen dan wel achter te houden. Aangezien de vader mede met het gezag over de minderjarige is belast, had de moeder naar Deens recht de toestemming van de vader nodig om de minderjarige in Nederland achter te houden.

Nu de vader zijn gezag daadwerkelijk uitoefende en niet heeft ingestemd met de achterhouding van de minderjarige in Nederland, is de achterhouding naar het oordeel van de rechtbank geschied in strijd met diens gezagsrecht en dient deze als ongeoorloofd te worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Haagse Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

De moeder heeft naar voren gebracht dat de minderjarige reeds een week na haar komst in Nederland in juli 2010 te kennen heeft gegeven bij haar in Nederland te willen blijven en niet terug te willen keren naar Denemarken. De moeder en de minderjarige hebben hierover telefonisch contact gehad met de vader, hetgeen niet tot onderlinge afspraken hieromtrent heeft geleid. Ter terechtzitting van 3 oktober 2011 heeft de moeder verklaard dat zij de vader ongeveer een week voor aanvang van de school in Denemarken heeft ingelicht over haar definitieve besluit de minderjarige in Nederland te houden en niet terug te laten keren naar Denemarken.

De vader stelt dat hij met de moeder had afgesproken dat de minderjarige de zomervakantie van 2010 bij haar moeder in Nederland zou doorbrengen en dat de minderjarige uiterlijk op 10 augustus 2010, enkele dagen voor aanvang van het schooljaar in Denemarken, naar Denemarken zou terugkeren. Volgens de vader heeft hij omstreeks 10 augustus 2010 van de moeder vernomen dat de minderjarige niet naar Denemarken terug zou komen.

Hoewel de exacte datum van de achterhouding van de minderjarige door de moeder in Nederland niet kan worden achterhaald, leidt de rechtbank uit de stellingen van partijen en het verhandelde ter zitting van 3 oktober 2011 af dat de moeder de vader begin augustus 2010 in kennis heeft gesteld van haar definitieve beslissing de minderjarige niet naar Denemarken te laten terugkeren, zodat het definitief niet doen terugkeren van de minderjarige van begin augustus 2010 dateert.

Gelet op het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank Rotterdam (28 juli 2011) is er niet meer dan één jaar verstreken sinds de achterhouding van de minderjarige door de moeder in Nederland, te weten begin augustus 2010.

Nu er aldus minder dan één jaar is verstreken tussen de achterhouding van de minderjarige in Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, dient ingevolge artikel 12 van het Haagse Verdrag in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Haagse Verdrag.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder niet dan wel onvoldoende aangetoond dat de minderjarige bij terugkeer in Denemarken zou worden blootgesteld aan enig geestelijk of lichamelijk gevaar dan wel dat zij in een ondragelijke situatie zou komen te verkeren. De rechtbank overweegt dat het doel en de strekking van het Haagse Verdrag met zich brengen dat de weigeringsgrond van artikel 13 lid 1 aanhef en sub b restrictief dient te worden toegepast. De enkele stelling dat de minderjarige zich in Denemarken ten opzichte van de kinderen van de vriendin van de vader verwaarloosd voelt, is daartoe onvoldoende. Van contra-indicaties ten aanzien van de opvoedings- en verzorgingskwaliteiten van de vader is de rechtbank niet gebleken. Ook anderszins is niet gebleken dat de minderjarige bij terugkeer in Denemarken zou worden blootgesteld aan enig geestelijk of lichamelijk gevaar en/of dat zij daardoor in een ondragelijke situatie zou komen te verkeren.

Gelet op het voorgaande gaat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 aanhef en sub b van het Haagse Verdrag niet op.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag

Op grond van artikel 13, tweede lid, van het Haagse Verdrag is de rechter niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien hij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

Gebleken is dat de minderjarige, die thans ruim veertien jaar oud is, reeds kort na haar komst in Nederland in juli 2010 aan haar moeder te kennen heeft gegeven bij haar moeder in Nederland te willen blijven. Zowel de moeder als de minderjarige zijn hierover met de vader in overleg getreden, maar de vader heeft geweigerd met een wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige in te stemmen. Uiteindelijk heeft de moeder besloten de minderjarige bij zich in Nederland te houden. Zoals uit het voorgaande blijkt heeft de moeder zulks begin augustus 2010 aan de vader medegedeeld.

De minderjarige heeft haar wens om bij haar moeder in Nederland te blijven in een brief van 14 april 2011, gevoegd bij de reactie van de moeder op de brief van de Centrale Autoriteit van 5 april 2011, alsmede in een bij het verweerschrift als productie 2 gevoegde brief, duidelijk verwoord. Tijdens het minderjarigenverhoor op 3 oktober 2011 heeft de minderjarige opnieuw stellig en op consistente wijze verklaard bij haar moeder in Nederland te willen blijven en niet terug te willen keren naar Denemarken.

Uit het feit dat de minderjarige sinds haar komst in Nederland van meet af aan te kennen heeft gegeven bij haar moeder in Nederland te willen blijven en in die wens volhardt, hetgeen ook blijkt uit voormelde brieven en haar verklaringen tijdens het minderjarigenverhoor op 3 oktober 2011, leidt de rechtbank af dat de minderjarige de uitdrukkelijke en eigen wens heeft om bij haar moeder in Nederland te blijven. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat onweersproken is gebleven dat de minderjarige ook zelf contact met de vader heeft opgenomen om te realiseren dat zij voorgoed in Nederland zou kunnen blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van een expliciete persoonlijke wens van de minderjarige die niet door de moeder is ingegeven. Nu de minderjarige inmiddels een dusdanige leeftijd heeft bereikt dat zij de gevolgen van haar uitdrukkelijke wens op korte en lange termijn kan overzien, concludeert de rechtbank dat sprake is van verzet van de minderjarige als bedoeld in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag aanleiding is de teruggeleiding te weigeren. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de minderjarige naar Denemarken afwijzen.

(Proces)kostenveroordeling

De Centrale Autoriteit heeft verzocht de moeder te veroordelen in de door de vader

gemaakte reis- en verblijfkosten in de onderhavige procedure. Nog daargelaten dat de Centrale Autoriteit haar verzoek niet nader heeft onderbouwd, zal de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling afwijzen, nu het verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen. In familierechtelijke procedures is het gebruikelijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen bijzondere redenen om hiervan af te wijken en zal derhalve als na te melden beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. de Lange-Tegelaar, J.M. Vink en F.J. Verbeek, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. L.F.A. Bos als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2011.

Van deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet verdragen internationale ontvoering van kinderen) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.