Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU2986

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-10-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
AWB 10/2611 BC-T2 en AWB 11/961 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2009 (LJN BH8571) heeft AFM op 17 mei 2010 een primair besluit genomen over het door eiser gedane ontheffingsverzoek zoals bedoeld in artikel 4:9, vierde lid, van de Wft. Het ontheffingsverzoek is afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de vereisten voor een dergelijke ontheffing. Bij het bestreden besluit II is eisers bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank diende AFM ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, waarbij eisers verzoek om ontheffing bij deze nieuwe beslissing op bezwaar betrokken diende te worden. In bestreden besluit I heeft AFM beslist op de gronden van bezwaar tegen de gedeeltelijke intrekking van de vergunning waarbij eisers ontheffingsverzoek - dat is afgewezen bij primair besluit van 17 mei 2010 - is betrokken. In bestreden besluit II heeft AFM een beslissing op eisers bezwaar over zijn ontheffingsverzoek genomen. Bestreden besluit II is niet gericht op rechtsgevolg nu AFM reeds in bestreden besluit I eisers verzoek om ontheffing in de heroverweging heeft betrokken. Eiser dient derhalve in zijn beroep tegen bestreden besluit II niet ontvankelijk te worden verklaard.

Met AFM is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aan de vereisten om voor een ontheffing in aanmerking te komen voldoet, nu niet aannemelijk is geworden dat eiser niet in staat zou zijn geweest om de betreffende diploma’s te halen, terwijl evenmin is aangetoond dat de doeleinden die artikel 4:9 van de Wft beoogt te bereiken door eiser anderszins worden bereikt, zodat AFM eisers verzoek om ontheffing terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 10/2611 BC-T2

AWB 11/961 BC-T2

Uitspraak in de gedingen tussen

[A] handelend onder de naam [B], wonende te [C], eiser,

en

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (hierna: AFM),

gemachtigden mr. J. Baukema en mr. H.J. Sachse, advocaten te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 19 mei 2010 (hierna: bestreden besluit I, AWB 10/2611) heeft AFM het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 december 2007, strekkende tot gedeeltelijke intrekking van de aan eiser verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft), ongegrond verklaard, onder aanpassing van de motivering daarvan.

Bij besluit van 26 januari 2011 (hierna: bestreden besluit II, AWB 11/961) heeft AFM het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 mei 2010, bij welk besluit zijn verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 4:9 van de Wft is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen de bestreden besluiten heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2011. Eiser was aanwezig. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden die werden bijgestaan door mr. A.S. Aukema, medewerker van AFM.

2 Overwegingen

2.1 Ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2009 (LJN BH8571) in de bij partijen bekende zaak AWB 08/1477, heeft AFM op 17 mei 2010 een primair besluit genomen over het door eiser gedane ontheffingsverzoek zoals bedoeld in artikel 4:9, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Het ontheffingsverzoek is afgewezen, kort gezegd, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten voor een dergelijke ontheffing. Bij het bestreden besluit II is eisers bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

2.2 Eveneens ter uitvoering van genoemde uitspraak heeft AFM het bezwaar van eiser tegen het besluit van 17 december 2007 (waarbij de vergunning deels werd ingetrokken met verwijzing naar artikel 1:104, eerste lid, onder a, van de Wft) opnieuw, nu met verwijzing naar artikel 1:104, eerste lid, onder d, van de Wft, ongegrond verklaard en eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij door zijn jarenlange ervaring altijd heeft voldaan aan de vakbekwaamheidseisen. Er was volgens eiser geen reden voor AFM zijn vergunning deels in te trekken.

2.4 Wettelijk kader:

Artikel 1:104, eerste lid, van de Wft luidt:

1. De toezichthouder kan een door hem verleende vergunning wijzigen, geheel of gedeeltelijk intrekken of beperken, dan wel daaraan nadere voorschriften verbinden, indien:

a. de vergunninghouder daartoe een aanvraag heeft ingediend;

(…)

d. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde regels dan wel niet meer voldoet aan de vergunning verbonden voorschriften of gestelde beperkingen.

Ingevolge artikel 4:9, eerste lid, van de Wft wordt het dagelijks beleid van een beheerder, beleggingsmaatschappij beleggingsonderneming, bewaarder of financiële dienstverlener bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van de financiële onderneming.

Het tweede lid en verder luidt:

2. Een financiële dienstverlener draagt zorg voor vakbekwaamheid van zijn werknemers en van andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten aan consumenten of, indien het financiële diensten met betrekking tot verzekeringen of herverzekeringsbemiddelen betreft, cliënten. Hiertoe beschikt in ieder geval een zodanig aantal feitelijk leidinggevenden van de financiële onderneming over voldoende vakbekwaamheid dat de kwaliteit van de financiële diensten aan de consument onderscheidenlijk de cliënt kan worden gewaarborgd.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vakbekwaamheid van de personen, bedoeld in het tweede lid. (…)

4. De Autoriteit Financiële Markten kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het tweede lid en het op grond van het derde lid bepaalde, indien de aanvrager aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet kan worden voldaan en dat de doeleinden die dit artikel beoogt te bereiken anderszins worden bereikt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5 In de eerder genoemde uitspraak van 24 maart 2009 overweegt de rechtbank als volgt:

(…) Door het verzoek om ontheffing niet in de heroverweging te betrekken heeft AFM derhalve gehandeld in strijd met artikel 7:11 van de Awb. (…)

2.5.1 Naar het oordeel van de rechtbank diende AFM ter uitvoering van de uitspraak van

deze rechtbank opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, waarbij eisers verzoek om ontheffing bij deze nieuwe beslissing op bezwaar betrokken diende te worden.

In bestreden besluit I van 19 mei 2010 heeft AFM beslist op de gronden van bezwaar tegen de gedeeltelijke intrekking van de vergunning waarbij eisers ontheffingsverzoek -dat is afgewezen bij primair besluit van 17 mei 2010- is betrokken. Tevens is bij bestreden besluit I beslist op eisers verzoek om schadevergoeding.

In bestreden besluit II van 26 januari 2011 heeft AFM een beslissing op eisers bezwaar over zijn ontheffingsverzoek genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is bestreden besluit II niet gericht op rechtsgevolg nu AFM reeds in bestreden besluit I eisers verzoek om ontheffing in de heroverweging (de beslissing op bezwaar van 19 mei 2010) heeft betrokken. Eiser dient derhalve in zijn beroep tegen bestreden besluit II niet ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het griffierecht in deze procedure (11/961) dient te vergoeden.

2.6 De rechtbank acht van belang dat door de eerdere uitspraken tussen partijen van de rechtbank (van 24 maart 2009) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 21 januari 2010 (AWB 09/650, LJN BL3120) in rechte vast staat dat eiser op 1 oktober 2007 niet voldeed aan de diploma-eisen voor het bemiddelen in hypothecair krediet en consumptief krediet, waarmee hij niet voldeed aan de vakbekwaamheidseisen.

2.6.1 AFM kan een ontheffing van de vakbekwaamheidseisen verlenen als aan twee cumulatieve vereisten is voldaan: indien door de aanvrager wordt aangetoond dat aan de betreffende vakbekwaamheidseisen redelijkerwijs niet kan worden voldaan en de doeleinden die artikel 4:9 Wft beoogt te bereiken anderszins voldoende worden bereikt.

2.6.2 Met AFM is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aan de vereisten om voor een ontheffing in aanmerking te komen voldoet, nu niet aannemelijk is geworden dat eiser niet in staat zou zijn geweest om de betreffende diploma’s te halen, terwijl evenmin is aangetoond dat de doeleinden die artikel 4:9 van de Wft beoogt te bereiken door eiser anderszins worden bereikt, zodat AFM eisers verzoek om ontheffing terecht heeft afgewezen. Eisers stelling dat hij door zijn jarenlange ervaring voldoet aan de vakbekwaamheidseisen volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht de uitspraak van het CBb van 22 februari 2011, LJN BP6992, daarbij van belang.

2.6.3 Naar het oordeel van de rechtbank hecht AFM terecht veel waarde aan de vakbekwaamheid omdat dit de basis is voor kwalitatief goede financiële dienstverlening. Nu eiser de benodigde diploma’s niet bezat en er geen sprake was van een ontheffing, was AFM verplicht eisers vergunning op grond van artikel 1:104, eerste lid, onderdeel d, van de Wft, gedeeltelijk in te trekken.

2.7 Nu bestreden besluit I in rechte stand houdt, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aan de kant van AFM geen verplichting aan eiser schade te vergoeden.

2.8 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart in AWB 10/2611 het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond,

verklaart in AWB 11/961 het beroep tegen bestreden besluit II niet ontvankelijk,

wijst het verzoek om schadevergoeding af,

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht in AWB 11/961 van € 152,-vergoedt.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. H.T. van de Erve, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 20 oktober 2011.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.