Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU2084

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/4685 WET-T1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BX5256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

eiser stelt schade te lijden door de aanleg van de N470, in de vorm van verlies aan woongenot en waardevermindering van zijn onroerend goed. JVO adviseert het planschadeverzoek af te wijzen. Verweerder heeft dit advies opgevolgd en het verzoek om planschadevergoeding afgewezen. In geschil is of de ontstane planschade redelijkerwijs ten laste van eiser dient te blijven. Rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het tracébesluit voldoende kenbaar is gemaakt en dat eiser op redelijke wijze voldoende informatie had kunnen krijgen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de nadelige gevolgen van de planologische wijziging voor eiser voorzienbaar waren. Eiser heeft beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering, en dient derhalve te worden vernietigd. Het beroep is gegrond. Verweerder dient binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/4685 WET-T1

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te Lansingerland, eiser,

gemachtigde mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's-Gravenhage,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 24 november 2008 heeft eiser verzocht om schadevergoeding ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij besluit van 11 juni 2010 heeft verweerder medegedeeld dat op 4 mei 2010 is besloten het verzoek om planschadevergoeding af te wijzen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 25 juni 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 18 november 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 17 mei 2011 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Wolhoff en mr. G.W.H. te Selle.

2 Overwegingen

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro (Staatsblad 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO, nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Op de onderhavige aanvraag is artikel 49 WRO van toepassing nu de aanvraag betrekking heeft op een planologische maatregel die dateert van vóór 1 september 2005.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, voor zover te dezen van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan dan wel het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Bij (onherroepelijk) besluit van 18 september 2001 hebben burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend van (onder meer) het bestemmingsplan "Landelijk gebied, 1e herziening" ten behoeve van de aanleg van de N470. De N470 is een wegverbinding tussen Zoetermeer, Pijnacker, Delft en Rotterdam. Bij besluit van dezelfde datum is tevens vrijstelling verleend voor de aanleg van tijdelijke werkterreinen voor de duur van maximaal 5 jaar. Bij besluit van 21 februari 2002 heeft de raad van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs het bestemmingsplan N470 vastgesteld. Het realiseren van de N470 met bijbehorende bouwwerken was op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan niet mogelijk, maar zijn mogelijk gemaakt door de vrijstellingsbesluiten van 18 september 2001 en het bestemmingsplan N470.

Eiser, die sedert 1995 eigenaar is van het perceel met opstallen aan de [adres] te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland, stelt dat hij schade lijdt door de aanleg van de N470 in de vorm van verlies aan woongenot en waardevermindering van zijn onroerend goed.

Verweerder heeft aan de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: JVO) gevraagd over het verzoek een planschadeadvies uit te brengen. JVO concludeert in haar advies van 12 april 2010 dat de aanleg van de N470 heeft geleid tot een waardevermindering van het perceel en de woning van eiser. De waardevermindering wordt vastgesteld op een bedrag van €13.500,- . De JVO merkt daarbij op dat de planologische wijziging geen merkbare gevolgen heeft gehad voor de waarde van de overige opstallen en de onbebouwde percelen. Volgens de JVO behoort de schade echter redelijkerwijs ten laste van eiser te blijven, nu ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor hem aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Gewezen is op concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt, zoals het besluit van 14 december 1989, waarbij Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland het tracé van de secundaire weg 53 (de voorganger van de huidige N470) in de nabijheid van de woning van eiser hebben vastgesteld. JVO adviseert dan ook het planschadeverzoek van eiser af te wijzen. Op grond van dit advies heeft verweerder bij het primaire besluit het verzoek om planschadevergoeding afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij ten tijde van de toescheiding van de onroerende zaak door zijn vader aan hem niet op de hoogte was van de provinciale plannen. Volgens eiser hoefde hij op het moment van verwerving van het bedrijf nog geen rekening te houden met een planologische wijziging. Na het besluit van 1989 is het tracé immers nog diverse malen omgelegd. De zaak is voor eiser pas gaan leven in 2001 toen de gemeente de planologische maatregelen nam. Volgens eiser dient 18 september 2001 als peildatum te worden genomen. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het in dit geval gaat om een overname van vader op zoon in het kader van het voorheen gezamenlijk geëxploiteerde melk- en rundveebedrijf. Nadat de vader besloten had zich terug te trekken is in het kader van de vennootschap onder firma de onroerende zaak aan eiser toegescheiden. Dit is een bijzonderheid waarmee rekening gehouden moet worden. Eiser had hierdoor geen invloed op de koopovereenkomst. Eiser heeft er voorts op gewezen dat eigenaren in de directe omgeving van zijn woning, waaronder zijn broer, wel in aanmerking zijn gekomen voor planschadevergoedingen. Ten onrechte is dat in zijn geval niet geschied. Eiser meent tot slot dat zijn schade hoger is dan € 13.500,- . Ten onrechte is niet uitgegaan van de waardedaling van het gehele complex, dat een WOZ-waarde heeft van €759.000,--.

De rechtbank overweegt ter zake als volgt.

Niet in geschil is, dat eiser door de aanleg van de N470 in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren. In geschil is of de ontstane planschade redelijkerwijs ten laste van eiser dient te blijven. Hiertoe dient te worden beoordeeld of de planologische wijziging voorzienbaar was. Of sprake is van voorzienbaarheid van de planologische wijziging moet worden beoordeeld aan de hand van de vraag of bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in ongunstige zin zou veranderen.

De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat de voorzienbaarheid van de planologische wijziging niet kan worden tegengeworpen omdat er sprake was van overname van een familiebedrijf. In het kader van de bedrijfsoverdracht heeft eiser de woning en de biibehorende gebouwen en percelen gekocht en dus onder bijzondere titel verkregen. Nu sprake is van een verkrijging onder bijzondere titel, kan de voorzienbaarheid van de planologische verslechtering ten tijde van die verkrijging aan eiser worden tegengeworpen. De omstandigheid dat de eigendomsverkrijging in familieverband heeft plaatsgevonden, doet hieraan niet af.

Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 1996 (LJN AS5687) en 8 september 2004 (LJN AQ9963) volgt dat, wil voorzienbaarheid kunnen worden tegengeworpen, de planologische wijzigingen voldoende concreet en voldoende openbaar kenbaar moeten zijn gemaakt. Bovendien kan, zo blijkt uit de uitspraak van de ABRS van 22 januari 2003, LJN AF3161, de ligging van een aan te kopen woning voor de koper leiden tot een verzwaarde plicht tot het inwinnen van informatie bij de gemeente over voorgenomen ontwikkelingen in de omgeving.

De rechtbank overweegt dat Provinciale Staten van Zuid-Holland op 14 december 1989 een besluit hebben genomen omtrent de tracékeuze van de N470. Met dat besluit werd duidelijk dat een deel van het tracé van de N470 in de buurt van eisers perceel zou komen te liggen. De rechtbank deelt het standpunt van JVO en verweerder dat dit tracé-besluit heeft te gelden als een concreet beleidsvoornemen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat dit besluit voldoende openbaar kenbaar is gemaakt danwel dat eiser op redelijkwijze voldoende informatie had kunnen krijgen. Daarbij neem de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat zij sinds medio 2006 drie jaar lang heeft geprobeerd stukken op te vragen bij de provincie met betrekking tot het tracé-besluit en de ligging van N470 en haar voorloper, secundaire weg 53. Eerst na drie jaar kwamen er stukken boven tafel, omdat een medewerker van de gemeente zich intensief met de zoekactie had beziggehouden. Verweerder stelt dat zij als gevolg hiervan vòòr 2009 onvoldoende op de hoogte was van de plannen en besluiten van de Provincie en dat dit de reden is dat mogelijk bij eerdere verzoeken om planschadevergoeding in verband met de N470 de voorzienbaarheid van de planologische wijziging niet is tegengeworpen. Bij de besluiten die zijn genomen na 2009 is wel onderzocht of er sprake was van voorzienbaarheid, aldus verweerder.

Gelet op het voorgaande is de vraag gerechtvaardigd of eiser ten tijde van de aankoop van het bedrijf in 2005 op de hoogte kon zijn van de plannen en besluiten van de provincie en of eiser bij navraag naar die plannen goed geïnformeerd zou zijn door de gemeente.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de nadelige gevolgen van de planologische wijziging voor eiser voorzienbaar waren.

Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Ter zitting heeft eiser onder meer gesteld dat de aanvraag om planschadevergoeding van zijn broer, die na de overname van het bedrijf door eiser een naastgelegen perceel heeft gekocht, wel is toegewezen. Volgens eiser heeft de planschadevergoeding aan zijn broer in 2010 plaatsgevonden, dus nadat verweerder de stukken met betrekking tot het provinciale besluit en de uitwerking daarvan had ontvangen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat in drie met de situatie van eiser vergelijkbare gevallen de planschadevergoeding is toegewezen en in zeven gevallen niet. Gelet hierop heeft verweerder het naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit op een ontoereikende motivering berust. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het beroep moet gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om het geding thans definitief te beslechten.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 874,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan eiser.

Aldus gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en mr. J.D.M. Nouwen en

mr. J.A.F. Peters, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2011.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.