Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BU1517

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
10/810373-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot verkrachting van een dertienjarige jongen en het plegen van ontucht met diezelfde jongen, poging tot seksueel binnendringen van het lichaam bij een jongen van 12 jaar, poging tot het plegen van ontucht met een jongen van 12 en/of 13 jaar, vertonen van pornofilms aan drie jongens in de leeftijd van 12 en 13 jaar en schennis van de eerbaarheid in zijn woning in bijzijn van jongens in de leeftijd van 12 en 13 jaar.

De feitelijkheden dat de verdachte zijn hand in de onderbroek van een jongen heeft gedaan in de richting van de penis van die jongen en aan die jongen heeft gevraagd: “Mag ik je piemel zien?”, leiden tot de kwalificatie van een poging tot ontucht met een kind.

Maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/810373-10

Datum uitspraak: 14 oktober 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [detentieadres],

raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. Kuipers, heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6, 7 primair, 8 en 9 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van voorarrest, alsmede ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij feit 1 en 2], met oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

MOTIVERING VRIJSPRAKEN

De onder 4, 5 en 7 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten zijn niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken is onvoldoende vast komen te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde mishandeling. Hoewel het dossier daartoe het wettig bewijs bevat, bestaande uit de verklaringen van de aangever, de heer [aangever 1], en diens echtgenote (de getuige [getuige 1]), wijken de verklaringen van de verdachte en diens ouders (de getuigen [getuige 2] en [getuige 3]) zodanig af van hetgeen de aangever en diens echtgenote hebben verklaard, dat de rechtbank niet buiten redelijke twijfel kan vaststellen dat de verdachte de aangever [aangever 1] heeft mishandeld.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde.

Ten laste is gelegd dat de verdachte 25 tabletten van een materiaal bevattende zogenaamde XTC aanwezig heeft gehad.

Uit het zich in het dossier bevindende rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) d.d. 15 april 2011 blijkt dat de onder de verdachte in beslag genomen tabletten MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) bevatten, zijnde een middel vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. In tegenstelling tot MDMA is het ten laste gelegde XTC niet een middel dat is vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I dan wel is aangewezen krachtens het bepaalde in artikel 3c, vijfde lid van de Opiumwet, zodat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. Aan dit oordeel staat niet in de weg dat XTC de straatnaam is voor tabletten of poeders die onder meer de stof MDMA bevatten, nu deze tabletten soms ook andere stoffen dan MDMA bevatten.

Ten aanzien van het onder 7 primair en 7 subsidiair ten laste gelegde.

Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken is voldoende vast komen te staan dat de verdachte en [aangever 2] in de ten laste gelegde periode op enig moment met elkaar hebben gestoeid. Dat de verdachte daarbij de door kleding bedekte penis en/of balzak van [aangever 2] heeft geraakt, valt gelet op de zich in het dossier bevindende verklaringen niet uit te sluiten. Op basis van deze verklaringen kan echter niet worden vastgesteld dat de verdachte [aangever 2] opzettelijk heeft aangerand dan wel opzettelijk ontucht met hem heeft gepleegd, nu deze verklaringen tevens de mogelijkheid open laten dat de aanraking per ongeluk gebeurde als een uitvloeisel van het stoeien.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 6, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van december 2009 tot en met 13 juli 2010 te [pleegplaats]

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door feitelijkheden iemand, te weten [slachtoffer 1], te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

- de deur van de kamer waarin verdachte en die [slachtoffer 1] zich bevonden, heeft afgesloten en

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd:"doe wat je moet doen" en

- de onderkleding van die [slachtoffer 1] heeft uit getrokken en

- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [slachtoffer 1] heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in de periode van december 2009 tot en met 13 juli 2010 te [pleegplaats]

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1996), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk het

- aftrekken van die [slachtoffer 1] en het zich doen/laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en

- pijpen van die [slachtoffer 1] en

- met zijn, verdachtes blote billen gaan zitten op de geslachtsdelen van die [slachtoffer 1];

3.

hij in of omstreeks de maand maart 2009, te [pleegplaats],

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te weten [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1997, buiten echt ontuchtige handelingen te plegen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2],

- zijn, verdachtes, broek heeft uitgedaan en

- zijn, verdachtes, penis heeft getoond aan die [slachtoffer 2] en

- aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij ook zijn broek wilde laten zakken en

- aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij zijn, verdachtes, penis wilde betasten en

- aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij zijn, verdachtes, penis in zijn, [slachtoffer 2], mond wilde doen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010 te [pleegplaats]

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 1997), buiten echt ontuchtige handelingen te plegen,

- die [slachtoffer 3] heeft gemasseerd en zijn, verdachtes, hand in de onderbroek van die [slachtoffer 3] heeft gedaan in de richting van de penis van die [slachtoffer 3] en

- aan die [slachtoffer 3] gevraagd: "Mag ik je piemel zien?",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010 te [pleegplaats],

meermalen, afbeeldingenen een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, heeft vertoond aan minderjarigen van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger waren dan zestien jaar, immers heeft hij toen daar telkens aan [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 1997 en/aan [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1997 en/aan [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 1996, porno-speelfilms vertoond waarin afbeeldingen waren opgenomen van seksuele/pornografische

gedragingen, te weten: het (onder meer) in de mond nemen van het mannelijk geslachtsdeel en/of de geslachtsgemeenschap;

9.

hij in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010 te [pleegplaats]

zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten een woning gelegen aan de [adres] te [pleegplaats], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en heeft gemasturbeerd, terwijl daarbij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] zijns/huns ondanks tegenwoordig was/waren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

BEWIJSOVERWEGINGEN

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2.

Namens de verdachte is bepleit dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De raadsvrouw heeft hiertoe, voor zover thans van belang en kort weergegeven, aangevoerd dat verklaringen die [slachtoffer 1] middels twee studioverhoren heeft afgelegd de nodige tegenstrijdigheden bevatten en vragen oproepen. Zij wijst in dit verband op de onduidelijkheden in de verklaringen over de aard van het vermeende misbruik, op het door [slachtoffer 1] geschetste uiterlijk van de dader dat niet overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte en op de niet met de werkelijkheid overeenkomende omschrijving door [slachtoffer 1] van de slaapkamer van de verdachte.

Dit verweer wordt verworpen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de onderliggende dossierstukken blijkt het volgende.

Blijkens de aangifte door [aangever 3], de voogd van [slachtoffer 1], woont [slachtoffer 1], een verstandelijk beperkte, veertienjarige jongen, in een zogenaamde open behandelgroep van [zorginstelling]. Omstreeks 13 juli 2010 heeft [slachtoffer 1] zijn verhaal voor het eerst verteld aan iemand van de groepsleiding en tegen zijn behandelcoördinator. Zijn verhaal hield kort gezegd in dat hij seksueel was misbruikt door een man van 43 jaar, hetgeen voor [aangever 3] aanleiding was namens [slachtoffer 1] aangifte te doen van dit seksueel misbruik.

[slachtoffer 1] is vervolgens op 6 september 2010 en 12 april 2011 door de politie gehoord. Deze verhoren betroffen studioverhoren afgenomen door daartoe gecertificeerde verhoorders. Tijdens met name het eerste studioverhoor heeft [slachtoffer 1] onder meer verklaard dat hij samen met twee jongens was, van wie één [betrokkene 1] heette en die hij kende van school. Met die jongens was hij met de trein naar [pleegplaats] gegaan en aldaar gingen zij naar een woning waar ook een man was. Door deze man is hij seksueel misbruikt. Tijdens dit eerste verhoor heeft [slachtoffer 1] gedetailleerd en consistent verklaard omtrent alle thans bewezen verklaarde handelingen.

Op 15 oktober 2010 hebben verbalisanten van de politie met [slachtoffer 1] de route gevolgd, zoals door [slachtoffer 1] was verklaard. Op aanwijzen van [slachtoffer 1] kwamen zij uit bij de woning van de verdachte aan de [adres].

Op 26 januari 2011 werd [betrokkene 2] als verdachte in het onderhavige onderzoek door de politie gehoord. [betrokkene 2] verklaarde onder meer een [betrokkene 1] te kennen. Samen met [betrokkene 1] ging hij wel eens naar de verdachte en dan ging er soms wel eens iemand mee. Dat waren dan jongens uit de klas van [betrokkene 1]; één keer betrof dit een witte jongen. [betrokkene 2] herkent vervolgens op een door de verbalisanten aan hem getoonde foto van [slachtoffer 1] de door hem bedoelde witte jongen. Vervolgens verklaart [betrokkene 2] dat hij met [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] naar de woning van de verdachte in Maasluis is gegaan en dat hij [slachtoffer 1] in die woning met de verdachte naar boven heeft zien gaan.

Dat de verklaring van [slachtoffer 1] omtrent het signalement van de man door wie hij seksueel is misbruikt en de beschrijving van de slaapkamer alwaar dit plaatsvond afwijkt van het signalement van de verdachte en de details betreffende zijn slaapkamer, doet, gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen zoals hiervoor aangehaald, niet af aan de geloofwaardigheid van diens verklaring betreffende het door de verdachte gepleegde seksuele misbruik. Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 6.

Namens de verdachte is, voor zover thans van belang en kort weergegeven, bepleit dat indien de rechtbank meent dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feitelijkheden te komen, dit niet kan leiden tot kwalificatie van een poging tot ontucht.

Dit verweer wordt verworpen.

Zoals hierboven is overwogen, is de overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen. Juist vanwege de bewezen verklaarde feitelijkheden dat de verdachte zijn hand in de onderbroek van die [slachtoffer 3] heeft gedaan in de richting van de penis van die [slachtoffer 3] en aan die [slachtoffer 3] heeft gevraagd: “Mag ik je piemel zien?”, dient het feit te worden gekwalificeerd als, kort gezegd, een poging tot ontucht met een kind.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 primair.

poging tot verkrachting;

2.

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

3.

poging tot met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

6.

poging tot met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

8.

een afbeelding en een gegevensdrager bevattende een afbeelding waarvan de vertoning schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar, vertonen aan een minderjarige van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat dat deze jonger is dan zestien jaar, meermalen gepleegd;

9.

schennis van de eerbaarheid op een niet openbare plaats, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING STRAF EN MAATREGEL

De straf en de maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van in totaal zes zedenmisdrijven, bestaande uit een poging tot verkrachting van een dertienjarige jongen en het plegen van ontucht met diezelfde jongen, een poging tot seksueel binnendringen van het lichaam bij een jongen van 12 jaar, een poging tot het plegen van ontucht met een jongen van 12 en/of 13 jaar, het vertonen van pornofilms aan drie jongens in de leeftijd van 12 en 13 jaar en schennis van de eerbaarheid, bestaande uit het tonen van zijn geslachtsdeel en/of het masturberen in zijn woning in bijzijn van jongens in de leeftijd van 12 en 13 jaar.

Voor de poging tot verkrachting, de poging tot seksueel binnendringen en het plegen van ontucht en de poging daartoe geldt dat de verdachte ernstig inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de nog jonge slachtoffers. Dergelijke feiten worden in het algemeen als zeer ingrijpend ervaren door het slachtoffer met mogelijk (langdurige) nadelige psychische klachten tot gevolg.

Met het vertonen van pornografisch materiaal aan jongens beneden de leeftijd van zestien jaar is de verdachte ernstig tekort geschoten in zijn verantwoordelijkheid om de in zijn woning aanwezige jongeren te beschermen tegen de ongewenste beïnvloeding die uitgaat van dergelijke beelden van seksuele aard.

Met het plegen van de schennis van de eerbaarheid heeft de verdachte, ten koste van de nog jonge slachtoffers, bij zijn handelen louter en alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en heeft hij zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevoelens van de nog jonge slachtoffers. Dergelijk gedrag is zeer kwalijk en kan tot gevolg hebben dat de verdere seksuele ontwikkeling van de slachtoffers verstoord raakt.

Op deze ernstige feiten dient in ieder geval te worden gereageerd met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf en maatregel is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 september 2011 reeds eerder is veroordeeld voor (onder meer) zedenmisdrijven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat met het opleggen van een gevangenisstraf niet kan worden volstaan. Voorkomen moet worden dat de verdachte, als hij weer op vrije voeten komt, zijn leven ongewijzigd oppakt.

Omtrent de verdachte zijn de navolgende rapporten uitgebracht:

- een psychiatrisch rapport d.d. 13 december 2010, opgemaakt door dr. B.A. Blansjaar, psychiater;

- een psychologisch rapport d.d. 3 februari 2011, opgemaakt door drs. E.M. van Engers, GZ-psycholoog;

- een adviesrapport namens GGZ Bouman Advies Rotterdam d.d. 16 maart 2011, opgemaakt door O. Stijger, reclasseringswerker;

- een rapport multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek d.d. 22 augustus 2011, opgemaakt door de psychiater A.C. Bruijns, de klinisch-psychologe drs. B.W. Roelofs-van Bon en de forensisch milieuonderzoeker J. Hout-Sels.

De psychiater Blansjaar constateert, zakelijk weergegeven, dat de verdachte, ook ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten, lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van benedengemiddelde tot zwakbegaafde verstandelijke vermogens en dat er sprake is van een persoonlijkheidsstructuur met antisociale en theatrale trekken. Daarnaast is er sprake van pedofilie van het niet-exclusieve type.

De psycholoog Van Engers constateert, zakelijk weergegeven, dat er bij de verdachte, ook ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten, sprake is van een antisociale persoonlijkheid, zwakbegaafdheid op het grensvlak van een lichtverstandelijke handicap en vermoedelijke misbruik van verschillende middelen.

Gezien de ontkennende houding van de verdachte ten tijde van de onderzoeken door de deskundigen Blansjaar en Van Engers, onthouden beide deskundigen zich van advies met betrekking tot de eventuele toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van de thans bewezen verklaarde feiten, de eventuele kans op recidive en de mogelijke behandeling van de verdachte. Hetzelfde geldt voor de reclasseringswerker Stijger in voornoemd reclasseringsadvies.

Het multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in.

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bij de verdachte is sprake van een verstandelijke beperking, grenzend aan zwakzinnigheid. De persoonlijkheid is niet uitgekristalliseerd tot een volwassen niveau en vertoont antisociale en onrijpe trekken. Deze twee aspecten vormen de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte. De ziekelijke stoornis van de geestvermogens wordt gevormd door pedofilie en het terugkerend misbruik van alcohol, cocaïne en cannabis. De combinatie van de verstandelijke beperking en de persoonlijkheidsproblematiek brengt met zich mee dat de verdachte mogelijk moeite zal hebben met het adequaat hanteren van zijn problematische seksuele voorkeur. Daarnaast speelt een rol dat de verdachte in zijn functioneren in sterke mate afhankelijk is van externe structuur (waar hij zich tegelijk ook tegen verzet) en hieraan ontbrak het in de periode van de thans bewezen verklaarde feiten.

De beschreven problematiek is chronisch van aard, zo ook in de periode van het thans bewezen verklaarde en beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van die feiten. De doorwerking van het geheel aan stoornissen is zodanig, dat de verdachte voor de thans bewezen verklaarde feiten verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

De klinische indruk is dat het recidivegevaar van de thans bewezen pedofiele zedenzaken groot is als een gedegen behandeling uit zou blijven. Bij de noodzakelijk geachte behandeling zullen drie factoren van groot belang zijn. De verdachte zal moeten leren accepteren dat hij qua verstandelijke vermogens en qua stabiliteit in zijn persoonlijkheid onvoldoende is toegerust om op verantwoorde wijze zelfstandig te kunnen functioneren. Daarnaast zal hij moeten leren omgaan met zijn pedofilie. Bovendien zal aan zijn neiging tot middelenmisbruik voldoende aandacht moeten worden besteed. Een dergelijk behandeltraject zal langdurig zijn en zou bij voorkeur moeten plaatsvinden in een instelling die is gespecialiseerd in de behandeling van mensen met een verstandelijke beperking, zoals Hoeve Boschoord.

Geadviseerd wordt om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. De deskundigen achten een minder verregaande maatregel niet afdoende om het recidivegevaar te beperken.

De rechtbank neemt, mede gelet op hetgeen de deskundigen Blansjaar en Van Engers hebben gerapporteerd, de bevindingen en conclusies met betrekking tot de geestvermogens, de persoonlijkheidsstructuur, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en het recidiverisico uit het rapport multidisciplinair gedrags¬deskundig triple-onderzoek over en maakt die tot de hare.

Nu de onder 1 primair, 2, 3 en 6 thans bewezen verklaarde feiten behoren tot de in artikel 37a, eerste lid onder 1, van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven en de veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege vereisen, is de rechtbank, gezien het rapport multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek en hetgeen de rechtbank omtrent dat rapport heeft overwogen, van oordeel dat de verdachte ter beschikking dient te worden gesteld met het bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Zoals hiervoor overwogen, zal de verdachte van de onder 4, 5 en 7 ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken. Hierin wordt aanleiding gezien om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van kortere duur dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1], domicilie kiezende te [gemeente], ter zake van de feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert als voorschot op de vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 1.400.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde straf¬bare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op tenminste € 550, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De behandeling van het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu de rechtbank op basis van de thans beschikbare gegevens niet kan vaststellen in hoeverre de gestelde psychische en emotionele schade van de benadeelde partij rechtstreeks is toe te rekenen aan de bewezen verklaarde strafbare feiten. De benadeelde partij zal derhalve in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij in deze procedure gedeeltelijk zal worden toegewezen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op zodanige wijze dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet is op de artikelen 37a, 37b, 45, 57, 63, 239, 240a, 242, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 4, 5, 7 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 6, 8 en 9 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], domicilie kiezende te [gemeente], toe tot een bedrag van € 550 (zegge: vijfhonderdenvijftig euro) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [slachtoffer 1] te betalen;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten op zodanige wijze dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 550 (zegge: vijfhonderenvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Geerars, voorzitter,

en mrs. Sikkel en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid van Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 oktober 2011.

Bijlage bij vonnis van 14 oktober 2011.

TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

in of omstreeks de periode van december 2009 tot en met 13 juli 2010

te [pleegplaats]

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om door geweld en/of

(een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of

bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [slachtoffer 1], te

dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden

uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

- de deur van de kamer waarin verdachte en die [slachtoffer 1] zich bevonden, heeft

afgesloten en/of

- die [slachtoffer 1] bij zijn nek heeft gepakt en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd:"doe wat je moet doen" en/of

- de onderkleding van die [slachtoffer 1] heeft uit getrokken en/of

- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [slachtoffer 1] heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Wetboek van Strafrecht artikel 242 juncto 45)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van december 2009 tot en met 13 juli 2010

te [pleegplaats],

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand die de

leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,

te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1996, buiten echt een of meer ontuchtige

handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1],

- de deur van de kamer waarin verdachte en die [slachtoffer 1] zich bevonden, heeft

afgesloten en/of

- die [slachtoffer 1] bij zijn nek heeft gepakt en/of

- tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd:"doe wat je moet doen" en/of

- de onderkleding van die [slachtoffer 1] heeft uit getrokken en/of

- zijn, verdachtes, penis bij de mond van die [slachtoffer 1] heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Wetboek van Strafrecht artikel 245 juncto 45)

2.

hij

in of omstreeks de periode van december 2009 tot en met 13 juli 2010

te [pleegplaats]

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren

op [geboortedatum] 1996), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk

het

- aftrekken van die [slachtoffer 1] en/of het zich doen/laten aftrekken door die [slachtoffer 1]

en/of

- pijpen van die [slachtoffer 1] en/of

- met zijn, verdachtes blote billen gaan zitten op de geslachtsdelen van die

[slachtoffer 1];

(Wetboek van Strafrecht artikel 247)

3.

hij

in of omstreeks de maand maart 2009, in elk geval in het jaar 2009,

te [pleegplaats],

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met iemand die de

leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, te

weten [slachtoffer 2], geboren op geboortedatum] 1997, buiten echt een of meer

ontuchtige handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en)

uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2],

- zijn, verdachtes, broek heeft uitgedaan en/of

- zijn, verdachtes, penis heeft getoond aan die [slachtoffer 2] en/of

- aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij ook zijn broek wilde laten zakken en/of

- aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij zijn, verdachtes, penis wilde betasten

en/of

- aan die [slachtoffer 2] heeft gevraagd of hij zijn, verdachtes, penis in zijn,

[slachtoffer 2], mond wilde doen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Wetboek van Strafrecht artikel 245 juncto 45)

4.

hij

op of omstreeks 11 juli 2010

te [pleegplaats]

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 1]), in het gezicht

heeft geslagen/gestompt en/of tegen een knie heeft geschopt/geslagen, waardoor

deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(Wetboek van Strafrecht artikel 300)

5.

hij

op of omstreeks 20 oktober 2010

te [pleegplaats]

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 25 tabletten, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende zogenaamde XTC, zijnde XTC een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Opiumwet artikel 2)

6.

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010

te [pleegplaats]

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 3]

(geboren op [geboortedatum] 1997), buiten echt ontuchtige handelingen te plegen,

- die [slachtoffer 3] heeft gemasseerd en/of zijn, verdachtes, hand in de

onderbroek van die [slachtoffer 3] heeft gedaan in de richting van de penis van

die [slachtoffer 3] en/of

- aan die [slachtoffer 3] gevraagd: "Mag ik je piemel zien?",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Wetboek van Strafrecht artikel 247 juncto 45)

7.

hij

in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 1 augustus 2010

te [pleegplaats]

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te

weten [slachtoffer 4], heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer

ontuchtige handeling(en), namelijk het vastpakken van de (door kleding

bedekte) penis en/of balzak van die [slachtoffer 4], het geweld en/of een andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met

andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het stoeien met die [slachtoffer 4]

en/of daarbij onverhoeds vastpakken van de penis en/of balzak van die [slachtoffer 4];

(Wetboek van Strafrecht artikel 246)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 1 augustus 2010

te [pleegplaats]

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 4] (geboren op

[geboortedatum] 1996), buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, namelijk

het vastpakken van de (door kleding bedekte) penis en/of balzak van die [slachtoffer 4];

(Wetboek van Strafrecht artikel 247)

8.

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010

te [pleegplaats],

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer afbeelding(en), een voorwerp

of een gegevensdrager, bevattende (een) afbeelding(en) waarvan de vertoning

schadelijk is te achten voor personen beneden de leeftijd van zestien jaar,

heeft aangeboden of vertoond aan (een) minderjarige(n) van wie hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat deze jonger was/waren dan zestien jaar,

immers heeft hij toen daar (telkens)

aan [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] en/of

aan [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 1997 en/of

aan [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum] 1996,

een of meer (porno-speel)film(s) aangeboden of vertoond waarin (telkens)

opnamen of afbeeldingen waren opgenomen van seksuele/pornografische

gedragingen, te weten: het (onder meer) in de mond nemen van het mannelijk

geslachtsdeel en/of de geslachtsgemeenschap;

(Wetboek van Strafrecht artikel 240A)

9.

hij

in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010

te [pleegplaats]

zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten een woning

gelegen aan de [adres], met ontbloot geslachtsdeel heeft

bevonden en/of heeft gemasturbeerd, terwijl daarbij [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4]

en/of [slachtoffer 3] zijns/huns ondanks tegenwoordig was/waren;

(Wetboek van Strafrecht artikel 239)