Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT7525

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
13-10-2011
Zaaknummer
10/660078-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft na een café-ruzie van korte afstand zes maal gericht geschoten op de auto van de slachtoffers, terwijl één van de slachtoffers zich achter de auto in het schootsveld van de verdachte bevond en het andere slachtoffer naast de auto stond. De rechtbank acht voorwaardelijke opzet op poging tot moord op slachtoffer 1 bewezen maar spreekt de verdachte vrij van poging moord/doodslag/zware mishandeling op slachtoffer 2. Dit nu er te weinig aanknopingspunten zijn om uit te gaan van een aanmerkelijke kans dat slachtoffer 2 door de afgevuurde schoten geraakt zou worden, met de dood dan wel met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Voorts wordt de bedreiging met de dood van slachtoffers 1 en 2 bewezen geacht. Het verweer van de raadsman dat geen sprake zou zijn van voorbedachte raad wordt verworpen nu de verdachte tussen het besluit om te gaan schieten en het daadwerkelijke schieten de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis van de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte is echter niet van gedachten veranderd, maar heeft de bewuste keuze gemaakt om toch te schieten. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/660078-11

Parketnummer van vordering TUL VV: 11/710466-10

Datum uitspraak: 22 september 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres verdachte]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. R. Bonis, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Galen heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en van het onder 2 ten laste gelegde feit;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek

van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de gevangenisstraf groot zes weken die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 26 oktober 2010 van de politierechter van de rechtbank te Dordrecht.

OVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT FEIT 1

De rechtbank gaat uit van het volgende:

De verdachte bevond zich op 5 maart 2011 in een café in Rotterdam. Ook de latere slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren in dat café aanwezig. Terwijl de verdachte achter de gokkast in het café zat, kreeg hij een woordenwisseling met een vriend van de slachtoffers, waarna hij van deze persoon een tik op zijn achterhoofd kreeg. De verdachte is enige tijd later naar buiten gegaan en is in zijn auto gaan zitten. De verdachte heeft om 02:11 uur het café verlaten en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben het café om 02:34 uur verlaten. Toen zij bij hun auto stonden, [slachtoffer 1] bij het portier aan de bestuurderszijde en [slachtoffer 2] aan de bijrijderzijde van auto bij de kofferbak, kwam de verdachte met lage snelheid naar de auto van [slachtoffer 1] toe gereden en is op korte afstand (1,5-2 meter) rechts naast die auto gestopt, heeft vervolgens zijn elektrisch portierraampje naar beneden gedaan en heeft daarna - blijkens de verklaringen van de slachtoffers -, iets tegen [slachtoffer 1] gezegd als "waar is je vriend"- zes maal gericht op de auto en in de richting van [slachtoffer 2] geschoten met een vuurwapen. [slachtoffer 1] is achter de auto gebukt en [slachtoffer 2] is naar de grond gedoken. De verdachte is hierna (hard) weggereden.

Uit forensisch onderzoek aan de auto van de slachtoffers is gebleken dat de ruiten van de linker en rechter voorportieren ontbraken, dat er op de muur - parallel aan de auto - twee beschadigingen zijn aangetroffen en dat een manteldeel van een afgevuurd projectiel verderop in de straat is aangetroffen. Verder zijn er twee inschoten in het linker achterportier aan de binnenzijde aangetroffen (die eerst door de ruit van het rechter voorportier zijn gegaan), alsmede een indruk in de raamstijl van het linker voorportier, een inschot in het rechtervoorportier, een inschot in de rechter buitenspiegel, een inschot in de rechter raamstijl van de voorruit en een inschot in de voorruit rechtsonder.

Daarnaast volgt uit forensisch onderzoek aan de jas die [slachtoffer 1] op het moment van het schietincident aan had, dat deze op twee plaatsen door een projectiel is geraakt, te weten linksvoor en onder de rechteroksel. In de voering onder de rechteroksel is een loden kern van een verschoten projectiel aangetroffen.

Uit de verklaring van slachtoffer [slachtoffer 1] en de FARR-verklaring blijkt dat [slachtoffer 1] een bruine plek met rode streepvormige verkleuringen onder zijn rechteroksel heeft opgelopen, welk letsel kan passen bij geraakt worden door een klein voorwerp met hoge snelheid.

Overwegingen ten aanzien van feit 1 (impliciet primair: poging tot moord [slachtoffer 1])

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 1] wettig en overtuigend kan worden bewezen. Er is volgens hem sprake van boos opzet en van voorbedachte raad, omdat de verdachte ruim twintig minuten in zijn auto heeft zitten wachten op de slachtoffers en hij voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op en om zich rekenschap te geven van zijn voornemen om te gaan schieten. De verklaring van de verdachte dat hij de slachtoffers alleen heeft willen bedreigen acht hij niet aannemelijk en in tegenspraak met de plaatsen waar de kogels terecht zijn gekomen, immers als de verdachte alleen had willen bedreigen dan had hij wel in de lucht geschoten in plaats van op en door de auto.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde poging tot moord op [slachtoffer 1]. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heel bewust naast [slachtoffer 1] heeft gericht en geschoten en geen opzet had op de dood van [slachtoffer 1]. De raadsman heeft verder aangevoerd dat ook geen sprake is van voorwaardelijk opzet. Daarvoor is nodig dat de kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel ‘aanmerkelijk’ is en daarvan is in dit geval geen sprake nu uit het forensisch onderzoek kan worden afgeleid dat de kogels na inslag al zoveel energie hadden verloren dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. De raadsman heeft verder bepleit dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte weliswaar een tijd in zijn auto heeft gezeten nadat hij het café heeft verlaten maar dat de reden hiervoor was dat de verdachte de door hem gedronken alcohol wilde laten zakken alvorens hij aan het verkeer ging deelnemen. Toen de slachtoffers uit het café kwamen, heeft hij impulsief besloten hen te gaan bedreigen. Van kalm beraad en rustig overleg is geen sprake. De raadsman refereert zich ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging.

Het oordeel van de rechtbank

Geen direct opzet op dood [slachtoffer 1]

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het (boos) opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer 1]. De verdachte heeft verklaard dat hij bewust niet in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten maar in de richting van de auto en dat hij de slachtoffers slechts bang wilde maken. Gelet op de korte afstand tussen de verdachte en [slachtoffer 1] en de plaatsen waar de kogels zijn ingeslagen, kan niet worden geconcludeerd dat er rechtstreeks op [slachtoffer 1] is geschoten. Ook overigens niet is gebleken dat de verdachte het directe opzet had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

Voorwaardelijk opzet op dood [slachtoffer 1]

De vraag is dan vervolgens of wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1]. Voor beantwoording van de vraag of bij de verdachte voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de levensberoving van [slachtoffer 1] - heeft bestaan, dient te worden bezien of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet de verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Uit het bovenstaande blijkt dat de verdachte zes keer op de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geschoten. Uit de plaatsen van de inschoten blijkt dat de verdachte op de rechtervoorzijde van de auto en door het rechtervoorportier van de auto heeft geschoten. Daarbij is ook een schot door het raam van het linker voorportier gegaan, waarachter [slachtoffer 1] zich op het moment dat verdachte begon te schieten, bevond. Uit de beschadigingen in de jas van [slachtoffer 1] en de verwonding die hij heeft opgelopen, blijkt ook dat hij door tenminste één kogel is geraakt. Uit deze omstandigheden kan afgeleid worden dat er sprake was van een aanmerkelijk kans dat [slachtoffer 1] dodelijk geraakt zou worden door een kogel. De verdachte was naar zijn zeggen geen ongeoefend schutter en wist dat de mogelijkheid bestond dat kogels door de ruiten zouden gaan of zouden afketsen. Door op een dergelijke wijze zes maal kort achter elkaar met een vuurwapen te schieten op de auto, en wel in de richting van [slachtoffer 1], heeft hij naar het oordeel van de rechtbank welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] hierbij op zodanige wijze zou raken dat deze dientengevolge zou kunnen overlijden, en was aldus het opzet van de verdachte voorwaardelijk op dat gevolg gericht.

Het verweer van de raadsman dat de kogels bij de inslagen al zoveel energie hadden verloren dat er geen aanmerkelijk kans was dat zij de dood tot gevolg zouden hebben wordt, gezien de sporen die de kogels – onder meer op de muur en verderop in de straat - hebben achtergelaten, zoals hierboven uiteen gezet, verworpen.

Het verweer dat de verdachte enkel opzet had op bedreiging van [slachtoffer 1] wordt, gelet op het bovenstaande, eveneens verworpen. Dat verdachtes opzet primair gericht was op het bedreigen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], doet er niet aan af dat de verdachte met zijn handelen tevens de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] heeft gecreëerd en aanvaard.

Voorbedachte rade

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat toen hij in zijn auto zat, hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] richting hun auto zag lopen en toen besloot hen bang te gaan maken door op de auto te schieten. Hij heeft vervolgens het geladen vuurwapen gepakt dat in zijn auto lag en is in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gereden. Hij is naast hun auto gestopt, heeft het raampje geopend, heeft - blijkens de verklaringen van de slachtoffers - iets tegen [slachtoffer 1] gezegd als "waar is je vriend"- en heeft daarna zes keer op de auto geschoten terwijl [slachtoffer 1] zich daarachter in het schootsveld van de verdachte bevond. Tussen het besluit van de verdachte om te gaan schieten en het daadwerkelijke schieten heeft de verdachte de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis van de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De verdachte is echter niet van gedachten veranderd, maar heeft de bewuste keuze gemaakt om toch te schieten. Aldus acht de rechtbank ook de ten laste gelegde voorbedachte rade wettig en overtuigend bewezen.

PARTIËLE VRIJSPRAAK (impliciet primair en subsidiair: poging tot moord dan wel doodslag danwel poging zware mishandeling [slachtoffer 2])

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte eveneens voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van slachtoffer [slachtoffer 2]. De verdachte heeft geschoten op een auto, terwijl [slachtoffer 2] zich op circa twee meter van de inschoten bevond. Omdat algemeen bekend is dat kogels kunnen afketsen, is er sprake geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2], welke kans de verdachte door zijn handelen bewust heeft aanvaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood danwel op zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] en derhalve geen sprake was van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor beantwoording van de vraag of bij de verdachte voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval de levensberoving danwel zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2] - heeft bestaan, dient te worden bezien of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet de verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Onder verwijzing naar de eerdere bewijsmotivering stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 2] zich ten tijde van het schieten bevond aan de bijrijderzijde van de auto, ter hoogte van de kofferbak. Gelet op de plaatsen van de inschoten heeft [slachtoffer 2] zich niet in het directe schootsveld van de verdachte bevonden. De kogels waren gericht op de auto en de zich daarachter bevindende [slachtoffer 1]. Hoewel in theorie de kans bestond dat de schoten op de auto of de achterliggende muur zouden afketsen en [slachtoffer 2] hierdoor geraakt zou worden, is de rechtbank van oordeel dat er te weinig aanknopingspunten zijn om uit te gaan van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] door die schoten geraakt zou worden, met de dood dan wel met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Gelet hierop is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor voorwaardelijk opzet op de dood danwel op zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer 2], zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1. primair

hij op 05 maart 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, van korte afstand kogels met een vuurwapen, heeft afgevuurd/afgeschoten in de richting van die [slachtoffer 1] zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en

dat hij op 5 maart 2011 te Rotterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan voornoemde personen een vuurwapen getoond en meermalen, (van korte afstand) kogel(s) met dit vuurwapen afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 1];

2.

dat hij op 5 maart 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, model 66-3, kaliber .357 Magnum voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. poging tot moord

en bedreiging met de dood, meermalen gepleegd;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 1] en een bedreiging met de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], alsmede aan het aanwezig hebben van een vuurwapen. De verdachte heeft van korte afstand zes maal geschoten op de auto van de slachtoffers, terwijl [slachtoffer 1] zich in het schootsveld van de verdachte bevond en [slachtoffer 2] in de directe nabijheid. Aanleiding hiervoor was volgens de verdachte een woordenwisseling in het café waardoor de verdachte zich geïntimideerd voelde waarna hij besloot om de slachtoffers te bedreigen en op hun auto te schieten. Hij verkeerde daarbij ten onrechte in de veronderstelling dat het [slachtoffer 1] de man betrof met wie hij de woordenwisseling had gehad. Dat [slachtoffer 1] als gevolg van de handelwijze van de verdachte niet dodelijk is getroffen maar slechts licht gewond is geraakt, berust louter op een uiterst gelukkig toeval en is niet aan het handelen van de verdachte te danken. De verdachte heeft aldus het leven van [slachtoffer 1] ernstig in gevaar gebracht en een grove inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben voor hun leven gevreesd en hebben het schietincident –zo blijkt uit de vorderingen benadeelde partij – als traumatisch ervaren. Naar de ervaring leert kunnen slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven hiervan ernstige en langdurige psychische gevolgen ondervinden. Naast de gevolgen die de directe slachtoffers van dit feit ondervinden, worden door een dergelijk misdrijf ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt door de schijnbare vanzelfsprekendheid waarmee vuurwapens voorhanden zijn en de lichtzinnigheid waarmee daarvan gebruik wordt gemaakt. De verdachte is geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen gekrenkte gevoelens.

Een dergelijk delict draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en hierop kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies d.d. 29 juni 2011, opgemaakt door S. Koeijer, reclasseringswerker. Het rapport komt - samengevat - neer op het volgende.

De delictgerelateerde criminogene factoren bij de verdachte zijn: denkpatronen, gedrag en vaardigheden, en de houding van de verdachte, huisvesting en zijn financiën. Hij heeft geen vaste huisvesting en hij heeft weinig zicht op zijn financiën. Beschermende factoren zijn de vrienden van de verdachte en ook zijn werk is erg belangrijk voor hem. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld. Ondanks dat de verdachte de ernst van het delict inziet, geeft hij geen openheid van zaken en toont hij weinig inzicht in zijn emoties/denkpatronen. Hij ziet de noodzaak van behandeling niet in. Om die reden wordt ook ingeschat dat er een hoog risico is op onttrekken aan voorwaarden. Hij heeft al van tevoren aangegeven niet mee te willen werken aan een reclasseringscontact. Alhoewel er bij de verdachte een aantal (delictgerelateerde) criminogene factoren zijn, waarbij interventies geïndiceerd zijn, is het dan ook onmogelijk om een toezicht met bijzondere voorwaarden te adviseren. Om die reden wordt geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Forensisch psychiater dr. D.J. Vinkers heeft – in het kader van een voorgeleidingconsult – bij brief d.d. 31 maart 2011 aangegeven dat de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek en dat uit het dossier geen aanwijzingen naar voren komen voor een psychiatrische stoornis in engere zin. Gelet hierop en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 augustus 2011 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie, nu zij minder bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats benadeelde partij 1], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.750,- en immateriële schade tot een bedrag van € 2.100,-.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Nu de gevorderde schadevergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering tot vergoeding van de materiële schade, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Ook is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde straf¬bare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Mede gelet op de bedragen zoals die voorkomen in de letsellijst schadefonds geweldsmisdrijven zal de vordering worden toegewezen tot € 2.100, -.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats benadeelde partij 2], terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.600,-.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Mede gelet op de bedragen zoals die voorkomen in de letsellijst schadefonds geweldsmisdrijven zal de vordering worden toegewezen tot € 1.600, -.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 26 oktober 2010 van de politierechter in de rechtbank Dordrecht is de verdachte ter zake van een opiumdelict en diefstal met geweld veroordeeld voor zover van belang tot een gevangenisstraf van zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 10 november 2010.

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 14g, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord op [slachtoffer 1] en cumulatief tenlastegelegde bedreiging met de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (zegge: vijf) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 4.850,- (zegge: vierduizend en achthonderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats benadeelde partij 1], te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 4.850,- (zegge: vierduizend en achthonderdvijftig euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 58 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.600,- (zegge: duizend en zeshonderd euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats benadeelde partij 2], te betalen;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.600,- (zegge: duizend en zeshonderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 26 oktober 2010 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voor¬waardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes weken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Trotman, voorzitter,

en mrs. Wijnholt en Volker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 22 september 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 maart 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en/of rustig overleg, althans opzettelijk, meermalen, althans eenmaal (van korte afstand) één of meer kogel(s) met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft afgevuurd/afgeschoten naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(art. 289/287/302 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

en/of

dat hij op of omstreeks 5 maart 2011 te Rotterdam [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan voornoemde personen een vuurwapen getoond en/of meermalen, althans éénmaal (van korte afstand) één of meer kogel(s) met dit/een vuurwapen afgevuurd naar en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2];

(art. 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

Dat hij op of omstreeks 5 maart 2011 te Rotterdam alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een revolver van het merk Smith & Wesson, model 66-3, kaliber .357

Magnum voorhanden heeft gehad;

(art 26 jo 55 WWM)