Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT6750

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
386480 / HA RK 11-216
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Vooropgesteld wordt dat het tot de taak van de rechter behoort om bij een cvp de zaak met partijen zelf te bespreken. Dit omvat mede het met partijen inventariseren van de in de procedure te nemen stappen, het inventariseren van de bewijsposities van partijen en hun mogelijkheden tot bewijslevering. In dat kader staat het de rechter vrij een voorlopig oordeel te geven over de bewijslastverdeling en daarmee het bewijsrisico van partijen. Het verloop van de cvp zoals dat blijkt uit de inhoud van het pv van die zitting biedt geen grond voor het oordeel dat is afgeweken van de normale gang van zaken bij een dergelijke zitting, noch enige aanwijzing dat de rechter partijdig of vooringenomen zou zijn geweest ten opzichte van verzoekster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 5 oktober 2011

Zaaknummer: 386480

Rekestnummer: HA RK 11-216

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam vennootschap] B.V.,

gevestigd te Hardinxveld,

verzoekster,

advocaat: mr. L.F. Jansen, advocaat te Hoofddorp.

strekkende tot wraking van [naam kantonrechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Bij de rechter is in behandeling de door verzoekster als eiseres tegen [naam gedaagde vennootschap] B.V. als gedaagde ingestelde civielrechtelijke vordering, welke procedure als kenmerk heeft 372730/HA ZA 11-441. In deze procedure heeft op 25 mei 2011 ten overstaan van de rechter een comparitie van partijen plaatsgevonden.

Bij die gelegenheid heeft de advocaat van verzoekster de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de voormelde procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde comparitie van partijen.

Verzoekster, haar advocaat, de rechter en de advocaat van [naam gedaagde vennootschap] B.V. zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd. De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brieven van 18 en van 20 september 2011.

Ter zitting van 23 september 2011, alwaar de gedane wraking is behandeld, is de rechter verschenen. De rechter heeft aangegeven dat zij weliswaar in haar brief van 18 september 2011 heeft aangekondigd niet ter zitting te zullen verschijnen, doch van mening te zijn veranderd, omdat zowel verzoekster als [naam gedaagde vennootschap] B.V. aanvankelijk had bericht wel ter zitting te zullen verschijnen. De rechter heeft meegedeeld bij haar standpunt te blijven.

Verzoekster, haar advocaat en de advocaat van [naam gedaagde vennootschap] B.V. zijn - met voorafgaande kennisgeving - niet ter zitting verschenen. De advocaat van verzoekster heeft haar standpunt bij brieven van 15 en van 22 september 2011 nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de raadsman van verzoekster in zijn brieven het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Ter zitting heeft de rechter, ondanks protest van mijn kant, herhaaldelijk uitgesproken dat verzoekster het bewijs niet kan leveren. Tevens heeft de rechter er om die reden herhaaldelijk bij verzoekster op aangedrongen genoegen te nemen met een schikking, ook al is die niet redelijk in haar ogen. Hierdoor is op zijn minst de schijn van vooringenomenheid gewekt.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust. De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Zij heeft daartoe

- verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Ter comparitie ben ik niet op vooruitgelopen op de waardering van het te zijner tijd te leveren bewijs. Ik heb partijen vragen gesteld over de feitelijke gang van zaken die aan de basis lag van het conflict. Ik heb partijen daarbij over en weer op elkaars lezingen laten reageren. Hierna heb ik partijen de gelegenheid gelaten met elkaar te overleggen over een minnelijke oplossing. Toen zij daarin niet waren geslaagd, heb ik met hen de verdere gang van de procedure besproken. Daarbij kwamen de bewijsposities van partijen en hun bewijsmogelijkheden ook aan bod. Ik acht het van belang dat partijen zich bewust zijn van de bewijsrisico's, die moeten worden afgewogen tegen mogelijke andere oplossingen. Hiervoor was in dit geval temeer reden nu verzoekster gedurende de zitting een aantal keren te kennen had gegeven zich zorgen te maken over haar bewijspositie. De inhoud van het mogelijk te leveren bewijs is niet besproken. Aan de orde is geweest het bewijsmodel van 'stellen-betwisten-bewijzen' en de manieren waarop aan een bewijsopdracht invulling kan worden gegeven. Uitgelegd is het fenomeen 'partijgetuige' en ingegaan is op de bewijskracht van hun verklaringen en die van andere getuigen. Ook is besproken het 'nadeel' van degene die de bewijslast in de procedure heeft. Dit alles is verlopen volgens de regelen der kunst.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door de advocaat van verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.4

Vooropgesteld wordt dat het tot de taak van de rechter behoort om bij een comparitie van partijen de zaak met partijen zelf te bespreken. Dit omvat mede het met partijen inventariseren van de in de procedure te nemen stappen, het inventariseren van de bewijsposities van partijen en hun mogelijkheden tot bewijslevering. In dat kader staat het de rechter vrij een voorlopig oordeel te geven over de bewijslastverdeling en daarmee het bewijsrisico van partijen.

3.5

Het verloop van de comparitie zoals dat blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal van die zitting biedt geen grond voor het oordeel dat is afgeweken van de normale gang van zaken bij een dergelijke zitting, noch enige aanwijzing dat de rechter partijdig of vooringenomen zou zijn geweest ten opzichte van verzoekster.

3.6

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de rechter ter zitting ongeoorloofde druk op verzoekster heeft uitgeoefend om een voor haar onvoordelige schikking aan te gaan en zodoende professionele grenzen van onpartijdigheid heeft overschreden. De door verzoekster geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter is daarom niet objectief gerechtvaardigd.

3.7

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek moet worden afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam kantonrechter].

Deze beslissing is gegeven op 5 oktober 2011 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en mr. O.E.M. Leinarts, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. A. Schut, griffier.