Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT6162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
AWB 10/3340 WET-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek planschadevergoeding naar aanleiding van genomen besluit tot vrijstelling ex artikel 19 WRO en verleende bouwvergunning voor de oprichting van een UMTS-mast. Eiser meent dat zijn woning door het vrijstellingsbesluit in waarde is gedaald. Rechtbank is van oordeel dat het advies van de SAOZ zorgvuldig is geweest, echter met uitzondering van de fluittoon. Verweerder heeft geen onderzoek naar de aanwezigheid en sterkte van de fluittoon gedaan. Verweerder dient derhalve alsnog een onderzoek te (laten) doen. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank acht zich op dit moment nog niet in staat om het geschil tussen partijen definitief te beslechten. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/3340 WET-T1

Tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen

[naam], wonende te Spijkenisse, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Spijkenisse, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 3 maart 2009 heeft eiser verzocht om schadevergoeding ex artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO).

Bij besluit van 15 januari 2010 heeft verweerder het verzoek om planschadevergoeding afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 februari 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en met verbetering van de motivering het primaire besluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 19 augustus 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 20 september 2010 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Aanwezig waren eiser en zijn partner, [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.L. Scheppink.

2 Overwegingen

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro (Staatsblad 2008, 180) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wro van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO, nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Op de onderhavige aanvraag is artikel 49 WRO van toepassing nu de aanvraag betrekking heeft op een planologische maatregel die dateert van vóór 1 september 2005.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, voor zover hier van belang, kennen burgemeester en wethouders, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan dan wel het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Ook wat betreft het nieuwe planologische regime is van belang hetgeen maximaal kan worden gerealiseerd.

Eiser is eigenaar van de woning aan het adres [adres] te Spijkenisse. Bij besluit van 20 oktober 2004 heeft verweerder vrijstelling ex artikel 19 van de WRO en bouwvergunning verleend voor de oprichting van een vakwerkmast met bijbehorende GSM-apparatuur (hierna: UMTS-mast), met een maximale hoogte van circa 39,9 meter, op het perceel plaatselijk bekend als Middelweg nabij 1. De mast ligt op een kortst bemeten afstand van circa 86 meter van het perceel van eiser. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de beweerdelijk door hem geleden schade ten gevolge van het planologisch mogelijk maken van de UMTS-mast. Eiser meent dat zijn woning door het vrijstellingsbesluit in waarde is gedaald.

Verweerder heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de SAOZ. De SAOZ heeft een concept-advies uitgebracht, welke op 9 oktober 2009 aan partijen is toegezonden. Gedurende vier weken zijn partijen in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verweerder heeft niet gereageerd op het concept-advies. Bij brief van 26 oktober 2009 heeft eiser een zienswijze ingediend. In december 2009 heeft de SAOZ een definitief advies uitgebracht. De SAOZ heeft geadviseerd om het verzoek om planschadevergoeding af te wijzen.

Bij brief van 16 maart 2010 heeft de SAOZ een aanvullend advies gegeven met betrekking tot het aspect "zicht". Conclusie is dat de oprichting van de UMTS-mast niet een zodanige invloed heeft op het aspect zicht dat kan worden gesproken van een negatief effect op de waarde van de woning van eiser.

De algemene bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) heeft op 19 maart 2010 geadviseerd eisers bezwaren gegrond te verklaren vanwege een motiveringsgebrek en het bestreden besluit onder verbetering van de motivering in stand te laten. In het bestreden besluit is het advies van de commissie in zijn geheel overgenomen.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de SAOZ zich in het onderhavige geval niet objectief en onafhankelijk heeft opgesteld. Eiser is van mening dat het advies van de SAOZ op drie punten onvolledig dan wel onzorgvuldig is geweest: volgens eiser ontbreekt de foto illustratie, is de ligging van de woning ten opzichte van de mast onjuist aangegeven en veroorzaakt de mast in tegenstelling tot hetgeen in het advies is vermeld wel degelijk een hinderlijke fluittoon.

Daarnaast heeft eiser aanmerkingen op het advies van de commissie. Hoewel de commissie heeft vastgesteld dat in het advies van de SAOZ een onjuiste ligging van de woning is vermeld, heeft zij hieraan geen gevolgen verbonden. Voorts heeft de commissie geen melding gemaakt van het deel van de mast dat wel vanuit de woning is te zien. Tenslotte heeft eiser vraagtekens geplaatst bij de onafhankelijkheid en objectiviteit van de commissie, aangezien zaken die aan de orde zijn gekomen tijdens de hoorzitting niet zijn terug te vinden in het advies van de commissie en het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt als volgt.

In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en objectiviteit van de commissie.

Met betrekking tot de SAOZ stelt de rechtbank voorop dat uit vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 april 2004, LJN: AO8488) volgt dat de SAOZ is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade en dat verweerder in beginsel op de door de SAOZ uitgebrachte adviezen mag afgaan. Dit is slechts anders indien blijkt dat het advies op onjuiste of onvolledige wijze tot stand is gekomen, inhoudelijk niet consistent of voldoende kenbaar is.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek door de SAOZ zorgvuldig geweest, echter met uitzondering van het aspect van de fluittoon.

Het achterwege laten van fotomateriaal maakt het SAOZ-advies nog niet partijdig. De verschrijving ten aanzien van de situering van eisers woning ten opzichte van de UMTS-mast is in het aanvullende advies van 16 maart 2010 gecorrigeerd. De SAOZ betwist niet dat eiser vanuit zijn woning zicht heeft op de UMTS-mast. Door de afstand tot de mast en de omliggende woningen is alleen het smallere bovenste deel van de mast zichtbaar. Volgens SAOZ heeft dit uitzicht echter geen negatief effect op de waarde van eisers woning. De rechtbank ziet geen reden om aan dit standpunt van de SAOZ te twijfelen.

De SAOZ heeft in het advies vermeld dat volgens eiser de fluittoon al bij een lichte zuidwestenwind te horen is, maar dat de fluittoon door de SAOZ niet is waargenomen. Daarbij is niet aangegeven bij welke windkracht de SAOZ haar waarnemingen heeft gedaan. Vervolgens heeft de SAOZ opgemerkt dat, wat verder ook van deze fluittoon zij, in redelijkheid geen sprake is van een zodanig objectiveerbaar en kwantificeerbaar nadeel dat gesproken kan worden van een relevante toename van geluid en derhalve geluidhinder in de directe woonomgeving van eiser. De SAOZ is dan ook van mening dat de fluittoon geen relevante nadelige invloed heeft op het object van eiser. De rechtbank kan dit standpunt van de SAOZ niet volgen, nu de SAOZ de fluitton niet heeft gehoord.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd medegedeeld dat er geen onderzoek is gedaan naar de vraag bij welke windkracht de fluittoon te horen is en welke sterkte de fluittoon bij welke windkracht heeft. Hierdoor is niet duidelijk hoe vaak per jaar de fluittoon te horen is en hoe hard de fluittoon is. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek op dit punt onzorgvuldig geweest. Een dergelijk onderzoek dient alsnog in opdracht van verweerder uitgevoerd te worden. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vertoont in zoverre een gebrek.

De rechtbank acht zich op dit moment niet in staat om het geschil tussen partijen definitief te beslechten. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb het voornoemde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en, indien verweerder dat wenst, naar aanleiding hiervan een nader besluit te nemen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het gebrek kan worden hersteld op acht weken, te rekenen vanaf de dag van verzending van deze tussenuitspraak.

De rechtbank verzoekt verweerder haar binnen twee weken te laten weten of zij gebruik maakt van de mogelijkheid het gebrek te herstellen.

Conform het bepaalde in artikel 8:51b, derde lid, van de Awb staat het eiser vrij om binnen een termijn van vier weken nadat verweerder het gebrek heeft hersteld, schriftelijk zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld, naar voren te brengen.

3 Beslissing

De rechtbank,

stelt verweerder in de gelegenheid binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 13 juli 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.

Aldus gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, en mr. J.D.M. Nouwen en

mr. J.A.F. Peters, leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 29 september 2011.

Tegen deze tussenuitspraak is geen hoger beroep mogelijk. Tegen deze tussenuitspraak kan tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de uiteindelijk te wijzen uitspraak hoger beroep worden ingesteld.

Afschrift verzonden op: