Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2643

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
384435 / HA RK 11-187
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker de bewoordingen van de kinderrechter – “Er had van alles kunnen gebeuren. Die meneer had kunnen verbranden.” – kunnen verstaan als implicerende een oordeel over hetgeen verzoeker was tenlastegelegd. De bewoordingen, geuit op een moment dat het onderzoek ter terechtzitting nog niet was voltooid en de verdediging nog aan het woord moest komen, kunnen impliceren dat de rechter van oordeel was dat verzoeker zich had schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit. Daarmee is in ieder geval de indruk kunnen ontstaan dat de rechter het in artikel 271 lid 2 Sv bepaalde niet naleefde. Dat levert naar het oordeel van de rechtbank een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter niet onpartijdig was.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 271
Wetboek van Strafvordering 512
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2012/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 6 september 2011

Zaaknummer: 384435

Rekestnummer: HA RK 11-187

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

raadsman mr. R.F. Nelisse te Rotterdam,

strekkende tot wraking van [naam kinderrechter], kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 4 augustus 2011 is door de rechter van deze rechtbank, behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met als parketnummer 10/662281-11.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de raadsman van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het dossier van de hiervoor omschreven strafzaak;

- het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting;

- de schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek.

Verzoeker, zijn raadsman mr. R.F. Nelisse, de rechter alsmede de officier van justitie mr. H.E. Rebel zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft bij brief van 16 augustus 2011 van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 23 augustus 2011, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen verzoeker, zijn raadsman, zijn ouders alsmede mr. R.H.I. van Dongen, waarnemer voor officier van Justitie mr. H.E. Rebel.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

De rechter koestert jegens verzoeker een vooringenomenheid althans de bij verzoeker gewekte vrees daarvoor is objectief gerechtvaardigd. Direct na de voordracht van de officier van justitie heeft de rechter gezegd "ik snap niet hoe je tot zoiets hebt kunnen komen". De rechter had hiermee haar oordeel al klaar over de zaak. De rechter heeft gezegd dat ze er van is geschrokken dat hij tot zoiets heeft kunnen komen, dan kan dat 'zoiets' op niets anders duiden dan op hetgeen de officier van justitie heeft voorgedragen. Later heeft de rechter gezegd "dat er van alles had kunnen gebeuren en dat die meneer had kunnen verbranden". De raadsman heeft bij het doen van het wrakingsverzoek zijn aantekeningen van de zitting, gemaakt vóór het verzoek, voorgelezen. Er is een discrepantie tussen hetgeen daarover in het proces-verbaal is opgetekend en hetgeen de raadsman heeft voorgelezen. Met name het ontbreken van de zinsnede: "Eigenlijk heb je geluk gehad" voor de zinsnede: "Er had van alles kunnen gebeuren" is essentieel. Door te stellen dat verzoeker eigenlijk geluk heeft gehad, omdat er van alles had kunnen gebeuren, impliceerde de rechter immers dat verzoeker zich 'schuldig' had gemaakt aan het ten laste gelegde, terwijl "Er had van alles kunnen gebeuren" slechts een feitelijke mededeling is, die niet noodzakelijkerwijs betrekking heeft op verzoeker.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 4 augustus 2011 hebben zich geen feiten of omstandigheden voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. In dit verband is met name relevant dat het hier een zaak met medeverdachten betreft waarin de verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd. Los van enige juridische kwalificatie heeft de opmerking die de rechter aanstonds na de voordracht door de officier van justitie heb gemaakt: "Ik ben er wel een beetje van geschrokken, dat jongens als jij zo ver hebben kunnen komen" slechts betrekking op het maken/gebruikmaken van een molotovcocktail. De opmerking dient dan ook in deze context te worden bezien.

De vraag of de zinsnede "Eigenlijk heb je geluk gehad" als ingevoegd dient te worden beschouwd voorafgaand aan de zinsnede "Er had van alles kunnen gebeuren" dient naar de mening van de rechter ontkennend te worden beantwoord nu zij geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van het proces-verbaal dat direct na afloop van de zitting is gemaakt. Daarbij merkt de rechter op dat het proces-verbaal geen woordelijke weergave van het ter zitting verhandelde behelst maar een zakelijke, zoals ook overigens ook in het proces-verbaal zelf staat vermeld.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt hiertoe als volgt.

3.4

Aan verzoeker is - kort en zakelijk weergegeven- het volgende tenlastegelegd:

primair

dat hij zich op 15 maart 2011 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van opzettelijk zwaar lichamelijk letsel door een molotovcocktail te gooien naar en/of vlakbij Ouzinidis, althans vlakbij de slaapplaats van die Ouzinidis,

subsidiair

dat hij op genoemde datum samen met anderen die Ouzinidis heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling door voormelde handeling.

3.5

In het proces-verbaal van de zitting van 4 augustus 2011 staat - voor zover thans van belang- het volgende:

" (..)

De officier van justitie draagt de zaak voor.

kinderrechter: Ik ben er wel een beetje van geschrokken, dat jongens als jij zo ver hebben kunnen komen. (..) "

Anders dan verzoeker meent, kan uit de enkele omstandigheid dat de rechter aan het begin van de zitting en voorafgaand aan de ondervraging van verzoeker naar voren had gebracht dat zij was geschrokken niet worden afgeleid dat de rechter reeds hiermee een oordeel had gegeven over een eventuele strafrechtelijke kwalificatie van hetgeen verzoeker ten laste is gelegd.

3.6

Voorts staat in het bovengenoemde proces-verbaal van de zitting - voor zover thans van belang - het volgende:

" (..)

verdachte: Ik vind dat we heel dom zijn geweest met wat we hebben gedaan.

kinderrechter: Er had van alles kunnen gebeuren. Die meneer had kunnen verbranden.

(..) "

3.7

De vraag of de rechter de beide laatst geciteerde zinnen heeft vooraf doen gaan door de woorden : "Eigenlijk heb je geluk gehad" behoeft geen beantwoording nu de uitkomst daarvan van geen betekenis is voor de te nemen beslissing. Het gelukselement ligt immers ook al besloten in die hiervoor aangehaalde zinnen.

3.8

Artikel 271, lid 2 van het Wetboek van strafvordering (Sv) bepaalt dat de rechter op de terechtzitting geen blijk geeft van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte.

Of de rechter door zich uit te laten als onder 3.6 aangehaald daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad om een oordeel uit te spreken over schuld of onschuld van verzoeker is in dit verband niet doorslaggevend. Waar het uiteindelijk om gaat is of verzoeker die bewoordingen redelijkerwijs heeft kunnen verstaan als implicerende een oordeel over hetgeen verzoeker was tenlastegelegd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De bewoordingen, geuit op een moment dat het onderzoek ter terechtzitting nog niet was voltooid en de verdediging nog aan het woord moest komen, kunnen impliceren dat de rechter van oordeel was dat verzoeker zich had schuldig gemaakt aan enig strafbaar feit, en wel het primair tenlastegelegde feit. Daarmee is in ieder geval de indruk kunnen ontstaan dat de rechter het in artikel 271 lid 2 Sv bepaalde niet naleefde.

Dat levert naar het oordeel van de rechtbank een zwaarwegende aanwijzing op als onder 3.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking is gegrond en zal worden toegewezen.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van [naam kinderrechter].

Deze beslissing is gegeven op 6 september 2011 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. P.H. Veling en mr. P. Vrolijk, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door de jongste rechter mr. P. Vrolijk en de griffier ondertekend.