Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2443

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
354680 / HA ZA 10-1616
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvaring. Onrechtmatige daad. Toepasselijk recht. Art. 3 Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). Criterium 'schuld van het schip'. Art. 8:1004 jo. art. 8:1002 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 354680 / HA ZA 10-1616

Vonnis van 17 augustus 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te Sliedrecht,

eiseres,

advocaat mr. O.E. Meijer,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

[gedaagde 1],

gevestigd te Duisberg, Duitsland,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

EILTANK SCHIFFAHRT GMBH & CO,

gevestigd te Aschaffenburg, Duitsland,

3. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

EILTANK SCHIFFAHRT GMBH & CO CHEMIETRANSPORT KG.,

gevestigd te Aschaffenburg, Duitsland,

gedaagden,

advocaat mr. J.C. van Zuethem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[eiseres]” en respectievelijk “[gedaagde 1]”, “Eiltank” en “Eiltank Chemie”. Waar gedaagden gezamenlijk worden bedoeld worden zij aangeduid als “[gedaagde 1] Gmbh c.s.”.

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 19 november 2009, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast.

2.2 [eiseres] heeft in de Lek ter hoogte van Schoonhoven werkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit onder meer het aanbrengen van een vooroeverbescherming.

2.3 Op 15 december 2007 was het mts. Eiltank 210 in de afvaart bij Schoonhoven. Het mts. Eiltank 210 is omstreeks 20.30 uur bij kilometerraai 972,0 op de krib met nummer 910 bij de rechteroever gevaren, waardoor de Eiltank 210 met het voorschip ter hoogte van tanknummer 3 op de krib is komen te liggen. De Eiltank is de volgende dag door twee slepers achteruit van de krib getrokken.

2.4 Van de aanvaring is op 3 januari 2008 een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt. Voor zover van belang staat hierin het volgende vermeld:

“(…)

Vermoedelijke overtreding: artikel 1.04/B Rijnvaartpolitiereglement 1995 juncto artikel 1.04/B Rijnvaartpolitiereglement 1995 (Niet voorkomen dat schade aan andere schepen, oevers etc wordt toegebracht)

(..)

Datum en tijdstip ongeval : zaterdag 15 december 2007, 20.30 uur

Plaats ongeval : Lek

kilometerraai : 972.0

referentie : Lichtopstand 14

Gemeente : Schoonhoven

Aard ongeval : aanvaring met vast object (krib)

omhooglopen op een krib

Verkeerssituatie

primair : bocht

secundair : rechteroever Krib

(…)

Waterstand

hoog/laag : niet van toepassing

NAP : 130 cm plus

peilschaal : Schoonhoven

tijd : 23:00 uur

Toedracht

Op de in het proces-verbaal genoemde dag, datum en tijdstip was het ledige motortankschip Eiltank 210 afvarend op de in de rivier de Lek.

Terplaatse maakt de rivier een bocht naar bakboord. Gelet op de waterstand was de krib waarop de Eiltank omhoog gelopen is onder water. Deze krib was slechts door het kribbaken(licht) zichtbaar dat daar een krib was. Vermoedelijk door een verkeerde interpretatie van het radarbeeld dan wel een stuurfout is de Eiltank 210 in de bocht naar bakboord te ver naar de rechteroever geraakt en over de krib gevaren.

Het schip kwam niet meer door eigen kracht los, maar door het inschakelen van een sleepboot kwam het de volgende dag pas vlot.

Wij verbalisanten constateerden dat het radarbeeld goed functioneerde en een goed radarbeeld gaf. De schipper verklaarde verder dat er geen technische mankement was aan het schip.

Actuele situatie : varend voor stroom

Diepgang : 1,20 m. (…).”

2.5 Op 16 december 2007, te 01:20 uur, is als verdachte gehoord de schipper van de Eiltank 210 genaamd [persoon 1]. Op 11 februari 2008 is door de verbalisant een ambtsedig proces-verbaal opgemaakt, waarin voor zover van belang staat als verklaring van de verdachte:

“(…) Ik heb gewoon een vaarfout gemaakt. Op een gegeven moment zag ik aan bakboord een rood licht. De afstand tot dat licht was ongeveer 2 scheepslengtes. Ik zag dat dit fout ging en heb de motor nog op achteruit gezet. Even later liep het schip de rechteroever in. Het schip bleef op een krib hangen. (…).”

2.6 Op 24 januari 2008 is door [eiseres] aangifte gedaan van beschadiging van oever-werken veroorzaakt door de stranding van het motortankschip Eiltank 210. Hiervan is op 11 februari 2008 proces-verbaal opgemaakt.

3. De vordering

3.1 De verminderde vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan [eiseres] te betalen € 174.764,46, alsmede de buitengerechtelijke kosten te begroten conform rapport Voorwerk II, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 december 2007, althans de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de kosten van het geding.

[eiseres] heeft aan haar vordering, verkort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd.

3.2 Het motortankschip Eiltank 210 is ter hoogte van kilometerraai 972.0 te ver naar de rechteroever geraakt en vervolgens over de krib(vakken) en oever gevaren, waarbij onder meer schade is ontstaan aan het door [eiseres] uitgevoerde, nog niet opgeleverde, werk. De Eiltank 210 is in aanraking gekomen met de vooroeverbescherming tussen krib 170 en krib 910 en met de vooroeverbescherming tussen krib 910 en krib 680.

3.3 De hoogte van de door deze aanraking veroorzaakte schade bedraagt € 174.764,46 exclusief rente en kosten.

3.4 De eigenaar van de Eiltank 210 is aansprakelijk voor de door de schadevaring veroorzaakte schade alsmede voor de door [eiseres] gemaakte kosten voor voldoening buiten rechte.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

[gedaagde 1] c.s. voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan.

4.1 Eiltank Chemie (gedaagde sub 3) is eigenaresse van de Eiltank 210. Aanvaringsschade kan niet aan [gedaagde 1] (gedaagde sub 1) en Eiltank (gedaagde sub 2) worden toegerekend, nu zij geen eigenaar zijn.

4.2 Eiltank 210 heeft op 15 en 16 december 2007 niet gevaren in het water tussen de kribben met nummer 910 en 170 en kan dus nooit op die plaats waterbouwwerken hebben beschadigd.

4.3 De Eiltank 210 is enkele dagen na de aanvaring op 21 december 2007 op helling geweest. Bij het hellen van het schip is slechts verse bodemschade van minimale omvang aangetroffen ter hoogte van tank 3 waar het schip op krib 910 had vastgelegen. Ingeval het schip over honderden meters vooroeverbescherming heen was gevaren, had het onderwaterschip over de gehele lengte verse bodemschade moeten vertonen, hetgeen niet het geval was.

4.4 Op 15 december 2007 was geen vooroeverbescherming tussen krib 680 en 910 aanwezig. Er waren bij laag water geen vooroeverbeschermingen te zien. Deze waren slechts te zien tussen de kribben 910 en 170.

4.5 Rijkswaterstaat heeft kort na de vastvaring onderzoek ter plaatse verricht en schade geconstateerd aan de krib met nummer 910. Deze schade is begroot op € 24.858,64 en door Eiltank Chemie aan Rijkswaterstaat vergoed.

4.6 Er bestaat geen verplichting tot schadevergoeding, nu [gedaagde 1] c.s. geen schuld heeft: op 15 december 2007 was vanaf het schip geen vooroeverbescherming zichtbaar en er waren tussen krib 680 en 910 nergens verlichting of tekens geplaatst om passerende schepen te attenderen op waterbouwwerkzaamheden c.q. een vooroeverbescherming in aanbouw.

4.7 De hoogte van de door [eiseres] gepretendeerde schade wordt betwist bij gebreke aan een onderbouwing.

5. De beoordeling

bevoegdheid

5.1 Nu partijen in verschillende staten, Nederland en Duitsland, zijn gevestigd, is sprake van een internationaal kader. Krachtens artikel 24 EEX-Verordening is de rechtbank Rotterdam bevoegd kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

toepasselijk recht

5.2 Met betrekking tot de vraag naar welk recht het geschil tussen partijen moet worden beoordeeld overweegt de rechtbank als volgt.

[eiseres] vordert schadevergoeding voor de door de Eiltank 210 onrechtmatig veroorzaakte schade. Aangezien het onderhavige voorval plaatsgevonden heeft vóór 11 januari 2009, de dag van inwerkingtreding van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II Vo), mist deze verordening volgens artikel 31 Rome II-Vo toepassing. De Wet IPR Zee-, Binnenvaart- en Luchtrecht mist toepassing voor de vraag naar het toepasselijk recht, nu ingevolge artikel 7 van deze wet deze slechts van toepassing is als sprake is van een aanvaring in de zin van aanraking van schepen met elkaar, waarvan hier geen sprake is.

Van toepassing is de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). Ingevolge de hoofdregel van artikel 3 WCOD wordt een verbintenis uit onrechtmatige daad in beginsel beheerst door het recht van de staat waar de daad plaatsvond. Feiten of omstandigheden die een van de hoofdregel afwijkende regel toepasselijk doen zijn, zijn gesteld noch gebleken. Nu de aanvaring plaats heeft gevonden in Nederland is Nederlands recht toepasselijk.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat het motortankschip de Eiltank 210 is geregistreerd als binnenvaartschip, zodat de bepalingen van boek 8, titel 11 afdeling I van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.

vorderingsgerechtigdheid

5.3 [gedaagde 1] c.s. heeft de vorderingsgerechtigdheid van [eiseres] betwist onder aanvoering dat Rijkswaterstaat op grond van artikel 3:4 BW de eigendom zou hebben verkregen, ingeval [eiseres] daadwerkelijk een begin had gemaakt met het aanbrengen van vooroeverbeschermingen en het plaatsen van zinkstukken. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij, nu [gedaagde 1] c.s. het verweer eerst bij conclusie van dupliek en derhalve tardief heeft gevoerd en [eiseres] niet in de gelegenheid is geweest hierop te reageren.

aanvaring

5.4 [eiseres] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] c.s. uit hoofde van aanvaring aansprakelijk is wegens een fout in de zin van artikel 8:1004 BW.

Op grond van artikel 8:1004 BW in verbinding met 8:1002 BW bestaat slechts een verplichting tot schadevergoeding voor de eigenaar van het schip indien de schade is veroorzaakt door schuld van het schip (nader bepaald in HR 30 november 2001, LJN AD3922 - ‘Casuele’/ ‘De Toekomst’). Hiervan is onder meer sprake als sprake is van een fout van een persoon voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is volgens de artikelen 6:169 tot 6:171 BW.

[eiseres] heeft, na de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1] c.s. dat [gedaagde 1] en Eiltank eigenaar zijn van het schip, haar stelling terzake onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat de rechtbank hieraan voorbij zal gaan.

De rechtbank zal derhalve de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 1] en Eiltank afwijzen.

5.5 [gedaagde 1] c.s. betwist de gestelde fout (stuurfout) die heeft geleid tot het vastlopen op krib 910 op zichzelf niet, maar voert als meest verstrekkend verweer aan dat de door [eiseres] gestelde schade aan de vooroeverbescherming niet kan zijn veroorzaakt door het vastlopen van het schip. Daartoe voert [gedaagde 1] c.s. aan dat de aanwezige vooroeverbescherming in aanbouw tussen krib 910 en krib 170 door het schip niet is geraakt, omdat het schip daar nooit heeft gevaren: het schip is op krib 910 gelopen en vervolgens achteruit van krib 910 vlotgetrokken. Wat betreft de gestelde schade aan de vooroeverbescherming tussen krib 680 en krib 910 voert [gedaagde 1] c.s. aan dat deze vooroeverbescherming ten tijde van de aanvaring nog niet aanwezig was en in ieder geval niet waarneembaar was. [gedaagde 1] c.s. heeft dat verweer toegelicht met een afschrift van het waterstandverloop bij Schoonhoven voor de periode 15 december 2007 00.00 uur tot en met 16 december 2007 23.50 uur waaruit volgens [gedaagde 1] c.s. volgt dat ten tijde van de vastvaring om 20.30 uur de waterstand + 1.33 m boven NAP was, zodat gelet op de diepgang bij het voorschip van 0.40 m en de hoogte van de vooroeverbescherming van + 1.00 m NAP slechts in zeer beperkte mate een aanraking had kunnen plaatsvinden. Daaraan heeft [gedaagde 1] c.s. toegevoegd dat de laagste waterstand op 16 december 2007 beneden + 0.40 m NAP lag, maar dat ook bij deze waterstand geen vooroeverbescherming in aanbouw te zien was.

5.6 Weliswaar staat vast dat de vastvaring op krib 910 is veroorzaakt door een fout die aan het schip moet worden toegerekend, maar daarmee staat nog niet vast dat er ook een aanraking met de vooroeverbeschermingen plaats heeft gevonden en wat de reikwijdte daarvan was. Uit de overgelegde bescheiden kan thans niet met zekerheid worden opgemaakt dat een zodanige aanraking heeft plaatsgevonden. Op [eiseres] rust de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot haar stelling dat de schade aan de vooroeverbeschermingen tussen kribben 910 en 170 enerzijds en kribben 910 en 680 anderzijds is veroorzaakt door ‘schuld van het schip’ (een aanraking door het schip). [eiseres] zal dan ook worden opgedragen tot het leveren van het bewijs van het causaal verband tussen de gestelde fout en de door haar gestelde schade aan de vooroever-beschermingen. Om proceseconomische redenen zal [eiseres] reeds nu worden opgedragen tot het leveren van het bewijs van de hoogte van de door haar gestelde schade, nu [gedaagde 1] c.s. de omvang van de schade gemotiveerd heeft betwist.

5.7 Indien [eiseres] slaagt in haar bewijslevering dat de Eiltank 210 naast krib 910 ook de vooroeverbeschermingen tussen kribben 910 en 170 en kribben 910 en 680 heeft geraakt en dat daardoor schade is veroorzaakt, staat daarmee vast dat sprake is van schuld van het schip, nu niet in geschil is dat de aanraking(en) het gevolg is c.q. zijn van een onjuiste manoeuvre (stuurfout) van de bemanning van de Eiltank 210 voor wie de eigenaar van het schip aansprakelijk is . Dit betekent dat Eiltank Chemie als eigenaresse van het schip verplicht is tot vergoeding van de veroorzaakte schade.

5.8 [gedaagde 1] c.s. heeft verder nog aangevoerd dat sprake is van overmacht aan haar zijde bij gebreke van afdoende verlichting en markering van de vooroeverbescherming op basis waarvan zij niet aansprakelijk zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen, nu niet valt in te zien dat de afwezigheid van verlichting/markering in casu overmacht oplevert op grond waarvan de geconstateerde schuld aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. zou ontbreken. Gesteld noch gebleken is immers dat de vooroeverbescherming zich op een zodanige plaats in de vaargeul bevond dat het scheepsverkeer hiervan bij het op gebruikelijke wijze nemen van een bocht/reguliere varen hinder kan ondervinden. Evenmin is gesteld noch gebleken dat ingeval de aanwezigheid van vooroeverbescherming was gemarkeerd de aanraking daarmee voorkomen had kunnen worden. Niet in geschil is immers dat de bemanning van de Eiltank 210 niet in staat was de gemaakte stuurfout te corrigeren.

5.9 In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

6. De beslissing

De rechtbank

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiseres] op het bewijs dat de mts. Eiltank 210 op 15 december 2007 naast krib 910 ook de vooroever-beschermingen tussen kribben 910 en 170 en kribben 910 en 680 heeft geraakt en dat daardoor schade is ontstaan;

draagt [eiseres] op het bewijs dat zij schade heeft geleden tot het door haar gevorderde beloop;

bepaalt dat indien partijen dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter

mr. M.V. Scheffers;

bepaalt dat de advocaat van [eiseres] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden september, oktober en november 2011 en dat de advocaat van [gedaagde 1] c.s. binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op

17 augustus 2011.

1182/1278?