Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2434

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
328390 / HA ZA 09-997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor zover eiseressen met hun mededeling van 29 augustus 2011 via het roljournaal “ Zonder afstand te doen van hun recht getuigen te doen horen, wensen eiseressen op dit moment geen bewijs te leveren door het horen van getuigen ” bedoelden te bewerkstelligen dat hen een nadere termijn zou worden gegund om getuigen aan te zeggen, komt die mededeling zodanig effect niet toe. Eiseressen hadden, immers, vanaf (in ieder geval) 20 april 2011 tot en met 29 augustus 2011 de gelegenheid gehad getuigen aan te zeggen en verhinderdata voor het verhoor van die getuigen op te geven en hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Mede in het licht van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW, welke artikelen ingevolge artikel 3:59 BW ook hier van toepassing zijn, komt aan de aangehaalde bewoordingen onder deze omstandigheden redelijkerwijs geen andere betekenis toe dan dat eiseressen in dit stadium van de procedure geen bewijs door getuigen zullen leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/429
S&S 2012/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 328390 / HA ZA 09-997

Uitspraak: 21 september 2011

Vonnis in de zaak van:

1. de vennootschap opgericht naar het recht van het land harer vestiging

DEUGRO (DEUTSCHLAND) PROJEKT GMBH,

gevestigd te Kelsterbach, Duitsland,

2. de vennootschap opgericht naar het recht van het land harer vestiging

ASSEKURANZ – UNION VERSICHERUNGS – AGENTUR GMBH & CO KG.,

gevestigd te Bremen, Duitsland,

eiseressen,

advocaat mr. O.E. Meijer,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ECT DELTA TERMINAL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G. Noordam.

1 Het verdere verloop van het geding

1.1. Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnissen van 28 april 2010 en 20 april 2011.

1.2. Bij laatstgenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank eiseressen opgedragen te bewijzen feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de chauffeur van gedaagde hetzij de bocht heeft genomen met een snelheid van 25 km/uur of meer, hetzij de bocht heeft afgekort tot een bocht met een straal van minder dan 12 meter en zijn snelheid daarop niet heeft aangepast, dan wel een combinatie van die beide.

Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat eiseressen voor zover zij bewijs door getuigen willen leveren zij binnen vier weken na de datum van uitspraak opgave moeten doen van de te verhoren getuigen, met opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen.

1.3. Eiseressen hebben via het roljournaal aangekondigd bewijs door getuigen te willen leveren en verzocht om een verlenging van de termijn voor opgave van getuigen en verhinderdata. Die termijnverlenging heeft de rechtbank eiseressen verleend, laatstelijk tot en met 29 augustus 2011.

De advocaat van eiseressen heeft op 29 augustus 2011 via het roljournaal medegedeeld:

“Zonder afstand te doen van hun recht getuigen te doen horen, wensen eiseressen op dit moment geen bewijs te leveren door het horen van getuigen.”.

1.4. Daarop is de zaak naar de rol verwezen voor uitlating als bedoeld in artikel 2.11 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken.

1.5. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

2 De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst naar het tussenvonnis van 20 april 2011. Daarin is de maatstaf voor de gestelde onrechtmatige daad nader bepaald. Voorts is daarbij eiseressen opgedragen feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat de chauffeur van gedaagde die maatstaf niet heeft nageleefd, teneinde de conclusie te wettigen dat de chauffeur een fout in de zin van artikel 6:170 lid 1 BW heeft gemaakt.

2.2. Zoals blijkt uit hetgeen is vermeld onder 1. Het verdere verloop van het geding, hebben eiseressen aangekondigd bewijs door getuigen te zullen leveren, maar dat niet gedaan.

Voor zover eiseressen met hun mededeling van 29 augustus 2011 via het roljournaal “Zonder afstand te doen van hun recht getuigen te doen horen, wensen eiseressen op dit moment geen bewijs te leveren door het horen van getuigen” bedoelden te bewerkstelligen dat hen een nadere termijn zou worden gegund om getuigen aan te zeggen, komt die mededeling zodanig effect niet toe. Eiseressen hadden, immers, vanaf (in ieder geval) 20 april 2011 tot en met 29 augustus 2011 de gelegenheid gehad getuigen aan te zeggen en verhinderdata voor het verhoor van die getuigen op te geven en hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Mede in het licht van het bepaalde in de artikelen 3:33 en 3:35 BW, welke artikelen ingevolge artikel 3:59 BW ook hier van toepassing zijn, komt aan de aangehaalde bewoordingen onder deze omstandigheden redelijkerwijs geen andere betekenis toe dan dat eiseressen in dit stadium van de procedure geen bewijs door getuigen zullen leveren.

2.3. Eiseressen hebben evenmin enig schriftelijk bewijs bijgebracht als in het tussenvonnis van 20 april 2011 opgedragen.

2.4. Derhalve komt de rechtbank tot de slotsom dat eiseressen het opgedragen bewijs niet hebben geleverd, zodat niet geoordeeld kan worden dat de chauffeur van gedaagde een fout heeft gemaakt waarvoor gedaagde als zijn werkgever aansprakelijk is.

2.5. Op het vorenstaande en hetgeen is overwogen in (rov. 3.11 van) het tussenvonnis van 28 april 2010 stuiten de vorderingen af.

2.6. De rechtbank zal eiseressen als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten. Tegen de door gedaagde gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad hebben eiseressen geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.

3 De beslissing

De rechtbank,

wijst de vorderingen af;

veroordeelt eiseressen in de aan de zijde van gedaagde gevallen proceskosten, tot deze uitspraak bepaald op € 2.175,- aan griffierecht en € 4.973,50 aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011 1928