Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2349

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
327461 / HA ZA 09-878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zeevervoer. Sea waybill. Passieflegitimatie (wie is de vervoerder). Bewijsvermoeden. Toepasselijkheid algemene voorwaarden. Hague Rules. Onderdeks vervoer overeengekomen? Onrechtmatige daad. 'Soortgelijk document' in de zin van art. 8:377 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 327461 / HA ZA 09-878

Vonnis van 15 december 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ASR VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. B.S. Janssen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SEATRADE ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. SPRING TIGER,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

advocaat mr. K.H.L. van Waasbergen.

Partijen zullen hierna ASR, Seatrade en Spring Tiger genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 5 maart 2009, met één aan de dagvaarding gehechte bijlage, getiteld “akte van cessie”, en de bij het aanbrengen van de zaak overgelegde acht producties, genummerd 1a, 1b, 1c, 2, 3, 4, 5 en 6;

- de conclusie van antwoord van Seatrade, met drie producties;

- de conclusie van antwoord van Spring Tiger, met één productie;

- het tussenvonnis van 21 oktober 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de bij de rechtbank op 30 december 2009 ingekomen brief van 29 december 2009 van de raadsman van ASR, met zes producties;

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 12 januari 2010;

- de conclusie van repliek, met vier producties;

- de conclusie van dupliek van Seatrade, met één productie;

- de conclusie van dupliek van Spring Tiger, met twee producties.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1. [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) heeft omstreeks eind februari 2008 een afwerkmachine (asfalteermachine) en twee wegenwalsen (hierna tezamen: de machines) met een gezamenlijk brutogewicht van 25.835 kg verkocht aan de Curaçaose Wegenbouw Maatschappij N.V. (hierna: CWM) onder het verkoopbeding ‘CIF Willemstad, Curaçao’.

2.2. [bedrijf 1] heeft met het oog op het vervoer van deze machines I.F.C. International Freight (Caribbean) B.V., tevens handelend onder de naam ‘International Freight Consolidators’ (hierna: IFC), ingeschakeld.

2.3. IFC heeft per email van 27 februari 2008 aan Seatrade verzocht om een tarief voor het vervoer van “1 x 40 ft flatrack (IFC) met 2 machines erop (onder dek)”. Per email van 28 februari 2008 gaf Seatrade een tarief op en schreef “Horen gaarne indien wij een reservering moeten maken o.k.”. Op 6 maart 2008 heeft IFC aan Seatrade verschepingsinstructies gestuurd voor het vervoer van de machines.

2.4. Op 6 maart 2008 heeft Seatrade aan IFC ter zake van het vervoer van de - op een flat rack geplaatste - machines met het aan Spring Tiger toebehorende m.s. ‘Spring Tiger’ van Rotterdam naar Willemstad een sea waybill afgegeven. Daarop is IFC vermeld als ‘shipper’, onder vermelding van de woorden “as agents only”, en CCS Caribbean Cargo Services (hierna: CCS) als ‘consignee’. In het vakje ‘ocean vessel’ staat vermeld: “Spring Tiger”. In het voor ondertekening door de vervoerder bestemde vakje van deze sea waybill staan onder de naam van Seatrade de woorden “as agent for the carrier”.

2.5. Seatrade heeft de voorzijde van de sea waybill elektronisch aan IFC toegezonden. Op de voorzijde van de sea waybill is vermeld “for conditions of carriage see overleaf”. De achterzijde van de sea waybill, waarop de vervoerscondities staan afgedrukt, is op dat moment niet meegezonden.

2.6. Seatrade hanteert voor sea waybills als de onderhavige ‘Conditions of carriage’, (hierna: de vervoerscondities) die, voor zover thans relevant, als volgt luiden:

“3. CARRIER’S RESPONSIBILITY

(1) General provisions

(a) Clause Paramount

This Sea Waybill is subject to the CMI Uniform Rules for Sea Waybills.

(…) this Sea Waybill in so far as it relates to Sea Carriage shall have effect subject to the Hague Rules or any legislation making such Rules or the Hague-Visby Rules compulsorily applicable (such as COGSA or COGWA) to this Sea Waybill and the provisions of the Hague Rules or applicable legislation shall be deemed incorporated herein. (…)

(…)

11. CONTAINERS, OPTIMAL STOWAGE, CONSOLIDATION

(...)

(2) The Goods, whether stowed as aforesaid or not or received in a stowed condition from the Merchant, may be carried on or under deck without notice to the Merchant.

(...)

18. IDENTITY OF CARRIER

(1) The contract evidenced hereby is between the Merchant and the owner of the Vessel named herein (or a substitute vessel) and it is therefore agreed that the said shipowner only shall be liable for any damage or loss due to any breach of non-performance of any obligation arising out of the contract of carriage, whether or not relating to the Vessel’s seaworthiness. If, despite the foregoing, it is adjudged that any other is a Carrier and/or bailee of the Goods shipped hereunder, all limitations of and exonerations from, liability provided for by law or hereby shall be available to such other.

(2) It is further understood and agreed that as the company or Agents who has executed this Sea Waybill for and on behalf of the Master is not a principle in the transaction, said company or Agents shall not be under any liability arising out of the contract of carriage, neither as Carrier nor as bailee of the Goods.”.

2.7. IFC heeft ter zake van het vervoer van de machines naar Willemstad op 6 maart 2008 een ‘combined transport bill of lading’ met nummer ROT/WIL/08185 afgegeven, waarop [bedrijf 1] is vermeld als ‘shipper’, CWM als ‘consignee’ en CCS als ‘notify party’. Het cognossement is gesteld op papier van “IFC Carribean Line” en vermeldt rechts onderaan “I.F.C. Int. Freight (Car) B.V. Moerdijk as agents for the carrier Caribbean Line”.

2.8. Tijdens het vervoer van de machines van Rotterdam naar Willemstad met de ‘Spring Tiger’ zijn de machines, die bovendeks waren geplaatst, beschadigd geraakt als gevolg van blootstelling aan zout water.

2.9. ASR heeft, daartoe gehouden onder de door IFC ten behoeve van de ladingbelanghebbenden afgesloten goederenverzekering, € 75.000,-- uitgekeerd aan CWM en € 11.998,92 aan IFC.

3. De vordering

De vordering luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Seatrade en Spring Tiger hoofdelijk, althans Seatrade, althans Spring Tiger, veroordeelt tot betaling aan ASR van € 86.998,92, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW, verschuldigd vanaf 6 maart 2008, althans de dag dat Seatrade door ASR aansprakelijk is gesteld, te weten 1 april 2008, althans de dag van de dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;

2. Seatrade en Spring Tiger hoofdelijk, althans Seatrade, althans Spring Tiger, veroordeelt tot betaling van de kosten van het expertiserapport ad (p.m.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

3. Seatrade en Spring Tiger hoofdelijk, althans Seatrade, althans Spring Tiger, veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 2.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft ASR hieraan, voor zover thans relevant, de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

De vervoerovereenkomst

3.1. IFC heeft op 6 maart 2008 als afzender in eigen naam een overeenkomst tot (zee)vervoer van de machines gesloten met Seatrade. Seatrade heeft het beding om de machines onderdeks te vervoeren aanvaard. Partijen zijn dus overeengekomen dat de machines op de flatrack onderdeks vervoerd moesten worden.

3.2. Op de door Seatrade voor dit vervoer afgegeven sea waybill is CCS vermeld als geadresseerde namens de ontvanger CWM.

3.3. Seatrade dan wel Spring Tiger heeft de flatrack met de twee machines in strijd met de overeenkomst van zeevervoer (hierna: de vervoerovereenkomst) als deklading vervoerd in plaats van onderdeks, waardoor schade aan de machines is ontstaan. De machines moesten naar Nederland worden terugvervoerd voor reparatie. De schade is vastgesteld op € 86.998,92.

Aansprakelijkheid Seatrade uit overeenkomst

3.4. Uit de sea waybill zonder bemerkingen blijkt dat de lading in goede staat in ontvangst is genomen. Seatrade heeft haar hoofdverplichting onder de vervoerovereenkomst geschonden door de goederen niet ter bestemming af te leveren in de staat waarin zij deze heeft ontvangen (art. 8:378 BW). Zij is dus aansprakelijk voor de schade.

Een professioneel zeevervoerder dient voorts te weten dat lading als de onderhavige nooit bovendeks vervoerd mag worden vanwege de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat de machines beschadigd raken door blootstelling aan zout water.

Op 1 april 2008 heeft IFC Seatrade aansprakelijk gesteld voor de schade die tijdens de vervoersperiode is ontstaan.

Aansprakelijkheid Spring Tiger uit overeenkomst

3.5. Spring Tiger heeft het met Seatrade overeengekomen vervoer feitelijk uitgevoerd. Voor zover de vervoerscondities toepasselijk zijn, waarin is bedongen dat Seatrade namens de eigenaar van het schip de vervoerovereenkomst sluit, geldt niet Seatrade maar Spring Tiger als vervoerder en wordt de vordering uit hoofde van de vervoerovereenkomst ingesteld tegen Spring Tiger. IFC maakt aan Spring Tiger dezelfde verwijten als aan Seatrade.

Hoofdelijke aansprakelijkheid Seatrade en Spring Tiger

3.6. Nu Seatrade noch Spring Tiger duidelijkheid verschaft over de vraag wie van hen als vervoerder heeft te gelden, gelden zij beide als debiteur en zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de uit het vervoer ontstane schade.

Actieve legitimatie ten aanzien van contractuele vordering

3.7. IFC heeft in eigen naam opdracht gegeven tot het onderhavige vervoer en is derhalve afzender onder de vervoerovereenkomst. Daarom is IFC gerechtigd om de vordering op de vervoerder geldend te maken.

3.8. Zou echter IFC niet in eigen naam maar namens [bedrijf 1] met de vervoerder hebben gecontracteerd, zoals Spring Tiger stelt, dan is [bedrijf 1] als afzender gelegitimeerd.

3.9. CCS is als de op de sea waybill vermelde geadresseerde door het in ontvangst nemen van de machines toegetreden tot de vervoerovereenkomst en als zodanig gerechtigd een vordering in te stellen tegen de vervoerder vanwege diens toerekenbare tekortkoming onder de overeenkomst.

3.10. ASR is gesubrogeerd in de rechten van CWM en IFC. Daarnaast hebben IFC en CCS al hun rechten uit de vervoerovereenkomst overgedragen aan ASR.

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad

3.11. Seatrade en Spring Tiger zijn aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. Door de flatrack met de machines bovendeks te vervoeren, en ze daardoor bloot te stellen aan zout water, terwijl algemeen bekend is dat aan machines als de onderhavige door blootstelling aan zout water corrosie ontstaat, is de vervoerder toerekenbaar tekort geschoten in de van hem te vergen zorgvuldigheid ten aanzien van de lading, zodat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [bedrijf 1], CWM en IFC.

Dit handelen levert een fout op van een persoon (of personen) die ten behoeve van het schip werkzaamheden verricht heeft (of hebben). Nu deze fout schade heeft veroorzaakt is sprake van schuld van het schip. Voor deze fout is de eigenaar van het schip aansprakelijk volgens art. 6:169-171 BW.

Actieve legitimatie ten aanzien van vordering uit onrechtmatige daad

3.12. Vanwege het verkoopbeding ‘CIF Willemstad, Curaçao’ had [bedrijf 1] een materieel belang bij de machines ten tijde van het ontstaan van de schade. De eigendom van de machines ging ingevolge art. 3:84 BW pas door middel van bezitsverschaffing op CWM over toen deze de lading te Willemstad in ontvangst nam. Omdat [bedrijf 1] als eigenaar schade heeft geleden heeft zij een vordering uit onrechtmatige daad op de vervoerder.

3.13. De lading reisde voor risico van uiteindelijke ontvanger CWM zodat ook deze een belang had bij ongeschonden aflevering daarvan.

3.14. IFC is door het onrechtmatig handelen van Seatrade en Spring Tiger aansprakelijk in haar verhouding met haar opdrachtgever [bedrijf 1] en de geadresseerde CCS.

3.15. [bedrijf 1], CWM en IFC hebben al hun rechten overgedragen aan ASR.

Buitengerechtelijke kosten en expertisekosten

3.16. ASR heeft buitengerechtelijke incassowerkzaamheden moeten verrichten en daartoe kosten moeten maken groot € 2.000,--. Seatrade en Spring Tiger zijn hiervoor op grond van art. 6:96 BW aansprakelijk.

3.17. Daarnaast komen de expertisekosten voor vergoeding in aanmerking.

4. De verweren van Seatrade

Seatrade heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van ASR in haar vordering, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Seatrade daartoe onder meer het volgende aangevoerd.

De vervoerovereenkomst

4.1. Seatrade is niet de contractuele vervoerder. Seatrade is in de contacten met IFC opgetreden als agente van de zeevervoerder.

Voorafgaande aan dit schadegeval heeft IFC reeds honderden zendingen via Seatrade naar de Antillen verscheept. Voor die verschepingen stelde Seatrade steeds “as agent for the carrier” sea waybills uit op papier van de Seatrade Group, met daarop altijd dezelfde vervoerscondities afgedrukt. IFC wist uit hoofde van deze intensieve commerciële relatie dat Seatrade niet zelf optrad als vervoerder maar optrad als vertegenwoordiger van de vervoerder c.q. rederij. Seatrade heeft ook de onderhavige sea waybill afgegeven en getekend “as agent for the carrier”.

4.2. Tussen IFC en Seatrade was vaste praktijk dat Seatrade steeds vooraf per email een concept sea waybill voorlegde aan IFC. Na goedkeuring daarvan volgde verscheping en werden de originele sea waybill, met daarop afgedrukt de vervoerscondities, en de factuur aan IFC gestuurd. Gelet op de vele eerdere boekingen en vele eerder ontvangen sea waybills met daarop afgedrukt de vervoerscondities, was het voor IFC volstrekt duidelijk dat deze vervoerscondities ook op het onderhavige transport van toepassing zouden zijn. De vervoerscondities gelden daarom als tussen partijen overeengekomen.

4.3. Bij de boeking op 6 maart 2008 zijn geen instructies over het boven- of onderdeks vervoer verstrekt, zodat Seatrade op grond daarvan aannam en mocht aannemen dat de machines zowel boven- als onderdeks vervoerd mochten worden.

4.4. Vanwege de afmetingen van de flatrack met daarop (onverpakt) de machines bleek verscheping onder dek niet mogelijk. Daarom heeft de zeevervoerder gebruik gemaakt van het in art. 11 lid 2 van de vervoerscondities bedongen recht om de goederen aan dek te verschepen.

Aansprakelijkheid uit overeenkomst

4.5. Primair is Seatrade niet aansprakelijk jegens ASR omdat zij niet als vervoerder maar als agente c.q. vertegenwoordiger van de vervoerder c.q. de rederij is opgetreden.

4.6. Subsidiair doet Seatrade een beroep op de Hague Rules, die blijkens de vervoerscondities op het transport van toepassing zijn. Ingevolge de Hague Rules is haar aansprakelijkheid is in ieder geval beperkt tot € 1.134,73.

4.7. Meer subsidiair doet Seatrade een beroep op de Fenexcondities, die op haar relatie met IFC van toepassing zijn.

4.8. Verder subsidiair beroept Seatrade zich op de beperking van haar aansprakelijkheid tot 2 SDR per kg op grond van art. 8:388 BW. In dat geval is haar aansprakelijkheid in ieder geval beperkt tot SDR 51.670,--.

4.9. ASR is onvoldoende duidelijk omtrent de hoedanigheid -die van expediteur of vervoerder- waarin IFC met [bedrijf 1] heeft gecontracteerd. IFC heeft voorts een cognossement uitgesteld op papier van IFC Caribbean Line, waarin zij aangeeft als agente voor vervoerder Caribbean Line op te treden terwijl zij in deze procedure aangeeft dat Caribbean Line niet bestaat. ASR dient de bij dit cognossement behorende vervoersvoorwaarden over te leggen omdat Seatrade zich mogelijk op de Caribbean Line voorwaarden zal wensen te beroepen ter beperking van haar eventuele aansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad

4.10. Seatrade heeft niet -los van het vervoercontract- onrechtmatig gehandeld. De schade is niet ontstaan door schuld van Seatrade.

Zou Seatrade al onrechtmatig hebben gehandeld dan staat haar een beroep open op de vervoerovereenkomst en ook op de beperking van aansprakelijkheid, onder meer op grond van de art. 8:361 tot en met 8:366 BW. Ook de tot de vervoerovereenkomst toegetreden ontvanger moet de voorwaarden van de vervoerovereenkomst tegen zich laten gelden.

4.11. Er is geen sprake van schade door een zeeschip veroorzaakt zonder dat een aanvaring heeft plaatsgehad, of van schuld van het schip. Zelfs als dat anders zou zijn, dan nog kan Seatrade zich beroepen op de beperking.

4.12. Aan [bedrijf 1] kan geen vordering toekomen omdat de machines gelet op de verkoopconditie ‘CIF’ niet voor haar rekening en risico reisden, zodat zij geen schade heeft geleden, ook niet indien zij eigenaar van de machines is gebleven.

Wettelijke rente

4.13. Seatrade kan slechts wettelijke rente verschuldigd zijn vanaf het moment dat ASR onder de polis heeft betaald.

Buitengerechtelijke kosten en expertisekosten

4.14. Seatrade is de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet verschuldigd. De gevorderde kosten zijn bovenmatig.

5. De verweren van Spring Tiger

Spring Tiger heeft geconcludeerd dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. aan Seatrade de bewijsopdracht geeft dat de Conditions of Carriage van de sea waybill tussen haar en IFC zijn overeengekomen en mitsdien op de overeenkomst onder de sea waybill d.d. 6 maart 2008 met nummer SGNV 362 RTM 805032 van toepassing moeten worden geacht;

2. ASR in haar vordering jegens Spring Tiger niet-ontvankelijk verklaart, althans die vordering afwijst, althans, indien en voor zover Spring Tiger passief is gelegitimeerd onder de sea waybill van 6 maart 2008, verklaart voor recht dat haar aansprakelijkheid voor de schade aan de lading bestaande uit de twee machines geboekt met boekingsnummer ST05WIL029 is beperkt tot primair € 1.134,73 en subsidiair tot een bedrag van SDR 51.670,-- in hoofdsom en de schadevordering van ASR slechts voor dat primaire althans dat subsidiaire bedrag toewijst,

met veroordeling van ASR in de kosten van de procedure, althans met compensatie van de door ASR respectievelijk Spring Tiger gemaakte proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Spring Tiger daartoe onder meer- het volgende aangevoerd.

De vervoerovereenkomst

5.1. Spring Tiger is niet betrokken geweest bij het tussen IFC en Seatrade sluiten van de vervoerovereenkomst. Van Seatrade heeft Spring Tiger begrepen dat IFC slechts in de offertefase heeft gevraagd of onderdeks kon worden vervoerd, maar dat zij bij de boeking niet op de noodzaak van onderdeks vervoer of op de eerdere correspondentie heeft gewezen.

5.2. Blijkens de sea waybill trad IFC op “as agents only”. Spring Tiger begrijpt dat IFC altijd ‘as agents’ boekt bij Seatrade.

Betwist wordt dat IFC in eigen naam jegens [bedrijf 1] als vervoerder is opgetreden. De mededeling in de dagvaarding dat [bedrijf 1] aan IFC opdracht heeft gegeven om te doen vervoeren moet worden beschouwd als verklaring als bedoeld in art. 8:63 lid 2 BW. [bedrijf 1] heeft derhalve als opdrachtgever van haar expediteur IFC als afzender onder de vervoerovereenkomst te gelden.

5.3. Onduidelijk is vooralsnog of tussen IFC en Seatrade toepasselijkheid van de vervoerscondities is overeengekomen. Voor de vordering tegen Spring Tiger dient de uitkomst van de feitelijke discussie tussen IFC en Seatrade te worden afgewacht.

Aansprakelijkheid uit overeenkomst

5.4. Of Spring Tiger als vervoerder is gebonden hangt af van de vraag of toepasselijkheid van de vervoerscondities tussen IFC en Seatrade is overeengekomen. Indien de vervoerscondities in het kader van eerdere verschepingen door Seatrade aan IFC ter hand zijn gesteld, dan zijn deze van toepassing op de vervoerovereenkomst. In dat geval geldt Spring Tiger ingevolge Art. 18 daarvan als vervoerder. In het andere geval kan Spring Tiger niet als vervoerder worden aangesproken. Zij is dan slechts ondervervoerder van Seatrade.

5.5. Indien de vervoerscondities deel uitmaken van de vervoerovereenkomst neergelegd in de sea waybill gelden deze ook jegens CWM als toegetreden geadresseerde. Dit is niet anders indien IFC slechts de voorzijde van de sea waybill heeft ontvangen, nu uit de verwijzigingsregel duidelijk blijkt dat het vervoer aan ‘conditions overleaf’ was onderworpen, welke condities [bedrijf 1] en de geadresseerde eenvoudig hadden kunnen opvragen. Voorts mag Spring Tiger zich ingevolge art. 8:364 lid 2 BW jegens de geadresseerde op alle bepalingen van de met IFC (voor [bedrijf 1]) afgesloten vervoerovereenkomst beroepen.

5.6. Indien Spring Tiger als vervoerder geldt, beroept zij zich primair op beperking van haar aansprakelijkheid tot € 1.134,73 op grond van Rule 4 lid 5 Hague Rules, die gelet op de verwijzing op de sea waybill naar de vervoerscondities aan de keerzijde en de toepasselijkverklaring van de Hague Rules in Art. 3 van deze vervoerscondities alsdan van toepassing zijn.

5.7. Indien Spring Tiger als vervoerder geldt, beroept zij zich subsidiair op beperking van aansprakelijkheid tot 2 SDR per kg op grond van art. 8:388 BW, in totaal SDR 51.670, .

5.8. Dat ASR actief gelegitimeerd is onder de vervoerovereenkomst wordt niet betwist.

Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad

5.9. Spring Tiger heeft niet onrechtmatig gehandeld. Het vervoer bovendeks kan Spring Tiger niet worden verweten nu zij noch de kapitein van het m.s. ‘Spring Tiger’ voor of ten tijde van de inlading is geïnformeerd over de gestelde afspraak om onderdeks te vervoeren. Het enkele toestaan van belading bovendeks was -afgezien van schending van een al dan niet bestaande afspraak om onderdeks te vervoeren- niet onrechtmatig. Gelet op de maatvoering van de flatrack met de machines is onzeker of belading onderdeks mogelijk is geweest.

Spring Tiger, het m.s. ‘Spring Tiger’, haar bemanning en de hulppersonen van de rederij hebben geen schuld aan de schadeoorzaak en zij hebben geen buitencontractuele norm geschonden.

5.10. Het geval bedoeld in art. 6:169 BW doet zich niet voor, zodat het beroep van ASR daarop faalt. Haar beroep op art. 6:170 BW faalt ook, omdat de kapitein en bemanning van het schip geen hen verwijtbare fout hebben gemaakt maar slechts de laadinstructies van Seatrade hebben opgevolgd. Van handelen van niet-ondergeschikten die in functioneel verband met Spring Tiger staan als bedoeld in art. 6:171 BW is evenmin sprake. Fouten van Seatrade-personeelsleden komen hoogstens via art. 18 van de vervoerscondities voor rekening van Spring Tiger.

5.11. Het beroep van ASR op de aanvaringsartikelen 8:544-8:845 BW gaat in haar relatie tot Spring Tiger niet op nu geen sprake is van een aanvaring als bedoeld in art. 8:540 BW of van schade door een zeeschip veroorzaakt als bedoeld in art. 8:541 BW.

5.12. Ingevolge art. 6:101 BW komt de schade voor rekening van ASR, aan wie de slordige wijze van boeken door IFC -als expediteur voor [bedrijf 1]- valt toe te rekenen.

5.13. ASR moet ter zake van de vordering uit onrechtmatige daad het contractuele aansprakelijkheidsregime tegen zich laten gelden, ingevolge art. 8:362 BW indien Spring Tiger vervoerder is, en ingevolge art. 8:363 BW indien Spring Tiger geen vervoerder is.

5.14. De vorderingsgerechtigdheid van [bedrijf 1] wordt betwist.

Buitengerechtelijke kosten en expertisekosten

5.15. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet worden afgewezen omdat jegens Spring Tiger geen relevante buitengerechtelijke incassomaatregelen zijn genomen.

Proceskosten

5.16. Voorafgaand aan haar verschijning in deze procedure heeft Spring Tiger vergoeding van het bedrag van de Hague Rules beperking aangeboden, vermeerderd met het op grond van die hoofdsom begrote bedrag aan vast recht, welk aanbod ASR niet heeft geaccepteerd. Hierom dient de vordering tot vergoeding van proceskosten te worden afgewezen, althans moeten de kosten gecompenseerd worden geacht.

6. De beoordeling

De wijziging van eis

6.1. ASR heeft in de dagvaarding aangegeven dat zij na subrogatie en cessie de rechten van de afzender, de geadresseerde, de eigenaar en de ontvanger -uit de vervoerovereenkomst dan wel uit onrechtmatige daad- uitoefende. Haar overige stellingen kwamen er echter op neer dat slechts aan IFC en CWM een contractueel vorderingsrecht toekwam en dat slechts jegens [bedrijf 1] onrechtmatig was gehandeld, zodat met de dagvaarding geen andere vorderingsrechten dan deze werden uitgeoefend.

Bij repliek heeft ASR gehandhaafd dat zij een contractueel vorderingsrecht van IFC uitoefent en een vordering van [bedrijf 1] uit onrechtmatige daad, het standpunt verlaten dat aan CWM een contractuele vordering toekwam, en aangevuld dat zij de aan CCS en (onder bepaalde voorwaarden) aan [bedrijf 1] toekomende contractuele vorderingsrechten uitoefent en de aan IFC, CCS en CWM toekomende vorderingen uit onrechtmatige daad. Aldus heeft zij de grondslag van haar eis gewijzigd.

Een dergelijke eiswijziging wordt door art. 130 lid 1 Rv toegelaten zolang er nog geen eindvonnis is gewezen. Seatrade en Spring Tiger hebben tegen de eiswijziging als zodanig niet, zoals hun vrijstond, bezwaar gemaakt. Nu de rechtbank deze niet in strijd acht met de goede procesorde -mede gelet op de omstandigheid dat ASR in de dagvaarding wel heeft aangegeven ook als cessionaris van CCS op te treden- gaat zij bij de beoordeling uit van de gewijzigde eis.

Uitgangspunten

6.2. In geschil is of aansprakelijkheid van Seatrade en/of Spring Tiger bestaat jegens IFC en/of CCS en/of [bedrijf 1] wegens een tekortkoming in de nakoming van de vervoerovereenkomst, dan wel jegens [bedrijf 1], IFC, CCS en/of CWM uit onrechtmatige daad.

Met partijen gaat de rechtbank ervan uit dat deze vragen -ook wat betreft de actieve en passieve legitimatie onder de vervoerovereenkomst- naar Nederlands recht moeten worden beoordeeld.

Gelet op het bepaalde in art. 8:371 BW zijn de Hague Visby Rules (HVR) niet rechtstreeks van toepassing op de vervoerovereenkomst, nu een sea waybill als de onderhavige niet een aan een cognossement ‘soortgelijk document’ is in de zin van art. 8:377 BW. Partijen zijn het daarover ook eens.

Seatrade en Spring Tiger hebben niet betwist dat ASR bij wege van subrogatie in de rechten is getreden van CWM en IFC, en evenmin dat IFC, [bedrijf 1], CCS en CWM al hun rechten “voortspruitende uit en verband houdende met het bovengenoemde vervoer en/of schade” hebben gecedeerd aan ASR, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

Hoofdelijke aansprakelijkheid Seatrade en Spring Tiger onder de vervoerovereenkomst

6.3. ASR vordert hoofdelijke veroordeling van Seatrade en Spring Tiger op de grond dat zij beiden als debiteur zijn aan te merken omdat zij door niet te reageren op de aansprakelijkstelling van IFC onvoldoende duidelijk hebben gemaakt wie als vervoerder heeft te gelden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom de door ASR gestelde feiten het ingeroepen rechtsgevolg van hoofdelijke verbondenheid zouden meebrengen, zodat dit standpunt als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd.

6.4. Uit de verdere stellingen van ASR volgt dat zij primair Seatrade als vervoerder beschouwt en subsidiair Spring Tiger. Daarom wordt eerst de contractuele vordering tegen Seatrade beoordeeld en pas daarna de contractuele vordering tegen Spring Tiger. Vervolgens komen de vorderingen uit onrechtmatige daad tegen elk van beide gedaagden aan de orde.

De contractuele vordering tegen Seatrade

6.5. Tussen ASR en Seatrade is niet in geschil dat de vervoerovereenkomst door IFC in eigen naam is gesloten. Tussen hen staat derhalve vast dat IFC afzender is.

Dat ASR met betrekking tot haar vordering tegen de vervoerder op contractuele grondslag actief gelegitimeerd is, is tussen hen evenmin in geschil.

6.6. Seatrade betwist echter dat zij als vervoerder valt aan te merken. Zij stelt dat zij de vervoerovereenkomst heeft gesloten als agente van de zeevervoerder en dat IFC dit wist omdat het in hun intensieve commerciële relatie gebruikelijk was dat Seatrade niet zelf optrad als vervoerder maar optrad als vertegenwoordiger van de vervoerder.

Voor het antwoord op de vraag of Seatrade jegens IFC bij het sluiten van de vervoerovereenkomst heeft gehandeld in eigen naam of namens een derde (in welk geval deze derde als wederpartij van IFC geldt), is bepalend hetgeen Seatrade en IFC daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter)).

ASR draagt ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv in beginsel de bewijslast van haar stelling dat de vervoerovereenkomst is gesloten met Seatrade.

Vast staat dat IFC op 27 februari 2008 aan Seatrade een tarief voor het onderhavige vervoer heeft verzocht en dat Seatrade daags daarop een tariefaanbieding heeft gedaan onder de vermelding “Horen gaarne indien wij een reservering moeten maken o.k.”. Seatrade heeft onweersproken gesteld dat IFC op 6 maart 2008 aan Seatrade voor de onderhavige zending een verschepingsinstructie heeft gezonden. Nu geen stellingen zijn ingenomen of stukken zijn overgelegd en ingeroepen die tot een ander oordeel kunnen leiden, gaat de rechtbank ervan uit dat de vervoerovereenkomst voor of ten tijde van het geven van deze verschepingsinstructie tot stand is gekomen. Noch uit bedoelde correspondentie noch uit de verschepingsinstructie blijkt dat Seatrade voor of op dat moment heeft aangegeven niet voor zichzelf, maar als vertegenwoordiger van een ander op te treden. Om die reden wordt voorshands bewezen geacht dat Seatrade de vervoerovereenkomst in eigen naam is aangegaan.

De vermelding op de sea waybill dat Seatrade deze heeft afgegeven ‘as agent for the carrier’ leidt niet tot een ander oordeel, nu is gesteld noch gebleken dat (een concept voor) deze sea waybill inclusief deze vermelding al ter kennis van IFC is gebracht vóór of ten tijde van totstandkoming van de vervoerovereenkomst.

De rechtbank zal Seatrade in de gelegenheid stellen om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat Seatrade de vervoerovereenkomst in eigen naam is aangegaan. Bij het leveren van dit tegenbewijs zal zij desgewenst ook kunnen ingaan op haar hierboven onder 4.1. weergegeven standpunt, waarvan de juistheid niet vaststaat.

6.7. Indien Seatrade niet slaagt in het leveren van dit tegenbewijs moet zij als vervoerder onder de vervoerovereenkomst worden aangemerkt. Voor dat geval wordt op voorhand het volgende overwogen.

6.7.1. Partijen verschillen van inzicht over de inhoud van de vervoerovereenkomst, in het bijzonder over de vraag of vervoer onderdeks is overeengekomen en of de vervoerscondities deel uitmaken van de vervoerovereenkomst.

6.7.2. Tussen partijen is niet in geschil dat genoemde woorden “1 x 40 ft flatrack (IFC) met 2 machines erop (onder dek)” deel uitmaken van de email van 27 februari 2008 waarin IFC Seatrade om opgave van een tarief verzocht. Evenmin is in geschil dat Seatrade op deze mail met een tarief heeft gereageerd. Noch bij antwoord, noch ter comparitie heeft Seatrade de stelling van ASR betwist dat IFC met Seatrade was overeengekomen dat de machines op de flatrack onderdeks vervoerd zouden worden. Pas bij dupliek is Seatrade alsnog op genoemde stelling van ASR ingegaan en heeft zij het bestaan van een afspraak over het onderdeks vervoeren van de flatrack met daarop de machines betwist. Nu dit verweer, waarop ASR niet meer heeft kunnen reageren, tardief is, kan het Seatrade niet baten. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat tussen IFC en Seatrade vervoer onderdeks is overeengekomen. Dat bij de boeking op 6 maart 2008 geen instructies over boven- of onderdeks vervoer zijn verschaft, leidt gezien het -niet door Seatrade ter discussie gestelde- verband met de eerdere correspondentie niet tot een ander oordeel.

6.7.3. Vast staat dat op de -aan IFC toegezonden- voorzijde van de sea waybill wordt verwezen naar de vervoerscondities aan de ommezijde (zie 2.5. hierboven). Seatrade stelt maar ASR betwist- dat deze vervoerscondities daarom deel uitmaken van de vervoerovereenkomst. ASR heeft echter onbetwist gesteld dat de toepasselijkheid van algemene voorwaarden niet aan de orde is gekomen ten tijde van het sluiten van de vervoerovereenkomst. Nu is gesteld noch gebleken dat (een concept van) de sea waybill voor of ten tijde van het aangaan van de vervoerovereenkomst is opgemaakt en toegezonden (zie r.o. 6.6), kan de enkele verwijzing voorop dat document naar de vervoerscondities op de achterzijde daarvan niet tot gevolg hebben dat deze voorwaarden deel uitmaken van de vervoerovereenkomst.

Seatrade betoogt echter dat de vervoerscondities als tussen partijen overeengekomen gelden omdat het IFC, gelet op de vele eerdere boekingen en vele eerder ontvangen sea waybills met daarop afgedrukt de vervoerscondities, volstrekt duidelijk was dat deze vervoerscondities ook op het onderhavige transport van toepassing zouden zijn. Nu IFC om die reden met deze voorwaarden bekend was, is er bovendien er geen grond voor vernietiging van de voorwaarden, aldus Seatrade.

Naar de rechtbank begrijpt is de gedachtegang van Seatrade:

- IFC heeft vanaf het begin van haar commerciële relatie met Seatrade uit de toezending [achteraf, tegelijk met de factuur, rb.] van sea waybills met daarop gedrukt de vervoerscondities moeten begrijpen en begrepen dat Seatrade wenste dat deze condities op de desbetreffende vervoerovereenkomst waren;

- IFC heeft nimmer tegen deze gewenste toepasselijkheid geprotesteerd;

- vanaf enig moment gold de toepasselijkheid van de vervoerscondities als stilzwijgend door IFC aanvaard, omdat voormeld patroon zich steeds herhaalde;

- de toepasselijkheid van de vervoerscondities op de door IFC en Seatrade gesloten vervoerovereenkomsten levert gelet op de grote hoeveelheden boekingen en aan IFC toegezonden sea waybills een tussen partijen bestaande gewoonte op;

- uit deze gewoonte vloeit in het onderhavige geval het rechtsgevolg voort dat ook op de onderhavige vervoerovereenkomst de vervoerscondities van toepassing zijn.

ASR betwist niet dat IFC vele eerdere zendingen via Seatrade heeft verscheept. ASR betwist wel dat IFC ooit voorafgaand aan het onderhavige vervoer de vervoerscondities heeft ontvangen. In deze betwisting ligt besloten dat ASR niet het standpunt inneemt -en zij stelt dit ook niet subsidiair- dat IFC op enig moment tegen de beoogde toepasselijkheid van de vervoerscondities heeft geprotesteerd. Om deze reden neemt de rechtbank als vaststaand aan dat een dergelijk protest, voor zover daarvoor al aanleiding bestond, is uitgebleven.

Aan Seatrade, op wie de bewijslast op dit punt rust, zal worden opgedragen te bewijzen dat IFC voorafgaand aan het onderhavige transport reeds vele malen sea waybills met daarop afgedrukt de vervoerscondities van Seatrade heeft ontvangen.

6.8. Indien Seatrade slaagt in het leveren van het in ro. 6.7.3 bedoelde bewijs, dan zal de rechtbank Seatrade in bovenbedoelde redenering volgen en, nu niets is gesteld of gebleken dat leidt tot een ander oordeel op dit punt, oordelen dat in het in ro. 6.7 bedoelde geval- de vervoerscondities op de onderhavige vervoerovereenkomst van toepassing zijn omdat dit voortvloeit uit de gewoonte als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW.

6.8.1. De stelling van ASR dat de vervoerscondities niet leesbaar zijn wordt voor dat geval gepasseerd, omdat de voorwaarden op de sea waybills zijn gedrukt op een wijze en in een grootte die in de branche -waarvan ook IFC deel uitmaakt- niet ongebruikelijk zijn en hoewel klein, niet onleesbaar moeten worden geacht. Bovendien staat in het hier bedoelde geval vast dat IFC reeds veelvuldig de vervoerscondities toegezonden heeft gekregen, en lag het onder die omstandigheden op haar weg om, indien zij deze niet (voldoende gemakkelijk) kon lezen, daarvan van Seatrade een vergroting te vragen of deze zelf te maken.

Gelet op de voorafgaande toezending kan ook het door ASR gedane beroep op vernietiging van de voorwaarden in het hier bedoelde geval niet slagen.

6.8.2. Het standpunt van Seatrade dat vervoer onder dek niet mogelijk was gezien de afmetingen van de flatrack met de machines, hetgeen ASR betwist, en dat de vervoerder daarom gebruik heeft gemaakt van het in art. 11(2) van de vervoerscondities neergelegde recht om aan dek te verschepen, kan Seatrade niet baten. Niet alleen heeft zij aan deze stelling, die geheel feitelijk van aard is, geen rechtsgevolgen verbonden, maar ook staat haar een beroep op deze bepaling niet vrij nu vervoer onderdeks is overeengekomen (zie ro. 6.7.2).

6.8.3. Seatrade vermeldt nog terloops dat de machines niet waren verpakt. In deze feitelijke mededeling, waaraan geen rechtsgevolgen zijn verbonden, is geen voldoende uitgewerkt beroep op onvoldoende verpakking van de machines te lezen, nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken dat de machines onvoldoende waren verpakt voor het overeengekomen vervoer onderdeks.

6.8.4. Het standpunt van Seatrade dat op grond van de vervoerscondities de Hague Rules (HR) van toepassing zijn op het vervoer van de machines is, gelet op de tweede volzin van art. 3(1)(a) van die voorwaarden (aangehaald onder 2.6. hierboven), juist. Dat de HR niet dwingendrechtelijk van toepassing zijn op vervoer als het onderhavige, dat niet als cognossementsvervoer kwalificeert, staat er -anders dan ASR lijkt te menen- niet aan in de weg dat partijen kunnen overeenkomen dat het vervoer aan de HR zal zijn onderworpen, zoals zij -in het hier bedoelde geval- in de tweede volzin van art. 3(1)(a) van de vervoerscondities hebben gedaan.

6.8.5. Aan deze keuze voor toepassing van de HR doet niet af dat het vervoer in de eerste volzin van voornoemde bepaling ook wordt onderworpen aan de CMI Uniform Rules for Sea Waybills, die op hun beurt de HVR van toepassing verklaren. Een redelijke uitleg van art. 3(1)(a) van de vervoerscondities brengt immers mee dat de daarin duidelijk neergelegde keuze voor de HR moet prevaleren boven de indirecte en versluierde -want in de verwijzing naar een ander geschrift besloten liggende- keuze voor de HVR. Omstandigheden die tot een andere uitleg aanleiding geven zijn niet gesteld of gebleken. Dat art. 4 (iii) van de CMI Uniform Rules for Sea Waybills bepaalt dat bedoelde Rules prevaleren boven de ‘carrier’s terms and conditions’ leidt niet tot een ander oordeel, omdat ook deze bepaling -waarvan is gesteld noch gebleken dat partijen zich daarvan concreet rekenschap hebben gegeven- onvoldoende kenbaar was om op te wegen tegen de duidelijke tekst van de tweede volzin van art. 3(1)(a) van de vervoerscondities.

6.8.6. Nu Seatrade in dit geval als vervoerder is aan te merken en de HR ingevolge de vervoerscondities van toepassing zijn, kan zij zich ter beperking van haar -op zichzelf niet (voldoende concreet) betwiste- aansprakelijkheid beroepen op de in de HR neergelegde limiet, waarvan niet in geschil is dat deze € 1.134,73 beloopt.

De stelling van ASR dat aan Seatrade geen beroep op beperking van aansprakelijkheid toekomt zolang de zeevervoerder geen (gedocumenteerde) opheldering geeft over het aan dek vervoeren van de lading en de wijze waarop de schade heeft kunnen ontstaan, is onvoldoende gemotiveerd om aan een beroep op de beperking in de weg te staan. Andere stellingen ter doorbreking van de limiet zijn niet ingenomen.

6.9. Indien Seatrade niet slaagt in het leveren van het in ro. 6.7.3 bedoelde bewijs, dan zijn -nog immer in het in ro. 6.7 bedoelde geval- de vervoerscondities niet van toepassing op de vervoerovereenkomst.

6.9.1. In dat geval wordt de aansprakelijkheid van Seatrade beheerst door de bepalingen van titel 5 van boek 8 BW, voor zover deze niet uitsluitend betrekking hebben op vervoer onder cognossement of een soortgelijk document in de zin van art. 8:377 BW. Seatrade heeft niet voldaan aan haar in art. 8:378 BW opgenomen verplichting om de ten vervoer ontvangen zaken ter bestemming af te leveren in de staat waarin zij deze heeft ontvangen. Voor de schade die hiervan het gevolg is, is Seatrade -nu geen overmacht is gesteld of gebleken en haar (eventuele) beroep op onvoldoende verpakking is gepasseerd- aansprakelijk.

6.9.2. Aan het door Seatrade -meer subsidiair- gedane beroep op de Fenexcondities wordt voorbij gegaan omdat geen stellingen zijn ingenomen die de conclusie kunnen dragen dat de Fenexcondities van toepassing zijn.

6.9.3. Het verder subsidiair gedane beroep van Seatrade op de beperking van aansprakelijkheid tot 2 SDR per kg op grond van art. 8:388 BW, derhalve tot SDR 51.670, , treft doel.

De stelling van ASR dat aan Seatrade geen beroep op beperking van aansprakelijkheid toekomt zolang de zeevervoerder geen (gedocumenteerde) opheldering geeft over het aan dek vervoeren van de lading en de wijze waarop de schade heeft kunnen ontstaan, is onvoldoende gemotiveerd om aan een beroep op de beperking in de weg te staan. Andere stellingen ter doorbreking van de limiet zijn niet ingenomen.

De contractuele vordering tegen Spring Tiger

6.10. Spring Tiger betwist niet dat ASR actief is gelegitimeerd om haar vordering op contractuele grondslag tegen de vervoerder in te stellen, zodat van de vorderingsgerechtigdheid van ASR kan worden uitgegaan.

6.11. ASR stelt dat Spring Tiger uit hoofde van de vervoerscondities als vervoerder heeft te gelden, indien niet Seatrade als vervoerder is aan te merken.

Spring Tiger conformeert zich blijkens haar stellingen aan de uitkomst van de bewijslevering in de procedure tussen ASR en Seatrade, als bedoeld in ro. 6.7.3.

6.12. Ingeval komt vast te staan dat tussen Seatrade en IFC de toepasselijkheid van de vervoerscondities is overeengekomen, acht Spring Tiger zich uit hoofde van art. 18 daarvan, aangehaald onder 2.6. hierboven, als vervoerder gebonden onder de vervoerovereenkomst. In dat geval zijn op grond van de tweede volzin van art. (3)(1)(a) van de vervoerscondities de HR van toepassing. Spring Tiger betwist niet dat zij in het hier bedoelde geval als vervoerder aansprakelijk is voor de schade, maar beroept zich op de beperking van haar aansprakelijkheid tot primair € 1.134,73 op grond van Rule 4 lid 5 HR. De stelling van ASR dat aan Spring Tiger geen beroep op beperking van aansprakelijkheid toekomt zolang de zeevervoerder geen (gedocumenteerde) opheldering geeft over het aan dek vervoeren van de lading en de wijze waarop de schade heeft kunnen ontstaan, is onvoldoende gemotiveerd om aan een beroep op de beperking in de weg te staan. Andere stellingen ter doorbreking van de limiet zijn niet ingenomen. Daarom is in het hier bedoelde geval de aansprakelijkheid van Spring Tiger uit hoofde van de vervoerovereenkomst beperkt tot € 1.134,73.

6.13. Ingeval niet komt vast te staan dat tussen Seatrade en IFC de toepasselijkheid van de vervoerscondities is overeengekomen, moet de contractuele vordering van ASR tegen Spring Tiger worden afgewezen.

De vorderingen uit onrechtmatige daad

6.14. ASR stelt dat Seatrade en Spring Tiger aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad omdat zij jegens [bedrijf 1], IFC, CCS en CWM onrechtmatig hebben gehandeld.

ASR vordert ook op deze grondslag vergoeding van het bedrag van € 86.998,92, waarvan -mede gelet op de aan de dagvaarding gehechte akte van cessie- vast staat dat zij € 75.000,-- (de schade aan de machines) heeft uitgekeerd aan CWM en € 11.998,92 (de kosten van retourtransport) aan IFC. Bij gebrek aan stellingen die leiden tot een ander oordeel gaat de rechtbank ervan uit dat de schade waarvan ASR vergoeding vordert is geleden door CWM (tot € 75.000,--) en IFC (tot € 11.998,92), zodat alleen de van hun positie afgeleide vordering beoordeling behoeft. Of jegens [bedrijf 1] of CCS onrechtmatig is gehandeld en of daaruit schade is voortgevloeid kan in het midden blijven.

6.15. De verdere beoordeling van de vordering op deze grondslag en de daartegen gerichte verweren wordt tot een later stadium aangehouden.

Ter verdere inkadering van het geschil overweegt de rechtbank in verband met het beroep op art. 8:361 e.v. BW reeds nu als volgt.

6.15.1. Spring Tiger heeft bij comparitie verklaard en vervolgens bij dupliek gesteld dat IFC bij het sluiten van de vervoerovereenkomst niet voor zichzelf (als afzender) maar ‘as agent’ voor afzender [bedrijf 1] is opgetreden. ASR heeft dit betwist.

Voor het antwoord op de vraag of IFC jegens Seatrade bij het sluiten van de vervoerovereenkomst heeft gehandeld in eigen naam of namens [bedrijf 1] (in welk geval [bedrijf 1] als wederpartij van Seatrade geldt), is bepalend hetgeen Seatrade en IFC daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (vgl. HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521 (Kribbebijter)). Gelet op dit criterium weegt zwaar dat zowel Seatrade als ASR (als rechtsopvolger van IFC) het standpunt innemen dat IFC in eigen naam is opgetreden. Ook de in ro. 6.6 bedoelde stukken wijzen er niet op dat IFC anders dan in eigen naam is opgetreden, behoudens wellicht de instructie van IFC aan Seatrade om in de sea waybill haarzelf als ‘shipper’ te vermelden met de toevoeging “as agents only”. Afgezet tegenover de andere stukken en voornoemde standpunten van ASR en Seatrade weegt deze instructie echter onvoldoende zwaar om aan te nemen dat IFC de overeenkomst namens [bedrijf 1] heeft gesloten.

Anders dan Spring Tiger verstaat de rechtbank de -in een hoofdbeweging besloten- bevestiging van [persoon 1], directeur van Seatrade, ter comparitie “dat IFC altijd ‘as agents’ bij Seatrade Rotterdam boekte” niet als een standpunt over de juridische hoedanigheid van IFC (temeer nu het standpunt van Seatrade op dit punt na de comparitie ongewijzigd is gebleven) maar als een mededeling over de gangbare wijze van invullen van de sea waybills. Alles afwegende kan niet worden aangenomen dat IFC anders dan in eigen naam heeft gecontracteerd.

6.15.2. Spring Tiger heeft voorts bij dupliek verwezen naar de mededeling in de dagvaarding dat [bedrijf 1] aan IFC opdracht heeft gegeven om te doen vervoeren, en stelt dat deze mededeling moet worden beschouwd als een verklaring bedoeld in art. 8:63 lid 2 BW. Spring Tiger miskent dat haar uitleg van bedoelde mededeling niet strookt met de overige inhoud van de dagvaarding -waarin geen contractuele positie van [bedrijf 1] wordt gepretendeerd- maar bovendien dat ASR de bij dupliek ingeroepen mededeling reeds bij repliek had verlaten, zoals haar nog vrijstond. Op deze gronden wordt het standpunt verworpen dat [bedrijf 1] krachtens art. 8:63 BW de afzenderspositie heeft overgenomen.

6.15.3. Te zijner tijd zal in verband met het beroep op art. 8:361 e.v. BW aan de orde kunnen komen of CWM geldt als tot de vervoerovereenkomst toegetreden geadresseerde, zoals Seatrade en Spring Tiger stellen, of slechts als uiteindelijke ontvanger, zoals ASR stelt.

Tot slot

6.16. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

7. De beslissing

De rechtbank

draagt Seatrade op het tegenbewijs van de voorshands aangetoond geachte stelling van ASR dat Seatrade de vervoerovereenkomst in eigen naam is aangegaan;

draagt Seatrade op het bewijs dat IFC voorafgaand aan het onderhavige transport reeds vele malen sea waybills met daarop afgedrukt de vervoerscondities van Seatrade heeft ontvangen;

bepaalt dat indien Seatrade (tegen)bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan;

bepaalt dat de advocaat van Seatrade binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden januari tot en met maart 2011 en dat de advocaat van ASR binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik, mr. W.P. Sprenger en mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2010.?

901/1885/1928/10