Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2344

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
351768 / HA ZA 10-1121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opeisbaarheid van zakelijke lening en zorgplicht bank bij opzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 351768 / HA ZA 10-1121

Vonnis van 7 september 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.R. Markus.

Partijen zullen hierna ING en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 11 maart 2010 en de door ING in het geding gebrachte producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 1 september 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief van mr. J. Atema d.d. 12 november 2010, met productie;

- het proces-verbaal van de op 23 november 2010 gehouden comparitie van partijen;

- de brief van mr. Van Loon d.d. 20 december 2010 en de brief van mr. Markus d.d. 20 december 2010;

- de akte overlegging producties van ING;

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet gemotiveerd betwist staat het volgende vast.

2.1. Vanaf 17 oktober 2000 dreef [gedaagde] een eenmanszaak die zich richt op handel in (graaf)machines en gereedschappen.

2.2. [gedaagde] voerde zijn werkzaamheden uit vanaf het aan hem in eigendom toebehorende bedrijfsterrein aan [adres] te [plaats] (hierna: het bedrijfsterrein).

2.3. ING heeft op 30 mei 2007 een kredietfaciliteit van € 435.000,-- aan [gedaagde] verstrekt. Deze kredietfaciliteit is op 27 december 2007 verhoogd tot € 500.000,-- en is vervolgens op 29 april 2008 verhoogd tot € 575.000,--. De kredietfaciliteit is opgebouwd uit een lening en een rekening courant rekening. De overeenkomsten waarin partijen het voorgaande zijn overeengekomen zullen hierna worden aangeduid als de kredietovereenkomsten.

2.4. Op de kredietovereenkomsten zijn de Algemene Bepalingen van Kredietverlening van ING en de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing.

2.5. De Algemene Bepalingen van Kredietverlening (hierna: de algemene voorwaarden) vermelden, voor zover relevant, als volgt:

“Artikel 11. Vervroegde opeisbaarheid

11.1 De Kredietfaciliteit eindigt automatisch en alle bedragen die uit hoofde van de Overeenkomst zijn verschuldigd, zijn terstond en ineens opeisbaar zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, indien één van de volgende gebeurtenissen zich voordoet:

a. de Kredietnemer komt een aflossings-, rente- of andere verplichting uit hoofde van de Overeenkomst, of enige andere met de Bank gesloten overeenkomst niet, niet tijdig of niet behoorlijk na;

(…)

f. de Kredietnemer beëindigt zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten of wijzigt zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten aanmerkelijk of de Kredietnemer verhuurt alle of een belangrijk deel van zijn activa of de Kredietnemer fuseert of besluit te fuseren dan wel splitst of besluit te splitsen of de Kredietnemer wordt overgenomen door een derde;

(…)

k. een verklaring of opgave van of namens de Kredietnemer is in strijd met de waarheid, een voor de Bank van belang zijnde omstandigheid is verzwegen, een aan de Bank verstrekte zekerheid is nietig, is vernietigbaar of is niet van de vereiste rang, dan wel een toegezegde zekerheid wordt niet tijdig verstrekt of vervalt voortijdig;

(…)

l. de juridische of economische gerechtigdheid tot een verstrekte zekerheid ondergaat wijziging of enig zakelijk recht betreffende de verstrekte zekerheid ontstaat of gaat teniet; alle of een gedeelte van de goederen die ten behoeve van de Bank zijn ondergezet, gaan verloren, worden vernietigd of beschadigd, gaan teniet of vervallen;

(…)

o. naar het oordeel van de Bank bestaat er gegronde vrees voor onverhaalbaarheid van het door de Kredietnemer uit hoofde van de Overeenkomst en/of van enige andere met de Bank gesloten overeenkomst verschuldigde;”

2.6. [gedaagde] heeft op 2 augustus 2007 ten gunste van ING een hypotheekrecht gevestigd voor een bedrag van € 609.000,-- op het bedrijfsterrein tot zekerheid van terugbetaling van de krediet¬faciliteit. Op 9 mei 2008 heeft [gedaagde] in verband met de verhoging van de krediet¬faciliteit een tweede hypotheekrecht op het bedrijfsterrein voor een bedrag van € 175.000,-- gevestigd.

2.7. In 2008 en 2009 zijn betalingsachterstanden ontstaan bij de nakoming van de krediet¬overeenkomsten.

2.8. Begin 2009 heeft [gedaagde] met Bureau Deltawerk B.V. (hierna: Deltawerk) een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop van het bedrijfsterrein voor € 500.000,-. Begin 2009 heeft Deltawerk € 250.000,-- betaald op een bankrekening van [gedaagde] bij de Rabobank.

2.9. Op 14 september 2009 is [gedaagde] gearresteerd.

2.10. [persoon 1] van ING (hierna: [persoon 1]) heeft bij brief van 14 oktober 2009 [gedaagde] verzocht contact met hem (of met [persoon 2], hierna: [persoon 2]) op te nemen in verband met de “overschrijding kredietlimiet en uitblijven rekeningomzet”.

2.11. [persoon 2] van ING heeft, naar aanleiding van de onder 2.10 genoemde brief, tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [gedaagde] op te nemen. Op 30 oktober 2009 heeft hij van een buurman van [gedaagde] vernomen dat [gedaagde] in voorlopige hechtenis zat.

2.12. Na 10 weken eindigde de voorlopige hechtenis van [gedaagde].

2.13. Bij brief van 16 november 2009 heeft [de notaris] (een door [gedaagde] ingeschakelde notaris, hierna de notaris) zich tot ING gericht. Hij gaf aan dat [gedaagde] een potentiële koper (Deltahuis) voor het bedrijfsterrein had gevonden en verzocht ING een aflossingsoverzicht op te stellen waarna de hypothecaire inschrijvingen konden worden doorgehaald.

2.14. ING heeft op 18 november 2009 aan de notaris een indicatieve aflossingsnota per 1 december 2009 gezonden, waarin zij aangaf in te stemmen met het royement van de hypothecaire inschrijvingen tegen betaling van € 621.170,34.

2.15. Op enig moment na het verzenden van de onder 2.14 genoemde brief, heeft ING vernomen dat [gedaagde] het bedrijfsterrein reeds begin 2009 had verkocht aan Deltahuis voor € 500.000,--.

2.16. ING heeft op 17 december 2009 [gedaagde] een brief gezonden met de mededeling dat zijn kredietdossier is overgedragen aan de afdeling “CRM/IB/Credit Recovery”.

2.17. Op 22 december 2009 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) en [persoon 2] van ING en [gedaagde].

2.18. Bij brief van 23 december 2009 aan [gedaagde] heeft ING de kredietfaciliteit opgezegd, vermeld dat de kredietfaciliteit per direct opeisbaar wordt en [gedaagde] verzocht vóór 1 februari 2010 de vordering te voldoen. ING gaf in die brief voorts aan niet akkoord te gaan met de koopsom van € 500.000,--, zolang niet helder was hoe haar totale vordering zal worden voldaan. Tevens bevestigde ING in de brief dat [gedaagde] had toegezegd hierover in overleg te treden met Deltahuis en dat hij ING begin januari 2010 nader zou informeren.

2.19. Vervolgens heeft de notaris bij brief van 29 december 2009 ING verzocht om aan de overdracht van het bedrijfsterrein mee te werken.

2.20. Bij brief van 15 januari 2010 heeft ING aan [gedaagde] meegedeeld niet aan de verkoop van het bedrijfsterrein aan Deltahuis voor een bedrag van € 500.000,00 mee te werken en heeft zij [gedaagde] gesommeerd om het bedrag van € 640.587,62 vóór 1 februari 2010 aan haar te voldoen.

2.21. Op 26 januari 2010 hebben [persoon 4] van Deltahuis (hierna: [persoon 4]), [persoon 2] en [persoon 3] van ING en [gedaagde] een gesprek gehad. Dit gesprek, alsmede het gesprek op 22 december 2009, is bevestigd bij brief van 28 januari 2010. In deze brief zijn tevens de kredietovereenkomsten per direct opgeëist.

2.22. ING heeft op 28 en 29 januari 2010 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd.

2.23. In februari 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [persoon 3] en [persoon 2] van ING, [gedaagde] en [persoon 4] van Deltahuis.

2.24. Sinds 23 december 2009, het moment dat ING de rekeningen heeft geblokkeerd, heeft [gedaagde] geen betalingen meer aan ING verricht.

3. Het geschil

3.1. ING vordert - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan ING te betalen € 640.587,62 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2010, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding, alsmede de beslagkosten. ING legt aan haar vordering ten grondslag dat de verstrekte kredieten op grond van artikel 11 van de hiervoor genoemde algemene voor¬waarden vervroegd opeisbaar zijn.

3.2. Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering van ING, met veroordeling van ING in de kosten van het geding. Hij betwist, kort gezegd, dat de kredietover¬eenkomsten vervroegd opeisbaar zijn, terwijl hij daarnaast aanvoert dat de opzegging in strijd is met de zorgvuldigheid die ING in het maatschappelijk verkeer in acht moet nemen. [gedaagde] betwist verder, bij gebrek aan wetenschap, de hoogte en verschuldigdheid van de vordering.

4. De beoordeling

4.1. Op grond van artikel 11.1 van de algemene voorwaarden zijn de bedragen uit hoofde van de kredietovereenkomsten terstond en ineens opeisbaar, zonder dat enige ingebreke¬stelling is vereist, indien één van de gebeurtenissen als omschreven in sub a tot en met q zich voordoet. ING heeft het krediet bij brief d.d. 23 december 2009 opgeëist tegen 1 februari 2010.

4.2. Met ING is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval voldaan is aan de opzeggingseis als vervat in artikel 11 onder o van de algemene voorwaarden. In 2008 en 2009 is de bedrijfsvoering van [gedaagde] zeer sterk teruggelopen en er liep eind 2009 geen omzet meer over de bankrekening van [gedaagde] bij ING. Eind 2009 was [gedaagde] vervolgens enige tijd niet bereikbaar voor ING, naar later bleek als gevolg van zijn voorlopige hechtenis. Toen een medewerker van ING daarom een bezoek bracht aan het bedrijf van [gedaagde] bleek er slechts één machine op voorraad te zijn, terwijl er volgens de administratie van ING negen machines zouden moeten zijn. [gedaagde] had het maximum van het krediet overschreden en hij had dus geen kredietruimte meer bij ING om nieuwe voor¬raden aan te schaffen. Het (verhypothekeerde) bedrijfsterrein had [gedaagde] verkocht en de helft van de koopsom was betaald op een bankrekening bij een andere bank. Naar [gedaagde] op de comparitie heeft beves¬tigd, was het betaalde bedrag inmiddels opgegaan aan andere schulden en kosten.

4.3. Al met al had ING dus te maken met een klant die een schuld aan haar had van circa € 600.000,00 (geen rekening houdend met de kosten van vervroegde aflossing) waarvan de bedrijfsactiviteiten zeer gering waren geworden, die nauwelijks voorraad had en geen ruimte meer had in het krediet bij ING voor de aanschaf van nieuwe voorraden. [gedaagde] had geen kenbare omzet en de zekerheden waren beperkt tot één machine en een hypotheekrecht op een bedrijfsterrein waarvan de vrije verkoopwaarde een jaar eerder was getaxeerd op € 556.250,00 en de executiewaarde op € 406.700,00. Dat de koper van het onroerend goed bereid was om nogmaals € 250.000,00 te betalen - zoals [gedaagde] stelt - is nergens uit gebleken, terwijl ING bovendien onbetwist stelt dat tijdens besprekingen tussen haar en de koper niet was gebleken dat deze hiertoe bereid was. Kortom, ING kon en kan redelijker¬wijs vrees hebben voor de verhaalbaarheid van haar vordering voor het gedeelte van haar vordering dat de executiewaarde van het onroerend goed te boven ging.

4.4. Anders dan [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat de opzegging niet in strijd is met de zorgvuldigheid die ING in acht moet nemen. [gedaagde] wist in ieder geval sinds de ontvangst van de brief d.d. 23 december 2009 dat ING de relatie wilde beëindigen en dat hij op korte termijn tot aflossing zou moeten overgaan. Naar ING onbetwist stelt was de afspraak dat [gedaagde] contact op zou nemen met Deltahuis voor nader overleg en dat hij ING begin januari 2009 zou informeren, wat niet is gebeurd. Verder weegt zwaar mee dat [gedaagde] ING niet eerder dan eind 2009 had gemeld dat hij het bedrijfsterrein had verkocht en hij de helft van de koopsom inmiddels op een bankrekening bij een andere bank had ontvangen. Weliswaar staat dit niet aan een executie door ING in de weg - het hypotheekrecht blijft van kracht - maar ING mag dit wel meewegen in het kader van de vraag hoeveel ruimte zij een klant nog wil geven. Dat [gedaagde] een eenmanszaak is, maakt dit niet anders. Het betreft hier een zakelijk krediet en [gedaagde] kan ING moeilijk verwijten dat zij onder de gegeven omstandigheden niet door te willen gaan met de financiering van een bedrijf dat feitelijk zo goed als tot stilstand was gekomen. Gesteld noch gebleken is boven¬dien dat [gedaagde] in een materieel betere positie had verkeerd, indien ING hem nog enkele maanden extra had gegeven.

Het betoog van [gedaagde] dat ING had moeten meewerken aan de overdracht aan Deltahuis omdat het een verkoop voor een reële prijs vormde en dat zijn schuldenlast in dat geval aanzienlijk had kunnen dalen, slaagt evenmin. Immers, Deltahuis had de helft van de koopsom al betaald. Redelijkerwijs kon ING dus verwachten dat Deltahuis niet bereid zou zijn om alsnog € 500.000,00 te betalen. Dat zou alleen anders zijn indien Deltahuis haar bereidheid hiertoe klip en klaar duidelijk had gemaakt tegenover ING, maar, zoals hiervoor overwogen, deze situatie doet zich niet voor. Of de koopprijs die Deltahuis wilde betalen, reëel was, is dus niet relevant.

4.5. Volledigheidshalve wordt nog als volgt overwogen. Bij antwoordakte na comparitie heeft [gedaagde] gesteld dat ING ten tijde van de opzegging niet wist dat de helft van de koopsom al was betaald en heeft hij betoogd dat dit niet meegewogen kan zijn door ING bij de opzegging. Dit betoog slaagt niet, alleen al omdat [gedaagde] op de comparitie heeft verklaard dat gedurende zijn detentie - eind 2009 - [persoon 4] aan ING heeft gezegd dat de helft van de koopprijs was betaald.

4.6. De slotsom is dat [gedaagde] gehouden is tot betaling van het openstaande saldo van de kredietfaciliteiten. Nadat [gedaagde] de door ING gestelde hoogte hiervan had betwist, heeft ING een onderbouwing van het door haar gevorderde bedrag in het geding gebracht. [gedaagde] heeft hierop vervolgens, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, niet (voldoende gemotiveerd) gereageerd. [gedaagde] heeft hiermee dit verweer onvoldoende onderbouwd.

4.7. Nu de verweren van [gedaagde] niet slagen, zal de vordering van ING van € 640.587,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 februari 2010, proces- en beslagkosten, worden toegewezen. [gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten aan de zijde van ING worden tot aan deze uitspraak begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- beslagkosten € 653,03

- advocaat salaris € 6.450,-- (2,5 ? tarief € 2.580,--)

- vast recht € 4.951,--

totaal € 12.141,96.

5. De beslissing

De rechtbank

? veroordeelt [gedaagde] om aan ING te betalen een bedrag van € 640.587,62 (zeshonderdveertig duizendvijfhonderdzevenentachtig euro en tweeënzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW vanaf 2 februari 2010 tot de dag van volledige betaling;

? veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van ING tot aan deze uitspraak begroot op € 12.141,96;

? verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.

?2057/1876