Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2055

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
10/711111-10 en 10/700238-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen overdragen van vuurwapen bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/711111-10 en 10/700238-11

Datum uitspraak: 18 augustus 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te Rotterdam,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting in de zaak met parketnummer 10/711111-10 heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011 en 4 augustus 2011. Het onderzoek op de terechtzitting in de zaak met parketnummer 10/700238-11 heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Begheyn-Tiebosch heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder parketnummer 711111-10 primair ten laste gelegde en het onder parketnummer 10/700238-11 tenlastegelegde ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen en het medeplegen van het overdragen van een vuurwapen;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het op de dagvaarding met het parketnummer 10/711111-10 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 3 oktober 2010 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- een of meer stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt en of

- met een mes in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het op de dagvaarding met het parketnummer 10/700238-11 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 25 februari 2011 tot en met 22 april 2011 te Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

wapens als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder sub 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad en een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet, heeft overgedragen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 10/711111-10

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank volgt de raadsman daarin niet.

Voor beantwoording van de vraag of bij de verdachte voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg heeft bestaan, dient te worden bezien of de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Van deze aanmerkelijke kans moet de verdachte wetenschap hebben gehad en hij moet die aanmerkelijke kans hebben aanvaard.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een vleesmes waarvan het lemmet ongeveer 21 centimeter lang was, een stekende beweging heeft gemaakt om de hoek van een deur, ter hoogte van het bovenbeen van het slachtoffer, dat vlak achter die deur stond. Die gedraging leverde naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op dat zich ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel zou voordoen. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting aanvankelijk verklaard dat hij het slachtoffer enkel wilde laten schrikken en hem per ongeluk in zijn been heeft gestoken, maar hij heeft vervolgens verklaard dat hij een stekende beweging maakte met zijn arm om de deur heen, terwijl hij wist dat het slachtoffer vlak achter de deur stond, en dat hij had kunnen weten dat hij het slachtoffer zou raken. Hier leidt de rechtbank uit af dat de verdachte wist dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond en hij die ook heeft aanvaard.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 10/711111-10

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen ten aanzien waarvan D. van Vuuren heeft verklaard dat hij dit van de verdachte in bewaring had gekregen en dat hij, Van Vuuren, vervolgens (zonder toestemming van verdachte) heeft verkocht.

De rechtbank acht tevens bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het overdragen van het bij [medeverdachte] aangetroffen vuurwapen (van het merk Colt). Anders dan de raadsman van de verdachte ziet de rechtbank de verdachte niet slechts als een medeplichtige. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de verkoop van de Colt en daaraan een significante bijdrage heeft geleverd. Hij heeft niet slechts de koper en verkoper bij elkaar gebracht, maar nam persoonlijk een mogelijk geschikt wapen voor [medeverdachte] in ontvangst en gaf dat weer terug en was ook aanwezig bij de uiteindelijke overdracht van de Colt. Dat de verdachte actief op zoek ging naar een vuurwapen voor [medeverdachte] blijkt ook uit de omstandigheid dat de verdachte in de Akkers, zijnde de buurt waar [medeverdachte] de Colt heeft gekocht, was toen hij Van Vuuren belde met de mededeling dat hij nu wel een geschikt wapen had gevonden voor [medeverdachte]. Hij vertelde daarbij dat hij daar een paar wapens had liggen waar zeker een goed vuurwapen tussen zat. Uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de verkoper.

Ten aanzien van het dubbelloops wapen in verband waarmee de verdachte heeft verklaard dat hij naar het huis van de potentiële verkoper is gegaan om daar een foto van het wapen te maken, overweegt de rechtbank dat naar verkeersopvattingen de macht van de verdachte over dat wapen niet van dien aard is geweest dat daaruit een voorhanden hebben kan worden afgeleid. Overeenkomstig het standpunt van de verdediging en het (impliciete) standpunt van de officier van justitie acht de rechtbank het tenlastegelegde dan ook niet bewezen ten aanzien van dit wapen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

parketnummer 10/711111-10

poging tot zware mishandeling;

parketnummer 10/700238-11

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn broer met een mes in zijn bovenbeen gestoken. Dit is een ernstig feit dat plaatsvond in de huiselijke sfeer naar aanleiding van een ruzie met het slachtoffer. Naast het fysieke ongemak voor het slachtoffer, moet het gebeurde voor het slachtoffer een schokkende ervaring zijn geweest.

Daarnaast is de verdachte betrokken geweest bij het aanwezig hebben van - en handelen in - vuurwapens. Gelet op de gevaarzetting die van vuurwapens uitgaat, dient tegen het bezit daarvan en de handel daarin streng te worden opgetreden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 juli 2011 reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Dat de verdachte al langere tijd in onmin leefde met zijn broer en hij – naar zijn zeggen – geregeld door zijn broer werd mishandeld, is een omstandigheid waarmee de rechtbank in enige mate rekening houdt bij het bepalen van de strafmaat. De rechtbank rekent het verdachte echter aan dat hij het recht in eigen hand heeft genomen en dat hij zo disproportioneel heeft gereageerd.

De rechtbank heeft kennis genomen van het pro justitia psychologisch rapport, opgemaakt door prof. dr. F. Koenraadt d.d. 27 april 2011 met betrekking tot de verdachte. Hierin wordt geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis c.q. gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. De poging zware mishandeling kan de verdachte in enigszins verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank heeft dit bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf in aanmerking genomen. Teneinde de kans op herhaling terug te dringen, wordt in voornoemd psychologisch rapport geadviseerd betrokkene in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel een begeleiding door de reclassering op te leggen. Daarnaast wordt het aangewezen geacht dat een behandeling wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld bij de instellingen voor ambulante forensische psychotherapie.

Ook in het ten aanzien van de verdachte door Stichting Reclassering Nederland opgestelde reclasseringsadvies d.d. 30 december 2010, wordt - gezien de directe samenhang van de persoonlijkheidsstoornis en agressie problematiek met het criminele gedrag van de verdachte - geadviseerd hem te verplichten zich te laten behandelen bij de forensische polikliniek het Dok of een soortgelijke instelling.

De rechtbank zal dit laatst genoemde advies niet volgen. De verdachte heeft in het kader van de bij de schorsing van zijn preventieve hechtenis in de zaak met parketnummer 10/711111-10 opgelegde bijzondere voorwaarden onder toezicht gestaan van Stichting Reclassering Nederland. Blijkens de brief van deze instelling d.d. 15 juni 2011 heeft de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden gehouden. Van de tien keren dat de verdachte werd opgeroepen in het kader van de meldplicht is hij zes keer niet verschenen, waarvan meerdere keren zonder berichtgeving. Daarnaast heeft de verdachte niet voldaan aan de voorwaarden opgelegd bij eerdere voorwaardelijke straffen. Ter terechtzitting heeft de verdachte geen - afdoende - verklaring gegeven voor het niet voldoen aan die voorwaarden, hetgeen de rechtbank geen vertrouwen geeft dat de verdachte, indien hem in de onderhavige zaak een voorwaardelijk strafdeel zou worden opgelegd, nu wel aan de voorwaarden zal voldoen. De verdachte heeft bovendien aangegeven dat, zodra hij werk heeft, hij mogelijk niet naar de afspraken met de reclassering kan gaan.

Om bovengenoemde redenen acht de rechtbank het niet opportuun de verdachte opnieuw een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Zij zal dan ook tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf komen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 10/711111-10 primair tenlastegelegde en de in de zaak met het parketnummer 10/700238-11 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 11 (elf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Wijnholt en Volker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hofman-de l’Isle, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2011.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 18 augustus 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

(parketnummer 10/711111-10)

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Spijkenisse ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

-een of meer stekende bewegingen in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt en/of

-met een mes in het been van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geprikt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 302 jo 45 Wetboek van Strafrecht);

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Spijkenisse opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]) met een mes in zijn been heeft gestoken en/of geprikt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht);

en dat

(parketnummer 10/700238-11)

Hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2011 tot en met 22 april 2011 te Spijkenisse, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een of meer wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder sub 1 van de Wet Wapens en Munitie,

te weten een of meer vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder sub 3 van die wet in de vorm van een pisto(o)l(en),

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

(Artikel 26/31 jo 55 Wet Wapens en Munitie)