Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT2000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
10/997510-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 13 Flora- en faunawet: (handels)activiteiten met betrekking tot in- en uitheemse beschermde roofvogels, zonder dat daartoe vrijstelling was verleend krachtens de Flora- en faunawet én feitelijk leiding geven aan de verboden gedraging. Ontvankelijkheidsverweer openbaar ministerie verworpen. Hoewel het onderzoek achteraf bezien minder strafrechtelijk relevante resultaten heeft opgeleverd, rechtvaardigde de destijds beschikbare informatie het onderzoek tegen de verdachte. Opzetverweer verworpen. In economisch strafrecht wordt geen boos opzet vereist, het opzet is kleurloos.

Avas-verweer verworpen. De verdachte diende alle inkomende vogels op certificaat en ringnummer te controleren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/997510-07

Datum uitspraak: 20 september 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres],

raadsman mr. P.W.H. Stassen, advocaat te Eindhoven.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1, 5 en 6 september 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. De Rijck, heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van honderdtachtig uren, bij niet voldoening te vervangen door negentig dagen hechtenis;

- onttrekking aan het verkeer van de onder de verdachte in beslag genomen vogels, als vermeld onder 1, 3, 5, 7 en 9 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging. De raadsman heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De verdachte heeft een grote bijdrage willen leveren aan de controle op de handel van roofvogels en is steeds bereid geweest om zijn bedrijfsvoering te optimaliseren en om conform de zeer complexe regelgeving te handelen. De verdachte heeft in deze zaak bovendien altijd een open houding naar politie en justitie gehad. Het resultaat daarvan is een onderzoek met ongeveer twintigduizend tapgesprekken, waarvan maar een zeer gering aantal in het dossier is gekomen. Reeds in het prille stadium van het onderzoek had al uit deze tapgesprekken geconcludeerd moeten worden dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld met betrekking tot enig strafbaar feit. Zonder verdenking met enige substantie is dit vergaand en voortgezet onderzoek niet legitiem geweest.

Dit verweer wordt verworpen.

In maart 2007 werd, naar aanleiding van een vijftal processen-verbaal van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, het strafrechtelijk onderzoek Yushan tegen onder meer de verdachte gestart. In het kader van dit onderzoek heeft de officier van justitie bevolen om de in het kader van het bedrijf van de verdachte, de medeverdachte rechtspersoon [rechtspersoon], gevoerde telecommunicatie op te nemen en af te luisteren. Op basis van de resultaten van dit onderzoek werd de verdachte op 11 februari 2008 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 14 februari 2008 oordeelde de rechter-commissaris dat er ten aanzien van de verdachte sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan de strafbare feiten zoals omschreven in het bevel tot inverzekeringstelling, te weten overtreding van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Flora- en faunawet en artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht en dat de inverzekeringstelling van de verdachte niet onrechtmatig was. De informatie zoals die destijds beschikbaar was, rechtvaardigde het onderzoek tegen de verdachte. Dat het onderzoek achteraf bezien andere of minder strafrechtelijk relevante resultaten heeft opgeleverd dan het zich aanvankelijk liet aanzien brengt in het licht van het vorenstaande niet met zich mee dat de officier van justitie in de vervolging van die minder ernstige of dat minder omvangrijke samenstel van feiten niet ontvangen kan worden.

De raadsman van de verdachte heeft voorts gesteld dat er ten aanzien van slechtvalk 10 wel een certificaat bestaat dat vrijstelling verleend en dat het Openbaar Ministerie op dit punt geen enkel onderzoek heeft gedaan zodat het Openbaar ministerie op dit punt niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

Dit verweer wordt verworpen.

De stelling van de raadsman stoelt op de aanname dat er voor deze slechtvalk een ontheffingscertificaat is afgegeven. Het lag niet op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar deze niet met feiten onderbouwde stelling.

De officier van justitie is ontvankelijk.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij,

in de periode van 1 april 2002 tot

en met 19 juli 2007 te [pleegplaats], al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk,

dieren, behorende tot een beschermde

inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4, eerste lid,

onderdeel b, van de Flora- en faunawet en opgenomen in bijlage 2 van de

Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten,

te weten:

11) - een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 001) en

12) - een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 002)

heeft gekocht en/of verworven en/of heeft vervoerd en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder

zich heeft gehad;

en [vennootschap],

in de periode van 1 april 2002 tot

en met 19 juli 2007 te [pleegplaats],

al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk,

een product en dieren, behorende tot een beschermde

inheemse diersoort,als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4, eerste lid,

onderdeel b, van de Flora- en faunawet en opgenomen in bijlage 2 van de

Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten,

te weten:

1) - een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer 030) en/of

2) - een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer 035) en/of

3) - een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HEM-00-02) en/of

4) - een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HFF-00-01) en/of

5) - een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HFF-00-03) en/of

6) - een zwarte wouw (Milvus migrans) (met ring nummer FOA-MM-00-01) en/of

7) - een oehoe (Bubo bubo) (met ring nummer 8 CT 97 Z) en/of

8) - een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CAN GOVT CWO 10905) en/of

9) - een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CAN GOVT CWO 11398) en/of

10) - een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CBJ 96 NL 091) en/of

11) - een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 001) en/of

12) - een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 002) en/of

13) - een (dode) sperwer (Accipiter nisus) (met ring nummer 11 Falco Ireland

06R/06P) en/of

14) - een sperwer (Accipiter nisus) (met ring nummer 12 Falco Ireland 06P)

en/of

een dier, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort,

als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 5 van de Flora- en faunawet juncto

artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Regeling aanwijzing dier- en

plantensoort Flora- en faunawet en opgenomen in Bijlage A bij de

basisverordening (Verordening (EG) nr. 338/97, laatstelijk gewijzigd bij Vo

(EG) nr. 318/2008 PbEG 2008 L 95), te weten

15) - een luggervalk/laggarvalk/Indische lannervalk (Falco jugger) (met ring

nummer SM 93 004)

heeft gekocht en/of verworven en/of heeft

verkocht en/of heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder

zich heeft gehad,

zulks terwijl hij, verdachte, aan die verboden gedragingn feitelijk leiding heeft

gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Beperking van de bewezen verklaarde periode

De tenlastelegging is volledig toegesneden op de overtreding van verboden die opgenomen zijn in of voortvloeien uit de Flora- en Faunawet (hierna: FFW). In aanmerking genomen dat de FFW in werking is getreden per 1 april 2002 kunnen handelingen voor zover die door verdachte gepleegd zijn in de periode voor genoemde datum niet als handelingen in strijd met die wet bewezen worden verklaard.

Kleurloos opzet

Door en namens de verdachte is aangevoerd dat er ten aanzien van het overtreden van de voorschriften zoals ten laste is gelegd van opzet geen sprake is geweest, nu de verdachte geheel te goeder trouw heeft gehandeld.

Dit verweer wordt verworpen.

Op het terrein van het economische strafrecht wordt geen boos opzet vereist, het opzet is kleurloos. Er is sprake van opzet indien willens en wetens is gehandeld of nagelaten zoals in de strafbepaling is omschreven. Het opzet behoeft niet mede op het overtreden van het verbod te zijn gericht. Uit de aard van de de thans bewezen verklaarde handelingen kan niet anders volgen dan dat de verdachte deze willens en wetens heeft verricht.

STRAFBAARHEID FEIT

De in de tenlastelegging onder 1 tot en met 14 genoemde vogels zijn beschermde inheemse diersoorten. Zij staan vermeld op bijlage 2 bij de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten én op bijlage A bij de Verordening 338/97 van de Raad van de Europese Unie van 9 december 1996 (hierna: de basisverordening). De in de tenlastelegging onder 15 genoemde vogel is een beschermde uitheemse diersoort nu deze (uitsluitend) vermeld staat op bijlage A bij de basisverordening.

Ten aanzien van het kopen, verkopen, verwerven (de handel) en het vervoer

Voor (onder meer) het kopen, verkopen, verwerven en vervoeren van dergelijke diersoorten geldt het verbod van artikel 13 FFW. Van dit verbod kan op grond van artikel 75 FFW vrijstelling worden verleend. Dit is (onder andere) uitgewerkt in de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten FFW (hierna: de Regeling vrijstelling). Artikel 10, eerste lid, onder a van die regeling bepaalt dat, met uitzondering van het verbod op in- en uitvoer of het verbod op het onder zich hebben, een vrijstelling geldt van de verboden handelingen van artikel 13 FFW voor bijlage A diersoorten indien een certificaat is afgegeven op grond van artikel 8, derde lid, van de basisverordening.

Artikel 8, derde lid, van de basisverordening regelt de ontheffing van de in het eerste lid van dat artikel genoemde verboden handelingen met bijlage A diersoorten, waaronder het hierboven bewezen verklaarde “kopen en/of verkopen en/of verwerven en/of vervoeren”. Bepaald is dat per geval ontheffing kan worden verleend door afgifte van een daartoe strekkend certificaat door een administratieve instantie van de lidstaat waarin de dieren zich bevinden.

Hierna zal voor de slechtvalken 1 en 2 worden nagegaan of een dergelijk ontheffingscertificaat ten aanzien van de door de verdachte verrichte verbodshandelingen aanwezig is.

Slechtvalken 1 en 2

Met betrekking tot deze slechtvalken (Falco peregrinus) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 14 juli 2005 de volgende handelingen uitgevoerd: het kopen, verwerven, vervoeren (in vereniging), het binnen het grondgebied van Nederland brengen (in vereniging) en het onder zich hebben.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de slechtvalken zijn overgedragen aan de verdachte met een per slechtvalk op 22 april 2004 door het “Ministerio de Economia” van de lidstaat Spanje afgegeven document getiteld “Permiso/certificado importacion”. Deze documenten legitimeren de invoer van de slechtvalken in Spanje vanuit Peru. De documenten bevatten geen bepalingen waarin ontheffing wordt verleend van de verbodsbepalingen van artikel 8, eerste lid, van de basisverordening. Derhalve ontbreekt bij beide slechtvalken een certificaat dat ontheffing verleent voor de overdracht. Conclusie moet dan ook zijn dat een beroep op artikel 75 FFW juncto artikel 10 van de Regeling vrijstelling faalt. Het verbod van artikel 13 FFW voor het kopen, verwerven en vervoeren van de slechtvalken is dus onverkort van toepassing zodat deze handelingen strafbaar zijn.

Artikel 48, tweede lid, van de Verordening 865/2006 van de Commissie van de EU van 4 mei 2006 (hierna: de uitvoeringsverordening), die de op de datum van de koop, te weten 14 juli 2005, geldende Verordening 1808/2001 van de Commissie van de EU van 30 augustus 2001 vervangt, bepaalt het volgende. De bevoegde administratieve instantie van een lidstaat kan een invoervergunning aanmerken als certificaat voor de in artikel 8, derde lid, van de basisverordening genoemde doeleinden mits de ‘kopie voor de houder’ van dat formulier wordt overgelegd waarop staat vermeld dat de dieren van één of meer verbodsbepalingen van artikel 8, eerste lid, zijn vrijgesteld. Uit de bij de slechtvalken behorende (invoer)documenten valt op geen enkele wijze af te leiden dat deze slechtvalken zijn vrijgesteld van een of meer van genoemde verbodsbepalingen. De invoerdocumenten kunnen dus niet als ontheffingscertificaten worden aangemerkt.

Ten aanzien van de invoer

Voor de invoer geldt eveneens het verbod van artikel 13 FFW en de vrijstellingsregeling van artikel 75 FFW, zoals (onder andere) uitgewerkt in de Regeling vrijstelling. Artikel 7 van deze regeling bepaalt dat ten behoeve van het intracommunautaire verkeer een vrijstelling geldt voor invoer van bijlage A dieren voor zover deze aantoonbaar overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening zijn verkregen. Nu de verdachte de slechtvalken zonder ontheffingscertificaat van de Spaanse verkoper heeft gekocht, zijn deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen zodat er (eveneens) geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer geldt. Ook voor de invoer geldt dus dat deze verboden was zodat ook deze handeling strafbaar is.

Ten aanzien van het onder zich hebben

Ook voor het onder zich hebben geldt het verbod van artikel 13 FFW en de vrijstellingregeling van artikel 75 FFW, zoals (onder andere) uitgewerkt in de Regeling vrijstelling. Artikel 12, eerste lid, van de Regeling vrijstelling bepaalt dat een vrijstelling geldt voor in gevangenschap geboren en gefokte bijlage A vogels indien kan worden aangetoond dat de vogels gefokt zijn en voor zover is voldaan aan de onder a tot en met c vermelde vereisten. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat hieraan is voldaan. Derhalve geldt geen vrijstelling voor het onder zich hebben van de slechtvalken, zodat ook dit strafbaar is. Hierna zal met inachtneming van bovenstaand wettelijk kader voor de overige op de tenlastelegging voorkomende vogels worden nagegaan of een vrijstelling ten aanzien van de door de verdachte verrichte verbodshandelingen aanwezig is.

Bastaardarenden 3, 4 en 5

Met betrekking tot de bastaardarenden (Aquila clanga) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 28 april 2005 de volgende handelingen verricht: het kopen, verwerven, verkopen, vervoeren (in vereniging) en afleveren (in vereniging), het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het onder zich hebben.

De bastaardarenden zijn aan de verdachte overgedragen en door de verdachte verkocht met een per bastaardarend op 17 januari 2001 door het “Ministerie van middenstand en landbouw” van de lidstaat België afgegeven certificaat. Dit certificaat verleent geen ontheffing voor het kopen, verwerven, verkopen, vervoeren en afleveren zodat geen vrijstelling ex artikel 10 van de Regeling vrijstelling gold.

Nu de verdachte de bastaardarenden zonder ontheffingscertificaat van de Belgische verkoper heeft gekocht, zijn deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen zodat er ook geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer ex artikel 7 van de Regeling vrijstelling gold voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

De bastaardarenden voldoen niet aan de vereisten van artikel 12 Regeling vrijstelling zodat het onder zich hebben van deze vogels ook strafbaar is.

Zwarte wouw 6

Met betrekking tot de zwarte wouw (Milvus migrans) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode de navolgende handelingen verricht: het onder zich hebben, verkopen, buiten grondgebied brengen en vervoeren in vereniging.

De zwarte wouw is aan de verdachte overgedragen en door de verdachte verkocht met een op 11 januari 2001 door het “Ministerie van middenstand en landbouw” van de lidstaat België afgegeven certificaat. Het bij de vogel behorende certificaat is niet afgegeven voor de verkoop en het vervoer van deze vogel, zodat voor het verbod op die handelingen geen vrijstelling gold krachtens het bepaalde in artikel 10 van de Regeling vrijstelling.

Nu de verdachte de zwarte wouw zonder ontheffingscertificaat heeft gekocht, is deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen, zodat er ook geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer ex artikel 7 van de Regeling vrijstelling gold voor het buiten het grondgebied van Nederland brengen.

Uit het dossier en het onderzoek te terechtzitting is (in ieder geval) niet gebleken dat is voldaan aan het onder b vermelde vereiste van artikel 12 van de Regeling vrijstelling, zodat de vrijstelling van het bezitsverbod zoals dat in genoemd artikel is geregeld zich evenmin voordoet.

Oehoe 7

Met betrekking tot de oehoe (Bubo bubo) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 23 maart 2007 de navolgende handelingen verricht: kopen, verwerven, het onder zich hebben, verkopen.

De oehoe is aan de verdachte overgedragen en door de verdachte verkocht met een op 22 juli 2004 door het “Department for the Environment, Food and Rural Affairs, Wildlife Licensing and Registration Service”, gevestigd te Bristol (VK), afgegeven certificaat. Het bij de vogel behorende certificaat is niet afgegeven voor het kopen, verwerven en verkopen van deze vogel, zodat voor het verbod op die handelingen geen vrijstelling gold krachtens het bepaalde in artikel 10 van de Regeling vrijstelling.

Er is ook geen sprake van een vogel die aantoonbaar in gevangenschap is geboren en gefokt, zodat de vrijstelling van het bezitsverbod zoals geregeld in artikel 12 van de Regeling vrijstelling zich evenmin voordoet.

Door de verdediging is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het bij de onderhavige oehoe behorende certificaat veel onduidelijkheden bevat en dat door de deskundigen daaromtrent een verkeerde opinie is afgegeven.

Wat er ook zij van de gestelde innerlijke tegenstrijdigheden van het certificaat, naar het oordeel van de rechtbank volgt duidelijk uit de op het certificaat vermelde doelcode B (“purpose” in vak 10), te weten “breeding”, in combinatie met de voorwaarden opgenomen onder 1 en 2 onderaan het certificaat dat dit certificaat geen vrijstelling geeft voor verkoop of handel van de oehoe op welke wijze dan ook. Indien al zou moeten worden aangenomen dat uit de eveneens op het certificaat genoemde zinsnede “A new certificate is required by any subsequent holder who wishes tot use the specimen for commercial purposes” moet worden afgeleid dat de houder op het certificaat, [houder], op basis van dit certificaat mocht verkopen maar dat elke volgende houder van de oehoe een nieuw vrijstellingscertificaat voor verkoop e.d. nodig had, leidt dit niet tot de conclusie dat de verdachte was vrijgesteld van het verbod op het verrichten van commerciële handelingen. Immers, een vrijstellingscertificaat voor de door de verdachte verrichte handelingen ontbreekt.

Slechtvalk 8

Met betrekking tot deze slechtvalk (Falco peregrinus) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 14 januari 2005 de volgende handelingen verricht: het kopen, verwerven, het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het onder zich hebben.

De slechtvalk is aan de verdachte overgedragen met een door het ‘Bundesamt für Naturschutz’ opgemaakte ‘einfuhrgenehmigung’ die voor het laatst geldig was op 4 oktober 1994. Dit document legitimeert de invoer van de slechtvalk in Duitsland vanuit British Columbia (Canada). Een certificaat dat ontheffing verleent voor de uitgevoerde handelingen ontbreekt zodat voor het kopen en verwerven geen vrijstelling ex artikel 10 van de Regeling vrijstelling gold.

Onder voormelde omstandigheden kan het document ook niet op de voet van artikel 48 van de uitvoeringsverordening worden aangemerkt als ontheffingscertificaat.

Nu de verdachte de slechtvalk zonder ontheffingscertificaat van de Duitse verkoper heeft gekocht, is deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen zodat er ook geen vrijstelling gold voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

De slechtvalk voldoet niet aan de vereisten van artikel 12 Regeling vrijstelling zodat het onder zich hebben van deze vogel ook strafbaar is.

Slechtvalk 9

Met betrekking tot deze slechtvalk (Falco peregrinus) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 2 augustus 2005 de volgende handelingen verricht: het kopen, verwerven, het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het onder zich hebben.

De slechtvalk is aan de verdachte overgedragen met een door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op 23 maart 2001 afgegeven certificaat. Dit certificaat verleent ontheffing aan de houder in vak 1, te weten [houder], voor eenmalige overdacht van de vogel. Nu de verdachte de vogel niet van [houder] heeft gekocht maar van een Duitse verkoper heeft de koop en het verwerven zonder ontheffing plaatsgevonden.

In aanmerking nemende dat de verdachte de slechtvalk zonder ontheffingscertificaat van de Duitse verkoper heeft gekocht, is deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen zodat er ook geen vrijstelling gold voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

De slechtvalk voldoet niet aan de vereisten van artikel 12 Regeling vrijstelling zodat het onder zich hebben van deze vogel ook strafbaar is.

Slechtvalk 10

Met betrekking tot deze slechtvalk (Falco peregrinus), met ringnummer CBJ 96 NL 091, zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf medio 2005 de volgende handelingen verricht: het kopen, verwerven en het onder zich hebben.

De slechtvalk is aan de verdachte overgedragen met een ontheffingscertificaat dat ziet op een slechtvalk met ringnummer CBJ 96 NL 027. Dit betreft een andere vogel. De koop en het verwerven van deze slechtvalk heeft derhalve zonder ontheffing plaatsgevonden.

Nu een certificaat ontbreekt, kan niet worden vastgesteld of er sprake is van een vogel die aan de vereisten van artikel 12 van de Regeling vrijstelling voldoet. Het onder zich hebben van deze slechtvalk is derhalve strafbaar.

Amerikaanse zeearenden/witkopzeearenden 11 en 12

Met betrekking tot de Amerikaanse zeearenden (Haliaeetus leucocephalus) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 6 november 2002 de navolgende handelingen verricht: het kopen, verwerven, het onder zich hebben, het invoeren in Nederland en vervoer in vereniging. Voorts heeft de verdachte deze zeearenden als leidinggevende van [vennootschap] verkocht en vervoerd in vereniging.

De zeearenden zijn aan de verdachte overgedragen met een per zeearend op 31 oktober 2001 door het “Wildlife Licensing & Registration Service Department of the Environment, Transport & the regions (DETR)” gevestigd In Bristol (VK) afgegeven document (p. 45 van het zaaksdossier). De bij de vogels behorende certificaten zijn niet afgegeven voor het kopen, verwerven en vervoeren van deze vogels, zodat voor het verbod op die handelingen geen vrijstelling gold krachtens het bepaalde in artikel 10 van de Regeling vrijstelling.

Nu de verdachte de zeearenden zonder ontheffingscertificaat heeft gekocht, zijn deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen, zodat er ook geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer ex artikel 7 van de Regeling vrijstelling gold voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

Uit het dossier en het onderzoek te terechtzitting is (in ieder geval) niet gebleken dat is voldaan aan het onder b vermelde vereiste van artikel 12 van de Regeling vrijstelling, zodat de vrijstelling van het bezitsverbod zoals dat in genoemd artikel is geregeld zich evenmin voordoet.

Sperwer 13

Met betrekking tot de (dode) sperwer (Accipiter nisus) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 22 januari 2007 de volgende handelingen verricht: het kopen (in vereniging), verwerven en het onder zich hebben (in vereniging) van het dier en na het overlijden van deze sperwer: het vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen (in vereniging) en het onder zich hebben (zowel in vereniging als alleen) van het dierproduct als bedoeld in artikel 1 FFW.

De sperwer is aan de verdachte overgedragen met een op 21 augustus 2006 door de National Parks & Wildlife Service te Dublin (Ierland) afgegeven certificaat, waarin in vak 9 (Source), de letter F staat vermeld en in vak 10 (Purpose) de letter B. In vak 19 is vermeld dat het certificaat alleen geldig is voor de houder genoemd in vak 1: mr. Ken Smith, dat het specimen alleen voor “breeding purposes” mag worden gebruikt en dat het niet mag worden “sold, exchanged or otherwise traded”.

Het bij de vogel behorende certificaat is dus niet afgegeven voor de koop, het verwerven en het vervoer van dier of product, zodat voor het verbod op die handelingen geen vrijstelling gold krachtens het bepaalde in artikel 10 van de Regeling vrijstelling.

Nu de verdachte de sperwer zonder ontheffingscertificaat heeft gekocht, is deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen, zodat er ook geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer ex artikel 7 van de Regeling vrijstelling gold voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

Er is ook geen sprake van een vogel die aantoonbaar in gevangenschap is geboren en gefokt, zodat de vrijstelling van het bezitsverbod zoals geregeld in artikel 12 van de Regeling vrijstelling zich evenmin voordoet.

Sperwer 14

Met betrekking tot de sperwer (Accipiter nisus) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode vanaf 22 januari 2007 de volgende handelingen verricht: het kopen (in vereniging), het verwerven, het vervoeren en binnen het grondgebied van Nederland brengen (in vereniging), het onder zich hebben (zowel in vereniging als alleen) en het verkopen.

Ook deze sperwer is aan de verdachte overgedragen met een op 21 augustus 2006 door de National Parks & Wildlife Service te Dublin (Ierland) afgegeven certificaat, waarin in vak 9 (Source), de letter F staat vermeld en in vak 10 (Purpose) de letter B. In vak 19 is vermeld dat het certificaat alleen geldig is voor de houder genoemd in vak 1: mr. Ken Smith, dat het specimen alleen voor “breeding purposes” mag worden gebruikt en dat het niet mag worden “sold, exchanged or otherwise traded”.

Dit certificaat is dus evenmin afgegeven voor de koop, het verwerven, het vervoer en de verkoop van de vogel zodat voor het verbod op die handelingen geen vrijstelling gold krachtens het bepaalde in artikel 10 van de Regeling vrijstelling.

Nu de verdachte de sperwer zonder ontheffingscertificaat heeft gekocht, is deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen, zodat er ook geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer ex artikel 7 van de Regeling vrijstelling gold voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen.

Er is geen sprake van een vogel die aantoonbaar in gevangenschap is geboren en gefokt, zodat de vrijstelling van het bezitsverbod zoals geregeld in artikel 12 van de Regeling vrijstelling zich in dit geval ook niet voordoet.

Luggervalk 15

Met betrekking tot de luggervalk (Falco jugger) zijn door de verdachte in de ten laste gelegde periode de volgende handelingen verricht: het kopen (in 2004), het verwerven, het onder zich hebben, het verkopen en het buiten het grondgebied van Nederland brengen (in januari 2007).

Het bij de vogel behorende certificaat is op 12 maart 1993 afgegeven door het Ministerie van Landbouw, Dienst Diergeneeskundige Inspectie te Brussel (België). Daarop is vermeld als bijzondere bepaling dat het document geldt als toestemming aan de houder, genoemd in vak 1 ([houder]) tot het vervoer van het specimen naar de Belgische grens. Deze toestemming was gegeven voor de overdracht aan een ander dan de verdachte ([betrokkene]). Dit certificaat geeft dus aan de verdachte geen vrijstelling van het verbod op de koop, verwerven en de verkoop van de vogel.

Nu de verdachte de sperwer zonder ontheffingscertificaat heeft gekocht, is deze niet met inachtneming van (in ieder geval) de basisverordening verkregen, zodat er ook geen vrijstelling voor intracommunautair verkeer ex artikel 7 van de Regeling vrijstelling gold voor het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen.

Uit het bepaalde in artikel 2 van de Regeling vrijstelling vloeit voort dat ook de vrijstelling van het verbod het specimen onder zich te hebben niet geldt.

Nu ook van andere strafuitsluitingsgronden niet is gebleken zijn de ten aanzien van de in de tenlastelegging onder 1 tot en met 15 genoemde vogels verrichte handelingen strafbaar.

Het bewezen feit levert op:

(medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd

en

(medeplegen van) overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van slechtvalk 10 een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld omdat er sprake zou zijn van een uitzonderlijke vergissing.

Dit verweer wordt verworpen.

De verdachte diende alle inkomende vogels op certificaat en ringnummer te controleren. Dit is kennelijk bij de koop in 2005 niet gebeurd. Dat is niet verontschuldigbaar. Dat de verdachte dit aan de verkoper heeft gecommuniceerd en in juni 2007 aan de autoriteiten in Nederland heeft gemeld, doet daar niets aan af.

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf en bijkomende straf die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft (handels)activiteiten verricht met betrekking tot twee Amerikaanse zeearenden, zijnde roofvogels behorende tot een beschermde inheemse diersoort, zonder dat hem daartoe vrijstelling op grond van de Flora- en faunawet was verleend.

Voorts heeft de verdachte, als bestuurder en enig aandeelhouder van [beheersvennootschap], welke onderneming bestuurder en enig aandeelhouder van [vennootschap] is, uit hoofde van laatstgenoemde onderneming feitelijk leidinggegeven aan (handels)activiteiten met betrekking tot in totaal dertien roofvogels en één dode specimen daarvan, alle behorende tot beschermde inheemse diersoorten, alsmede met betrekking tot een luggervalk, een beschermde uitheemse diersoort, welke activiteiten eveneens werden verricht zonder vrijstelling daartoe krachtens de Flora- en faunawet.

Door aldus te handelen heeft de verdachte regels overtreden die zijn gegeven ter bescherming van in- en uitheemse vogels. De handelingen als thans bewezen verklaard, ondermijnen de inspanningen van de overheid die gericht zijn op de instandhouding en de ontwikkeling van deze vogels.

Enerzijds kan juist de verdachte, die zichzelf profileert als een liefhebber en kenner van roofvogels, ernstig worden aangerekend dat hij kennelijk in verband met zijn handelsactiviteiten en dus voor eigen gewin, in de bewezen verklaarde gevallen onvoldoende oog heeft gehad voor de ter bescherming van deze bedreigde soorten genomen maatregelen.

Anderzijds houdt de rechtbank er ten gunste van de verdachte rekening mee, dat in het bedrijf van de verdachte gedurende de tijd waarin hij met de opbouw daarvan bezig is geweest ook aandacht is geweest voor het invoeren van een systeem dat juist gericht is op het naleven van deze regelgeving en dat zulks ook ten aanzien van vele vogels bij controle wel in orde bleek te zijn.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2011 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Bij de bepaling van de straf wordt voorts rekening gehouden met het tijdsverloop en de op te leggen bijkomende straf, zoals hierna zal worden overwogen.

Ten aanzien van het tijdsverloop geldt het volgende. In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop tussen het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld en het moment dat in de betreffende zaak een eindvonnis wordt gewezen. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 11 februari 2008 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn.

Tussen de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte en de datum van het eindvonnis ligt een periode van bijna drieënveertig maanden. Uitgaande van de termijn van twee jaar, zoals hiervoor is overwogen, zou er in de onderhavige zaak sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM met negentien maanden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient dit gecompenseerd te worden door vermindering van de op te leggen straf.

Onder de verdachte zijn in totaal vijf slechtvalken in beslag genomen. Deze zal de rechtbank verbeurd verklaren. Deze vogels vertegenwoordigen tezamen een aanmerkelijke waarde.

Bovendien is bij het bepalen van de strafmodaliteit rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte persoonlijk zal worden getroffen door de veroordeling van diens onderneming [vennootschap] als medeverdachte in onderhavig onderzoek.

Alle feiten en omstandigheden zoals hiervoor overwogen in aanmerking genomen, zal aan de verdachte, een geheel voorwaardelijke werkstraf worden opgelegd.

Alles afwegend worden na te noemen straf bijkomende straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer.

Nu het ongecontroleerd bezit van de vogels als voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan in strijd is met de wet, zijn de in beslag genomen vogels volgens de Nederlandse strafwet op zich vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Echter, omdat de onttrekking aan het verkeer de rechtbank strijdig voorkomt met het door de nationale en internationale regelgeving beoogde beschermende doel daarvan, zal de rechtbank de in beslag genomen voorwerpen niet onttrekken aan het verkeer, doch verbeurd verklaren. De in beslag genomen voorwerpen behoren aan de verdachte toe en het bewezen feit is met betrekking tot deze voorwerpen begaan.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a onder 1°, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

met bevel tot aftrek van de door de verdachte in verzekering doorgebrachte tijd volgens de maatstaf van 2 (twee) uren per dag, zodat na deze aftrek 168 uren te verrichten werkstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 84 dagen;

bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde feit:

1. 1 STK Vogel

FALCO peregrinus

een slechtvalk met ring nr. 030;

3. 1 STK Vogel

een slechtvalk (Falco peregrinus) met ring nr. 035;

5. 1 STK Vogel

FALCO peregrinus

slechtvalk, ring nr. CAN GOVT CWO 10905;

7. FALCO peregrinus

een slechtvalk, met ring nr. VAN GOVT CWO 11398;;

9. 1 STK Vogel

FALCO peregrinus

een slechtvalk met ring nr. CBJ 96 NL 091.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Sikkel, voorzitter,

en mrs. Geerars en Koekebakker, rechters,

in tegenwoordigheid mr. Lemm, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2011.

Bijlage bij vonnis van 20 september 2011.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij,

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 januari 2001 tot

en met 19 juli 2007 te [pleegplaats], in

ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

een of meer producten en/of dieren, (telkens) behorende tot een beschermde

inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4, eerste lid,

onderdeel b, van de Flora- en faunawet en opgenomen in bijlage 2 van de

Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten,

te weten:

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer 030) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer 035) en/of

- een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HEM-00-02) en/of

- een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HFF-00-01) en/of

- een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HFF-00-03) en/of

- een zwarte wouw (Milvus migrans) (met ring nummer FOA-MM-00-01) en/of

- een oehoe (Bubo bubo) (met ring nummer 8 CT 97 Z) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CAN GOVT CWO 10905) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CAN GOVT CWO 11398) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CBJ 96 NL 091) en/of

- een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 001) en/of

- een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 002) en/of

- een (dode) sperwer (Accipiter nisus) (met ring nummer 11 Falco Ireland

06R/06P) en/of

- een sperwer (Accipiter nisus) (met ring nummer 12 Falco Ireland 06P)

en/of

een dier, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort,

als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 5 van de Flora- en faunawet juncto

artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Regeling aanwijzing dier- en

plantensoort Flora- en faunawet en opgenomen in Bijlage A bij de

basisverordening (Verordening (EG) nr. 338/97, laatstelijk gewijzigd bij Vo

(EG) nr. 318/2008 PbEG 2008 L 95), te weten

- een luggervalk/laggarvalk/Indische lannervalk (Falco jugger) (met ring

nummer SM 93 004)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of verworven en/of ten verkoop

voorhanden heeft gehad en/of ten verkoop in voorraad heeft gehad en/of heeft

verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten

vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor

commercieel gewin en/of heeft geruild en of in ruil heeft aangeboden en/of

heeft uitgewisseld en/of ten toon heeft gesteld voor handelsdoeleinden en/of

binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder

zich heeft gehad;

[Artikel 1a onder 1e, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 13,

lid 1, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet]

en/of

[vennootschap],

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 januari 2001 tot

en met 19 juli 2007 te [pleegplaats], in

ieder geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

een of meer producten en/of dieren, (telkens) behorende tot een beschermde

inheemse diersoort,als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4, eerste lid,

onderdeel b, van de Flora- en faunawet en opgenomen in bijlage 2 van de

Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten,

te weten:

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer 030) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer 035) en/of

- een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HEM-00-02) en/of

- een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HFF-00-01) en/of

- een bastaardarend (Aquila clanga) (met ring nummer FOA-HFF-00-03) en/of

- een zwarte wouw (Milvus migrans) (met ring nummer FOA-MM-00-01) en/of

- een oehoe (Bubo bubo) (met ring nummer 8 CT 97 Z) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CAN GOVT CWO 10905) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CAN GOVT CWO 11398) en/of

- een slechtvalk (Falco peregrinus) (met ring nummer CBJ 96 NL 091) en/of

- een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 001) en/of

- een Amerikaanse zeearend/witkopzeearend (Haliaeetus leucocephalus) (met ring

nummer UK CM 002) en/of

- een (dode) sperwer (Accipiter nisus) (met ring nummer 11 Falco Ireland

06R/06P) en/of

- een sperwer (Accipiter nisus) (met ring nummer 12 Falco Ireland 06P)

en/of

een dier, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort,

als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 5 van de Flora- en faunawet juncto

artikel 4, eerste lid, onderdeel a van de Regeling aanwijzing dier- en

plantensoort Flora- en faunawet en opgenomen in Bijlage A bij de

basisverordening (Verordening (EG) nr. 338/97, laatstelijk gewijzigd bij Vo

(EG) nr. 318/2008 PbEG 2008 L 95), te weten

- een luggervalk/laggarvalk/Indische lannervalk (Falco jugger) (met ring

nummer SM 93 004)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en/of verworven en/of ten verkoop

voorhanden heeft gehad en/of ten verkoop in voorraad heeft gehad en/of heeft

verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten

vervoer heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor

commercieel gewin en/of heeft geruild en of in ruil heeft aangeboden en/of

heeft uitgewisseld en/of ten toon heeft gesteld voor handelsdoeleinden en/of

binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder

zich heeft gehad,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, tot vorenomschreven feit(en) opdracht heeft/hebben

gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft/hebben

gegeven;

[Artikel 1a onder 1e, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 13,

lid 1, aanhef en onder a van de Flora- en faunawet juncto artikel 51 Wetboek

van Strafrecht]