Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BT1955

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
10/731170-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebreken bij veiligstellen vuurwapen leveren vormverzuim op.

Geen geschreven rechtsregel verplicht ertoe in beslag genomen voorwerpen te allen tijde op een dusdanige wijze te behandelen dat daaraan later nader technisch onderzoek plaats kan hebben. Waar het gaat om een verdenking van vuurwapenbezit staat er voor de verdachte echter veel op het spel. De rechtbank acht het dan ook geraden dat in een dergelijk geval het betreffende stuk van overtuiging in beginsel volgens het daarvoor geldende protocol wordt veiliggesteld, hetgeen in casu niet gebeurd is. De rechtbank acht deze handelwijze in strijd met de beginselen van de goede procesorde, meer de eisen die voortvloeien uit het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, zodat in zoverre sprake is van een niet herstelbaar vormverzuim. Dit leidt niet tot niet-ontvankelijkheid OM. Evenmin tot bewijsuitsluiting nu uit het verzuim niet rechtstreeks bewijs is voortgekomen.

Verwerping van beroepen op noodweer, noodweerexces, putatief noodweer en overmacht.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/731170-10

Datum uitspraak: 26 juli 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [datum en geboorteplaats] 1970,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting [plaatsnaam],

raadsvrouw mr. I.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Visser heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met

aftrek van voorarrest;

- teruggave van een geldbedrag ad € 3700,= aan de rechthebbende, te weten [aangever].

ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

De raadsvrouw heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen is dat een in beslag genomen vuurwapen niet is veiliggesteld en bij verschillende politieagenten in handen is geweest. Hierdoor is de verdachte de mogelijkheid onthouden om zijn stelling, inhoudende dat hij door [aangever] met dat vuurwapen is bedreigd, nader te onderbouwen, omdat het vuurwapen niet meer op sporen kon worden onderzocht. De verdachte is aldus direct in zijn recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), getroffen. Bovendien is de raadsvrouw van mening dat er hoe dan ook te weinig technisch onderzoek is gedaan door de politie, zoals bijvoorbeeld aan de inbeslaggenomen rugtas en de inhoud daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat geen geschreven rechtsregel ertoe verplicht in beslag genomen voorwerpen te allen tijde op een dusdanige wijze te behandelen dat daaraan later nader technisch onderzoek plaats kan hebben, al dan niet op verzoek van de verdediging. In een geval als het onderhavige, waarin het onder meer gaat om de verdenking van vuurwapenbezit, staat er voor de verdachte echter veel op het spel. De rechtbank acht het dan ook geraden dat in een dergelijk geval het betreffende stuk van overtuiging in beginsel volgens het daarvoor geldende protocol wordt veiliggesteld. In casu is het wapen, zo blijkt uit een proces-verbaal van 19 oktober 2010, niet onderzocht op “dacty of DNA, daar bleek dat diverse politieambtenaren dit wapen in handen hadden gehad”.

De rechtbank acht deze handelwijze in strijd met de beginselen van de goede procesorde, meer de eisen die voortvloeien uit het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging, zodat in zoverre sprake is van een niet herstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan echter slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op genoemde beginselen, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken politieagenten met hun handelwijze de verdachte doelbewust hebben willen dwarsbomen, dan wel dat die handelwijze met grove veronachtzaming van diens belangen gepaard is gegaan, zodat het verweer op dit punt geen doel treft. De blote constatering van het vormverzuim leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van schending van het recht op een fair trial als bedoeld in artikel 6 EVRM, nu daarbij de strafrechtelijke procedure in haar geheel dient te worden bekeken.

De enkele omstandigheid dat de politie - in de beleving van de raadsvrouw - te weinig technisch onderzoek heeft gedaan kan, mede gelet op de algemene bewoordingen van de stellingname van de raadsvrouw, evenmin tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 26 juli 2010 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [aangever] van het leven te beroven met dat opzet meermalen, met een hard voorwerp tegen het hoofd van die [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 26 juli 2010 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 100,15 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 26 juli 2010 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- c.q. startpistool voorhanden heeft

gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

Bewijsverweer

De raadsvrouw heeft op dezelfde gronden als bij haar beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie voor bewijsuitsluiting gepleit. Voor uitsluiting van het bewijs bestaat evenwel geen aanleiding, nu uit het geconstateerde vormverzuim geen rechtstreeks bewijs is voortgevloeid. De rechtbank is van oordeel dat aan het vormverzuim geen ander rechtsgevolg behoeft te worden verbonden dan het volstaan met de vaststelling ervan.

Overwegingen omtrent het onder 1 tenlastegelegde

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij aangever op 26 juli 2010 heeft ontmoet op het terras van [horecagelegenheid] en dat hij samen met aangever naar de woning [adres] te Rotterdam is gegaan. Aangever heeft de verdachte daar bedreigd met een ijzeren staaf en een vuurwapen en heeft de verdachte vervolgens met die staaf geslagen. De verdachte heeft kans gezien de ijzeren staaf van aangever af te pakken en heeft aangever daarmee driemaal een klap op het hoofd gegeven, waarna aangever op de grond is gevallen. De verdachte is hierna teruggegaan naar genoemd [horecagelegenheid, heeft daar verteld dat hij thuis was aangevallen door een dief die geld en goud van hem eiste en gezegd dat hij hulp nodig had omdat de dief nog in het huis was. Vervolgens zijn twee mannen vanaf het [horecagelegenheid] met hem meegelopen naar het huis aan de [naam locatie] en “dat was het, toen hebben ze de politie gebeld”, aldus de verdachte. Hij heeft ontkend dat hij het slachtoffer vervolgens opnieuw heeft geslagen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting is niet duidelijk geworden wat zich onmiddellijk na verdachtes eerste bezoek aan [horecagelegenheid] heeft afgespeeld. De rechtbank merkt op dat zij niet kan uitsluiten dat de bedoelingen van aangever niet geheel nobel zijn geweest. Wat daar verder ook van zij, de rechtbank schuift verdachtes bewering dat hij na zijn tweede bezoek aan het [horecagelegenheid] geen geweld jegens aangever meer heeft gebruikt terzijde. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat zij met de verdachte zijn meegelopen toen deze terugliep naar de woning [locatie] waar zich een “dief” zou bevinden. Getuige [1] bleef in eerste instantie beneden bij de opgang naar de woning staan, maar hoorde wel geschreeuw en gebonk in de woning. Getuige [2] is wel mee naar boven gelopen en hoorde ook iemand in de woning. Hij is vervolgens gaan kijken bij de voordeur van de woning. De getuige [1] stond op dat moment ook achter hem. Beide getuigen zagen achter de voordeur een man met een hoofdwond liggen, helemaal in het bloed, met naast hem een vuurwapen.

De verdachte was ondertussen een andere ruimte, gelegen aan de overzijde van de voordeur van de woning, ingelopen en kwam terug met een stalen pijp of staaf. Vervolgens heeft getuige [2] gezien dat de verdachte de op de grond liggende man met heel veel kracht begon te slaan met de pijp of staaf en dat hij de man raakte op het hoofd. Deze getuige heeft gezien dat de pijp of staaf door de schedel van de man heen ging. Getuige [2] heeft hierop herhaaldelijk tegen de verdachte geroepen: “niet doen, niet doen”. De verdachte heeft hierna nog hard tegen het hoofd en het lichaam van de man getrapt. Ook de getuige [1] verklaart tegenover de politie, dat hij zag dat de verdachte de gewonde man ook nog een aantal schoppen tegen het hoofd en de benen van de gewonde man gaf.

Vervolgens heeft de verdachte het vuurwapen van de grond gepakt en aan getuige [2] gevraagd om het wapen mee te nemen. Toen [getuige 2] dit weigerde heeft de verdachte het wapen zelf tussen zijn broeksband gestopt. Hierna heeft de verdachte uit de hiervoor genoemde ruimte nog een diepvrieszak met een grote witte “bonk” gepakt en heeft hij de woning heeft verlaten.

De verdachte heeft gesteld dat de getuigen hebben gelogen. De rechtbank ziet geen evenwel reden om aan te nemen dat de verdachten tegenover de politie niet de waarheid hebben gesproken. Immers, hun verklaringen liggen in elkaars verlengde en vinden steun in de resultaten van het technisch onderzoek, zoals het DNA-onderzoek aan de in beslag genomen metalen buis. Het is juist de verdachte zelf die wisselende - en daarmee niet aannemelijke - scenario’s heeft voorgespiegeld.

Anders dan de raadsvrouw hecht de rechtbank geen beslissende betekenis aan de omstandigheid dat getuige [2] zijn verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris op 8 juni 2011 lijkt te hebben afgezwakt. Die laatste verklaring is een bijna jaar na dato afgelegd, terwijl [getuige 2 op 29 en 30 juli 2010 - kort na het incident - gedetailleerde, indringende en op elkaar aansluitende verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank gaat dan ook uit van de tegenover de politie afgelegde verklaringen van de twee getuigen. Mede op basis daarvan acht de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Overwegingen omtrent het onder 3 tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdachte het vuurwapen nimmer voorhanden heeft gehad, omdat - naar de rechtbank begrijpt - niet uitgesloten kan worden dat het vuurwapen (aanvankelijk) van aangever is geweest.

Dit verweer wordt verworpen, omdat het miskent dat de vraag wie de eigenaar van het wapen was niet beslissend is. Voor een veroordeling ter zake van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie is naast de aanwezigheid van het wapen en een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen, een zekere macht van de verdachte over het wapen vereist. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat hiervan sprake was.

STRAFBAARHEID FEITEN EN STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De bewezen feiten leveren op:

1 primair.

poging tot doodslag;

2.

opzettelijk handelen in strijd met het in aritkel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III.

Noodweer, noodweerexces en putatief noodweer ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte met vrucht een beroep kan doen op noodweer, noodweerexces of putatief noodweer. De verdachte werd in zijn huis door aangever overvallen die een pistool tevoorschijn had gehaald en hem ook nog met een stalen pijp had geslagen. De verdachte kon geen kant op, maar wist wel de pijp af te pakken en terug te slaan. Hij heeft zich toen slechts verdedigd. Bij terugkeer na het tweede bezoek aan het [horecagelegenheid] leek de verdachte opnieuw te worden aangevallen door aangever. De verdachte was volkomen hysterisch en in paniek en reageerde op elke beweging van de man.

Hij moet hebben gedacht dat het gevaar nog niet was geweken en om deze reden heeft hij vanuit even bedoelde ‘state of mind’ aangever mogelijk nog enkele klappen en schoppen gegeven.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Wat er ook zij van verdachtes verklaring dat hij na zijn eerste bezoek aan het [horecagelegenheid] door aangever werd bedreigd en mishandeld, vaststaat dat de veronderstelde wederrechtelijke aanranding van aangever ten einde was op het moment dat de verdachte ten tweede male naar het [horecagelegenheid] ging. De stelling van de raadsvrouw de verdachte bij terugkomst in de woning opnieuw werd of leek te worden aangevallen door aangever vindt geen steun in het dossier en in het bijzonder ook niet in de verklaringen van de verdachte. Zoals reeds is overwogen blijkt uit de verklaringen van de getuigen [1 en 2] veeleer dat aangever op dat moment al uitgeschakeld op de grond lag.

Voorzover is bedoeld aan te voeren dat de verdachte bij terugkomst in de woning heeft gehandeld als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de eerdere veronderstelde aanval van aangever geldt, dat een dergelijke gemoedsbeweging niet aannemelijk is geworden, zulks gelet op de tijd die tussen de vermeende aanranding, het vertrek van de verdachte uit de woning, de gang naar en van het [horecagelegenheid], en het opnieuw betreden van de woning moet zijn verstreken, de mate van disproportionaliteit tussen de vermeende aanranding en het door de verdachte uitgeoefende geweld en aangezien uit de omstandigheden dat

- de verdachte onmiddellijk bij terugkomst in de woning een staaf uit een andere ruimte heeft gehaald, hiermee richting het slachtoffer is gelopen en op hem heeft ingeslagen en

- de verdachte onmiddellijk nadat hij zijn geweld had gestaakt om redenen die hem moveerden tamelijk koelbloedig het wapen en een brok cocaïne heeft veiliggesteld

niet kan worden afgeleid dat de verdachte, zoals de raadsvrouw stelt, volkomen in paniek was.

De verweren worden op alle onderdelen verworpen.

Beroep op overmacht ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Aangevoerd is dat de verdachte met het pakken en meenemen het vuurwapen slechts heeft willen bewerkstellingen dit wapen bij aangever weg te houden. Om die reden kan de verdachte een beroep doen op overmacht, hetgeen moet leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Dit verweer wordt verworpen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de verklaringen van de getuigen [1 en 2], maar ook uit de op de door aangever opgelopen letsels betrekking hebbende stukken spreekt dat aangever op het moment dat de verdachte het vuurwapen pakte dermate ernstig gewond was dat van hem geen enkele dreiging meer uit kon gaan.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of de verdachte uitsluiten.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer meermalen met een ijzeren staaf op het hoofd te slaan, waarbij het slachtoffer ernstig hoofd- en hersenletsel heeft opgelopen. Naar verwachting zal het slachtoffer voor de rest van zijn leven de gevolgen hiervan moeten dragen. Het is voorts algemeen bekend dat slachtoffers die een dergelijke ingrijpende en gewelddadige ervaring hebben meegemaakt nog lange tijd, zo niet levenslang, onder de fysieke en psychische gevolgen daarvan gebukt kunnen gaan. Ook voor de degenen die getuige zijn geweest van dit feit moet dit een beangstigende gebeurtenis zijn geweest. Daarnaast dragen dit soort feiten bij aan versterking en toename van reeds bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De verdachte bleek bij zijn aanhouding tevens in het bezit te zijn van een handelshoeveelheid van 100,15 gram cocaïne en een alarmpistool. Naar algemeen bekend is vormt de verspreiding en het gebruik van verdovende middelen niet alleen een bedreiging voor de volksgezondheid, maar is het tevens oorzaak van diverse vormen van criminaliteit. Ook wapenbezit dient krachtig te worden bestreden gelet op de inherente gevaren die daarvan uit gaan

Op dergelijke ernstige feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, blijkens het op zijn naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 januari 2011, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Omtrent de verdachte is een pro justitia rapport opgemaakt naar aanleiding van verdachtes observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC) door P.A.E.M.T. Cremers, psycholoog, en J.H. van Renesse, psychiater, gedateerd 20 april 2011. Daarin staat vermeld dat gedragskundig onderzoek geen doorgang kon vinden, omdat de verdachte daaraan geen medewerking heeft willen verlenen. Derhalve kon niet vastgesteld worden of bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en kon er geen uitspraak worden gedaan omtrent diens toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het tenlastegelegde.

De verdachte is in de contacten niet afwezig of verward overgekomen en er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor (ernstige) tekortkomingen in het psychisch functioneren. Uit informatie van derden valt echter wel af te leiden dat de verdachte bekend is met klachten die duiden op schizofrenie. Hij is gedurende vier jaren onder behandeling geweest bij het Riagg Rijnmond en heeft forse hoeveelheden medicatie (antipsychotica en antidepressivum) voorgeschreven gekregen. Desondanks worden de klachten van de verdachte - door de psychiater - niet als direct kenmerkend gezien voor schizofrenie. Het lijkt de psychiater waarschijnlijker dat sprake is van een cultuurgebonden “stress-idioom”, waarbij niet te verdragen stress wordt geëxternaliseerd en toegeschreven aan magische factoren. De psycholoog geeft er om die reden de voorkeur aan om verdachtes persoonlijkheidsproblematiek te duiden als “psychose, niet anderszins te omschrijven”.

De raadsvrouw heeft gevraagd rekening te houden met de psychische toestand van de verdachte en in dat verband gewezen op een brief van Riagg Rijnmond d.d. 2 augustus 2010, waarin staat vermeld dat de verdachte lijdt aan schizofrenie van het paranoïde type en daarvoor sinds maart 2007 in behandeling is.

De rechtbank stelt voorop dat zij het in hoge mate betreurt dat de verdachte zich, kennelijk op advies van zijn raadsvrouw, niet heeft willen meewerken aan het gedragskundig onderzoek. Zij ziet, met de raadsvrouw, enige aanknopingspunten voor de aanname dat de verdachte iets mankeert, maar gelet op

- verdachtes ontkenning ter zitting dat hij ziek is,

- de kanttekening die de psychiater omtrent verdachtes geestestoestand heeft gemaakt en

- de omstandigheid dat uit het rapport van het PBC blijkt dat tijdens de observatieperiode bij de verdachte geen gestoord of vreemd gedrag is waargenomen,

acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, nog daargelaten de vraag of dit ook ten tijde van het ten laste gelegde het geval was en zou hebben geleid tot een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.

De rechtbank zal de verdachte dan ook als volledig toerekeningsvatbaar beschouwen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een brief van de Reclassering Nederland

d.d. 14 juni 2011, waarin staat vermeld dat de verdachte ook bij deze instelling heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het opstellen van een rapportage.

Gezien de aard en de ernst van de feiten, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, welke worden bezien in combinatie met het feit dat de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid lijkt te aanvaarden voor zijn daden, acht de rechtbank het passend en geboden om de verdachte een gevangenisstraf als gevorderd door de officier van justitie op te leggen.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd het onder de aangever in beslag genomen geldbedrag ad € 3.700,= terug te geven aan de rechthebbende, te weten aan aangever.

Ten aanzien van het in beslag genomen goed, te weten voornoemd geldbedrag, zal een last worden gegeven tot teruggave aan [personalia aangever], zijnde degene die, gelet op het proces-verbaal dat is genummerd als AMB-55 en de aangifte van [aangever]d.d. 28 september 2010, redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam aangever], p/a ten kantore van de gemachtigde raadsman mr. F.G.L. van Ardenne, postbus 293, 3000 AG Rotterdam, ter zake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade (eigen risico/nota medische hulp) tot een bedrag van € 133,56 en immateriële schade tot een bedrag van € 22.000,=.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde materiële schadevergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal dat deel van de vordering, ondanks dat vrijspraak is bepleit namens de verdachte, worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde straf¬bare feit ook rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment, naar maatstaven van billijkheid en gelet op algemene ervaringsregels, worden vastgesteld op € 10.000,=, zodat de vordering tot dit bedrag bij wijze van voorschot tot aan de datum van uitspraak van dit vonnis zal worden toegewezen. Hierbij is in aanmerking genomen dat gebleken is dat de medische situatie van de benadeelde zich nog (lang) niet in een eindstadium bevindt en daarover ook overigens geen actuele gegevens voorhanden zijn.

De vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade is voor het overige dusdanig van aard, dat de behandeling daarvan een onredelijke belasting van het strafproces vormt. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangeAbracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VERZOEKEN TOT OPHEFFING EN SCHORSING VOORLOPIGE HECHTENIS OP TERMIJN

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte, gelet op artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op te heffen, dan wel deze te schorsen.

Gelet op de te nemen beslissingen omtrent de bewezenverklaring en de op te leggen straf worden voor inwilliging van deze verzoeken geen termen aanwezig geacht. Zij zullen worden afgewezen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 57, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (vijf) jaar;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen als volgt:

- gelast de teruggave van een geldbedrag ad € 3.700,= (zegge: zevenendertighonderd euro) aan de rechthebbende, zijne [aangever];

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam aangever] bij wijze van voorschot toe tot een bedrag van € 10.133,56 (zegge: tienduizend en honderddrieëndertig euro en zesenvijftig eurocent) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan [aangever], p/a ten kantore van de gemachtigde raadsman mr. F.G.L. van Ardenne, postbus 293, 3000 AG Rotterdam, te betalen;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de bena¬deelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 10.133,56 (zegge: tienduizend en honderddrieëndertig euro en zesenvijftig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van

86 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. Reinds en De Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2011.

Bijlage TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 26 juli 2010

te Rotterdam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een

persoon genaamd […] van het leven te beroven met dat opzet meermalen,

althans éénmaal, met een hard en/of stomp voorwerp op/tegen het hoofd van die

[….] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet

is voltooid;

(Artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 26 juli 2010

te Rotterdam aan een persoon genaamd […], opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans éénmaal,

met een hard en/of stomp voorwerp op/tegen het hoofd te slaan;

(Artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij

op of omstreeks 26 juli 2010

te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 72,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

heroïne (diacetylmorfine) en/of

ongeveer 100,15 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

(Artikel 2C junctio 10 Opiumwet)

3.

hij

op of omstreeks 26 juli 2010

te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4 van de Wet

wapens en munitie, te weten een alarm- c.q. startpistool voorhanden heeft

gehad;

(Artikel 26 juncto 55 Wet wapens en munitie)