Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BS8678

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
362426 / HA ZA 10-2737
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brandverzekering. Eigen schuld. Verzwijging. Bevel ex 21 Rv. Compleet strafblad en compleet strafdossier in het geding brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 362426 / HA ZA 10-2737

Vonnis van 7 september 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.W.J. Hopmans te Groesbeek,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKENINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.J.P. van Beurden te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en Allianz genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 30 augustus 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met één productie;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens wijziging van eis in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Op 6 augustus 1988 is [eiser] in Duitsland veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen voor "Gefährliche Körperverletzung". Op 17 juli 1995 is [eiser] door de politierechter te Arnhem veroordeeld tot een geldboete van ? 750,00, waarvan ? 500,00 voorwaardelijk wegens vernieling en mishandeling en op 31 juli 1998 tot een geldboete van ? 300,00 voor mishandeling. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft [eiser] op 3 februari 2000 veroordeeld tot een geldboete van ? 500,00 voorwaardelijk wegens diefstal in vereniging.

[eiser] heeft bij Allianz in 1993 een inboedelverzekering en in 2001 een opstalverzekering afgesloten. Op de desbetreffende door [eiser] ondertekende aanvraagformulieren is bij de vraag: "Heeft/Hebt u (...) in de afgelopen acht jaar een misdrijf gepleegd, dat de maatschappij voor het beoordelen van deze aanvraag behoort te weten?" het antwoord "nee" aangekruist.

Op 2 juni 2008 is brand ontstaan in de naast het huis van [eiser] gelegen woning, die in eigendom toebehoorde aan de zwager van [eiser], de heer [X]. Het vuur is overgeslagen naar de woning van [eiser] en heeft tot schade aan die woning en de inboedel daarvan geleid.

[eiser] heeft Allianz verzocht de door hem geleden schade als gevolg van de brand onder de opstal- en inboedelverzekeringen te vergoeden.

In opdracht van Allianz heeft [Z] onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. Zij heeft op 6 juni en 14 juli 2008 ter zake aan Allianz gerapporteerd.

Schade-experts van Cunningham & Lindsey Nederland B.V. hebben in opdracht van Allianz op 21 augustus 2008 een rapport uitgebracht, waarin de schade als volgt is becijferd:

- bij herbouw van de opstal€105.669,56- bij verkoop van de opstal€60.000,00- bereddingskosten opstal€889,35- opruimingskosten opstal€8.858,65- huurderving€2.700,00- inboedel€ 33.012,53- bereddingskosten inboedel€1.163,35In het rapport is voorts vermeld dat krachtens een nota en akte van cessie rechtstreeks voldaan dient te worden aan [Y].:

- van het genoemde bedrag van € 8.858,65 een bedrag van € 3.670,80,

- van het genoemde bedrag van € 33.012,53 een bedrag van € 3.212,53,

- het genoemde bedrag van € 1.163,35.

In oktober 2008 heeft Allianz een voorschot aan [eiser] betaald van € 5.000,00 uit hoofde van de inboedelverzekering.

Bij brief van 31 oktober 2008 heeft Allianz aan de advocaat van [eiser] het volgende bericht:

"(...)

Allereerst merken wij op dat het politieonderzoek naar de brand nog steeds gaande is. Naar wij hebben vernomen, is uw cliënt door de politie aangemerkt als verdachte van brandstichting. Om deze reden kunnen wij op dit moment, in afwachting van de uitkomst van het politie-onderzoek, hoe dan ook niet tot afwikkeling overgaan.(...)

Wij ontvingen het door u toegezonden Uittreksel Justitiële Documentatie. Dit uittreksel zou bestaan uit 8 pagina's. Echter de pagina's 2, 3, 4 en 5 ontbreken. (...)

Op basis van de nu beschikbare informatie kan in ieder geval al wel geconcludeerd worden dat in de periode van 8 jaar voor de aanvraag van de opstalverzekering d.d. 27-3-2001 sprake is geweest van diverse misdrijven. Veroordeling voor onder meer diefstal in vereniging, vernieling en mishandeling is relevant bij de aanvraag van een verzekering, aangezien dit een rol speelt bij de beoordeling van de moraliteit en het risico. Bij kennis van de ware stand van zaken zouden wij de opstalverzekering in het geheel niet hebben gesloten. Op grond van artikel 7:930 lid 4 BW komt daarmee het recht op uitkering volledig te vervallen.(...)

Met betrekking tot de op 21-10-1993 gesloten inboedelverzekering merken wij op dat ook hier de vraag naar het strafrechtelijk verleden met "nee" is beantwoord, terwijl uit het Uittreksel Justitiële Informatie in ieder geval blijkt dat uw cliënt op 6-9-1988 in Duitsland veroordeeld is wegens "Gefährliche Körperverletzung". Wij verzoeken u er zorg voor te dragen dat wij alsnog de gevraagde machtiging tot inzage in het strafrechtelijk verleden ontvangen, zodat wij de benodigde informatie kunnen verzamelen. Hierna zullen wij beoordelen of wij bij kennis van de ware stand van zaken met betrekking tot de inboedel geen verzekering zouden hebben gesloten, danwel een verzekering onder andere voorwaarden en/of premie.

Gezien het voorgaande zullen wij geen voorschotten aan uw cliënt verstrekken. Wel zullen wij vooralsnog de gecedeerde reconditioneringskosten van [Q] ad € 3212,53, € 3670,80, € 1163,35, € 1646,00, in totaal

€ 9662,68 met [Q] regelen. Wij behouden ons het recht voor om deze kosten op uw cliënt terug te vorderen. (...)"

Bij kort gedingvonnis van 18 december 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [eiser] tot betaling van een voorschot door Allianz van € 20.000,00 uit hoofde van de inboedelverzekering afgewezen.

De officier van justitie van het parket Arnhem heeft [eiser] ten laste gelegd dat hij in of omstreeks de nacht van 1 op 2 juni 2008 te Groesbeek opzettelijk brand heeft gesticht in een woning en/of een schuur, staande of gelegen aan de [adres]. De rechtbank Arnhem heeft [eiser] bij vonnis van 27 januari 2010 vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Het geschil

in conventie

[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Allianz bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van:

€31.821,88uit hoofde van de inboedelverzekering, vermeerderd met rente;€269.799,00 schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming met betrekking tot de nakoming van de opstalverzekering, danwel € 72.448,00 uit hoofde van de opstalverzekering, vermeerderd met rente;€450,00per maand vanaf 8 september 2008 tot en met de datum van algehele betaling, wegen gemaakte verblijfskosten;€1.875,00buitengerechtelijke kosten;met veroordeling van Allianz in de kosten van het geding.

Allianz voert verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het geding en de nakosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

Allianz vordert - samengevat - veroordeling van [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling van

€ 41.057,88 vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot het verschaffen van inzage aan Allianz in het strafdossier van [eiser].

[eiser] voert verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering met veroordeling van Allianz in de kosten van het geding.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

in conventie

[eiser] legt aan zijn vordering tot betaling van € 31.821,88 ten grondslag dat Allianz gehouden is haar verplichtingen tot schade-uitkering onder de inboedelverzekering na te komen. Aan zijn vordering tot betaling van

€ 269.799,00 legt [eiser] ten grondslag dat door het uitblijven van betaling door Allianz van de verzekeringspenningen onder de inboedelverzekering, [eiser] niet in staat was aan zijn hypotheekverplichtingen te voldoen en de hypotheekverstrekker daarom de woning door middel van een openbare veiling te koop heeft aangeboden. De opstal en grond zijn onderhands verkocht voor € 80.201,00. De waarde van de opstal en de grond was € 350.000,00. [eiser] heeft aldus schade geleden tot een bedrag van € 269.799,00, waarvoor Allianz aansprakelijk is wegens toerekenbare tekortkoming. Subsidiair is Allianz een bedrag van € 72.448,00 verschuldigd uit hoofde van de opstalverzekering. De vordering tot betaling van € 450,00 per maand is gegrond op artikel 6.3.4 van de opstalverzekering (pension- en hotelkosten). [eiser] heeft nadat zijn woning was afgebrand zijn intrek genomen in een caravan op een camping. Allianz dient de daarmee gemoeide kosten te voldoen, aldus [eiser].

Allianz heeft een beroep gedaan op verzwijging door [eiser] van diens strafrechtelijk verleden op de aanvraagformulieren met betrekking tot de opstal- en de inboedelverzekering. [eiser] heeft de desbetreffende vraag niet naar waarheid beantwoord en daarmee niet voldaan aan zijn mededelingsplicht. Indien Allianz op de hoogte was geweest van de ware stand van zaken, zou zijn geen verzekeringen met [eiser] hebben afgesloten. Omdat [eiser] zowel in 1993 als in 2001 de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden onjuist heeft beantwoord, terwijl er sprake is van een aanzienlijk strafblad aan zijn zijde, concludeert Allianz dat [eiser] beide keren de opzet heeft gehad om haar te misleiden. Een en ander heeft tot gevolg dat [eiser] geen recht op uitkering heeft, aldus Allianz. Bij conclusie van dupliek heeft Allianz betoogd dat voor de beantwoording van de vraag of [eiser] bij het aangaan van de verzekeringen zijn strafrechtelijk verleden heeft verzwegen het noodzakelijk is om inzage te krijgen in zijn volledige strafblad. [eiser] heeft daaraan niet voldaan. De door hem overgelegde kopieën zijn niet volledig. Het uittreksel Justitiële Documentatie van 15 september 2008 zou 8 pagina's moeten bevatten, maar de pagina's 2 tot en met 5 daarvan zijn niet overgelegd en pagina 6 is voor een deel afgedekt. Van de overgelegde kopie van het uittreksel Justitiële Documentatie van 21 november 2003 zijn de pagina's 3 en 4 voor een (groot) deel afgedekt.

Allianz heeft voorts een beroep gedaan op eigen schuld aan de zijde van [eiser]. Volgens haar is op grond van het rapport van [Z], op grond van aanvullend onderzoek, alsmede op grond van het feit dat [eiser] door het openbaar ministerie als verdachte is aangemerkt, aannemelijk dat [eiser] de hand in de brand heeft gehad. Uit het rapport van [Z] blijkt volgens Allianz dat:

- de brand is aangestoken;

- er een vluchtig brandversnellend middel is gebruikt;

- de verklaringen van [eiser] op een aantal punten niet overeenkomen met de andere verklaringen;

- [eiser] aangekleed rond liep op straat tijdens het blussen van de brand, terwijl hij verklaarde dat hij lag te slapen toen hij de brand ontdekte;

- zijn vrouw zich tijdens de brand heeft aangekleed en daarna is verdwenen;

- [eiser] ten tijde van de brand in zeer slechte financiële positie verkeerde;

- de verklaringen van [eiser] ten aanzien van zijn bluspoging niet kloppen.

Uit aanvullend onderzoek is gebleken dat de brandblusser die bij de woning van [eiser] is aangetroffen, niet van [eiser] is, maar dat hij deze eerder had gestolen van de heer [X]. Gebleken is dat met die brandblusser nooit een bluspoging is ondernomen. Een buurman heeft verklaard dat hij [eiser] tijdens de brand met de brandblusser heeft zien rondlopen en dat [eiser] tegen deze buurman heeft gezegd dat de blusser het niet deed. Achteraf bleek dat volgens de politie de brandblusser uitstekend functioneerde. Nadat [eiser] in de strafrechtelijke procedure was vrijgesproken, heeft Allianz herhaaldelijk om inzage gevraagd in het strafdossier. [eiser] weigert echter gehoor te geven aan dit verzoek. Allianz meent dat zij, gezien het feit dat zij het vermoeden heeft dat [eiser] zelf de hand in de brand heeft gehad en de bewijslast hieromtrent op Allianz rust, belang heeft bij inzage in het strafdossier.

De rechtbank stelt met betrekking tot de verzwijgingkwestie het volgende voorop.

Nu de onderhavige verzekeringen vóór 1 januari 2006 zijn gesloten, is krachtens artikel 221 lid 1 jo 68a lid 2 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (Overgangswet) artikel 7:928 Burgerlijk Wetboek (BW) niet van toepassing. De vraag of [eiser] zijn mededelingsplicht voor of bij aangaan van de verzekeringen heeft geschonden moet worden beantwoord aan de hand van artikel 251 Wetboek van Koophandel (oud). Dit artikel luidde:

"Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer ook te goede trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden zouden zijn gesloten, indien de verzekeraar van den waren staat had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar."

De gevolgen van de verzwijging dienen ingevolge artikel 221 lid 2 jo 68a lid 2 Overgangswet te worden beantwoord aan de hand van artikel 7:930 BW. Ingevolge deze bepaling is de verzekeraar alleen dan geen uitkering verschuldigd, indien hij bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten (lid 4) of indien de verzekeringnemer heeft gehandeld met opzet de verzekeraar te misleiden (lid 5).

De vraag of [eiser] eigen schuld heeft aan de brand moet krachtens artikel 221 lid 2 jo 68a lid 2 Overgangswet worden beantwoord aan de hand van artikel 294 Wetboek van Koophandel (oud). Op grond van dit artikel is de verzekeraar ontslagen van de verplichting de schade te vergoeden indien hij bewijst dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van de verzekerde zelf is veroorzaakt. Hierbij is van belang dat het risico dat onbewezen blijft dat de brand door eigen schuld van de verzekerde is ontstaan, op de verzekeraar rust.

In het kader van het door Allianz te leveren bewijs dat [eiser] de vraag op de aanvraagformulieren naar zijn strafrechtelijk verleden in strijd met de waarheid heeft beantwoord en voor het door Allianz te leveren bewijs dat, als zij de ware stand van zaken had gekend, de verzekeringsovereenkomsten niet had gesloten, kan kennisname van het volledige strafrechtelijke verleden van [eiser] relevant zijn, waarmee met strafrechtelijk verleden - gelet op de tekst van de vraag op de aanvraagformulieren - is bedoeld door [eiser] gepleegde misdrijven. Voor de inboedelverzekering gaat het om in de periode van 21 oktober 1986 tot 21 oktober 1993 gepleegde misdrijven en voor de opstalverzekering om de periode 27 maart 1993 tot 27 maart 2001 gepleegde misdrijven. De rechtbank merkt in dit verband op dat de vraag naar het strafrechtelijk verleden op de aanvraagformulieren weliswaar enige eigen beoordelingsvrijheid bij de aanvrager laat, maar naar haar oordeel heeft [eiser] behoren te begrijpen dat niet alleen misdrijven die in rechtstreeks verband kunnen worden gebracht met de verzekerde risico's voor Allianz van belang konden zijn voor haar beslissingen op de respectieve aanvragen. Zoals ook de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 18 december 2008 heeft overwogen, is de achtergrond van een vraag als deze het redelijke belang van de verzekeraar om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van het morele risico, van de betrouwbaarheid van de (aspirant)-verzekerde. Voor het oordeel dat [eiser] deze achtergrond had moeten begrijpen is van belang dat [eiser] zich bij het invullen van de aanvraagformulieren heeft laten bijstaan door een verzekeringstussenpersoon, die in een brief van 29 november 2008 (productie 10 bij de conclusie van antwoord) aan Allianz heeft gemeld dat de aanvragen met [eiser] zijn besproken en dat "vragen expliciet gesteld en met neen beantwoord" zijn. [eiser] heeft dit niet weersproken. Een verzekeringstussenpersoon wordt geacht te weten met welke bedoeling vragen naar het strafrechtelijk verleden in aanvraagformulieren zijn opgenomen en van een verzekeringstussenpersoon mag daarom verwacht worden dat hij een juiste inschatting maakt ten aanzien van de vraag welke gegevens voor verzekeringsmaatschappijen relevant zijn. De redelijkerwijs te verwachten wetenschap van een verzekeringstussenpersoon ter zake is aan de verzekeringnemer in kwestie toerekenbaar.

Met het voorgaande heeft de rechtbank overigens nog niet beslist of de thans bekend zijnde strafbare feiten ieder afzonderlijk of in samenhang bezien strafbare feiten betreffen die [eiser] aan Allianz had moeten mededelen. De door [eiser] overgelegde kopieën van de Uittreksels Justitiële Documentatie laten de mogelijkheid open dat [eiser] voor meer misdrijven is veroordeeld dan in 2.1 van dit vonnis als vaststaand is aangenomen. Allianz heeft dienaangaande terecht opgemerkt dat bladzijden ontbreken en delen van bladzijden zijn afgedekt.

Voor het door Allianz te leveren bewijs dat [eiser] merkelijke schuld ten aanzien van de brand te verwijten valt, kan kennisname van zijn strafdossier van belang zijn. Zoals blijkt uit het strafvonnis heeft de officier van justitie zich bij de tenlastelegging onder meer gebaseerd op diverse getuigenverklaringen en technisch onderzoek. Deze stukken zijn niet in het geding gebracht. Dat [eiser] door de strafrechter is vrijgesproken van brandstichting, betekent niet dat geen sprake kan zijn van merkelijke schuld in de zin van artikel 294 Wetboek van Koophandel. De toets die de strafrechter moet aanleggen om tot een bewezenverklaring van brandstichting te komen is een zwaardere dan de toets in het civiele recht van merkelijke schuld.

De rechtbank zal [eiser] op grond van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevelen het volledige strafdossier uit de strafzaak tegen hem en de complete Uittreksels Justitiële Documentatie van 21 november 2003 en 15 september 2008 over te leggen. Het is weliswaar Allianz die de aan de verzwijging en merkelijke schuld ten grondslag gelegde feiten dient te bewijzen, maar het zijn feiten die, indien zij zich hebben voorgedaan, onmiskenbaar in het domein van [eiser] liggen. Nu op voorhand aannemelijk is dat het strafrechtelijk verleden van [eiser] van grotere omvang is dan op basis van de thans voor handen stukken blijkt en voorts op voorhand aannemelijk is dat het strafdossier stukken bevat die meer inzicht kunnen verschaffen in de aan het beroep op merkelijke schuld ten grondslag gelegde feiten, behoort [eiser] de complete Uittreksels Justitiële Documentatie en dit volledige strafdossier aan Allianz ter beschikking te stellen. De rechtbank wijst erop dat [eiser] kan weigeren het strafdossier en de complete Uittreksels Justitiële Documentatie in het geding te brengen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. In voorkomend geval beslist de rechter of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.

De rechtbank zal Allianz in de gelegenheid stellen om bij antwoordconclusie te reageren. In afwachting van de conclusie van [eiser] en de reactie daarop van Allianz bij antwoordconclusie, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

De beslissing in reconventie is goeddeels afhankelijk van de uitkomst van de procedure in conventie. De rechtbank houdt daarom iedere beslissing in reconventie aan.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

beveelt [eiser] het volledige strafdossier, bij de rechtbank Arnhem bekend onder parketnummer 05/601763-08 en de complete Uittreksels Justitiële Documentatie d.d. 21 november 2003 en 15 september 2008 over te leggen,

verwijst de zaak daartoe naar de rol van 19 oktober 2011 voor het nemen van een conclusie door [eiser], waarna Allianz op de rol van zes weken daarna een antwoordconclusie kan nemen,

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.

336/1729