Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR7067

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
345980 / HA ZA 10-68
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 203 Fw. Doel van de Faillissementswet is verhaal op gehele vermogen van schuldenaar. Dat doel brengt mee dat curator ook vermogensdelen die zich niet in Nederland bevinden onder zijn bereik en beheer behoort te krijgen, behoudens in zoverre de rechtsorde van betreffende buitenland zich daartegen verzet. Verplichting van 203 Fw strookt met dat doel; paritas creditorum. Verplichting van 203 Fw geldt tav alle schuldeisers, ongeacht woon- of vestigingsplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2012/14
S&S 2012/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 345980 / HA ZA 10-68

Uitspraak: 17 augustus 2011

VONNIS in de zaak van:

[eiser],

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUROPA WEST-INDIË LIJNEN B.V.,

wonende te Bergen op Zoom,

eiser in de hoofdzaak,

advocaat mr. J.P. Hellinga,

- tegen -

de vennootschap naar vreemd recht

CONTAINER LEASING INTERNATIONAL LLC,

h.o.d.n. SEACASTLE CONTAINER LEASING,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen worden hierna aangeduid als “de Curator”, respectievelijk “Seacastle”.

1. Het verdere verloop van het geding

1.1. Voor het verloop van het geding verwijst de rechtbank naar haar tussenvonnis van 21 juli 2010.

Vervolgens hebben partijen de volgende processtukken genomen:

- conclusie van antwoord, met vier producties;

- conclusie van repliek, met zes producties;

- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens conclusie van dupliek, met vijf producties;

- akte tot eisvermindering alsmede tot uitlating producties in de hoofdzaak tevens houdende antwoord in het incident;

- antwoordakte.

1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.

1.3. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken die leidden tot het tussenvonnis van 21 juli 2010 en van de bovengenoemde processtukken.

2. Het tweede onbevoegdheidsincident

2.1. Seacastle heeft naar aanleiding van de eisvermeerdering door de Curator bij conclusie van repliek – in de vorm van een vermeerdering van de grondslag van de vordering in dier voege dat aan de vordering tevens een onrechtmatige daad ten grondslag werd gelegd – incidenteel gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van de op onrechtmatige daad gegronde vordering. Dat bevoegdheidsincident vormt het tweede in deze zaak.

2.2. De Curator heeft daarop gereageerd in zijn akte tot eisvermindering alsmede tot uitlating producties in de hoofdzaak tevens houdende antwoord in het incident. In punt 4 van die akte heeft de Curator de grondslag van zijn vordering verminderd en de onrechtmatige daad als grondslag teruggenomen. In de punten 16 tot en met 18 van die akte gaat de Curator ervan uit dat Seacastle haar vordering tot onbevoegdverklaring zal intrekken en deelt de Curator mede dat hij zich aan het oordeel van de rechtbank refereert indien Seacastle die vordering niet intrekt.

2.3. In haar daarop volgende antwoord akte heeft Seacastle haar vordering tot onbevoegdverklaring niet teruggenomen, zodat die vordering nog ter beoordeling voorligt.

2.4. Zoals hiervoor onder 2.1. en 2.2 is overwogen, richt de vordering tot onbevoegdverklaring zich slechts op de bij conclusie van repliek aangevulde grondslag van onrechtmatige daad. Nu de Curator die grondslag bij akte tot eisvermindering alsmede tot uitlating producties in de hoofdzaak tevens houdende antwoord in het incident heeft teruggenomen, heeft de vordering in het incident haar onderwerp verloren. Daarop stuit de vordering tot onbevoegdverklaring af.

De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten in dit incident bij ieder van partijen te laten, gelet op het hierboven beschreven procesverloop.

3. De beoordeling van vordering in de hoofdzaak

3.1. De curator vordert na de hiervoor in hoofdstuk 2. beschreven vermeerdering en vermindering van de grondslag van zijn vordering – kort gezegd – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Seacastle zal veroordelen om aan de boedel te betalen € 298.222,24, vermeerderd met rente en kosten. De curator stelt daartoe – samengevat weergegeven – het volgende.

3.2. Op 17 oktober 2006 heeft de rechtsvoorganger van Seacastle, Carlisle Leasing International LLC, een leaseovereenkomst gesloten met Europa West-Indië Lijnen B.V. (hierna: EWL) en Wethold International B.V. (hierna: Wethold). Vervolgens hebben partijen op 18 oktober 2006 en 9 februari 2007 twee nadere overeenkomsten gesloten en die vastgelegd in addenda.

3.3. Omdat EWL en/of Wethold niet aan haar betalingsverplichtingen voldeden/voldeed jegens Seacastle, heeft laatstgenoemde op 20 juni 2008 de rechter in de staat New York verzocht om verlof te verlenen voor een zogenaamde “Rule B Attachment” (hierna: RBA) ten laste van EWL en Wethold. De rechter in New York heeft op 24 juni 2008 verlof verleend voor de RBA. Bij beslissing van 18 augustus 2008 heeft de rechter in New York het door middel van de RBA onder BNP Paribas en ABNAmro in de Verenigde Staten gearresteerde bedrag van US$ 472.592,79 toegewezen aan Seacastle. Dat bedrag is vervolgens aan Seacastle uitbetaald.

3.4. Inmiddels was op 9 juli 2008 aan EWL voorlopige surseance verleend en was bij vonnis van 14 juli 2008 EWL in staat van faillissement verklaard, onder gelijktijdige intrekking van de surseance.

3.5. Nu EWL in Nederland failliet is verklaard is het Nederlandse faillissementsrecht van toepassing. Op grond van artikel 33 lid 2 Fw vervallen alle ten laste van de failliet gelegde beslagen op het moment van faillietverklaring. In de onderhavige zaak betekent dit dat het door middel van de RBA gelegde beslag is vervallen op 14 juli 2008.

3.6. Omdat de betaling van US$ 472.592,79 aan Seacastle na de datum van faillietverklaring van EWL heeft plaatsgevonden, dient Seacastle op grond van artikel 203 Fw dat bedrag, omgerekend in euro’s per faillissementsdatum € 298.222,24, aan de boedel te betalen.

3.7. De conclusie van Seacastle strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van de Curator in de proceskosten.

Hieronder wordt op de door Seacastle opgeworpen verweren ingegaan.

3.8. De rechtbank overweegt het volgende.

3.9. Het beroep van de Curator op het bepaalde in artikel 33 lid 2 Fw kan de vordering niet dragen, omdat die bepaling ziet op beslagen gelegd in Nederland, althans in een land waar een in Nederland uitgesproken faillissement rechtstreeks werking heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat de RBA in de Verenigde Staten is geëffectueerd en dat het faillissement van EWL aldaar geen rechtstreekse werking heeft.

3.10. Bij de beoordeling van het beroep van de Curator op het bepaalde in artikel 203 Fw stelt de rechtbank voorop dat deze regel, waaraan de Curator de bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige ontleent, naar Nederlands internationaal privaatrecht moet worden gekwalificeerd als een regel van faillissementsrecht en dat daarom het Nederlandse (faillissements)recht op de vordering van de Curator van toepassing is. De omstandigheid dat de overeenkomst tussen (de rechtsvoorganger van) Seacastle en EWL door het recht van de Verenigde Staten c.q. de staat New York wordt beheerst, maakt dat oordeel niet anders.

3.11. Samengevat weergegeven voert Seacastle tegen de op artikel 203 Fw gegronde vordering het volgende aan.

Artikel 203 Fw heeft geen werking ten aanzien van Seacastle, omdat zij in de Verenigde Staten is gevestigd en zij zich op aldaar aanwezige vermogensbestanddelen van EWL heeft verhaald.

De vermogensbestanddelen van EWL waarop Seacastle zich verhaalde waren aan haar bij voorrang verbonden ingevolge het op de overeenkomst tussen (de rechtsvoorganger van) Seacastle en EWL geldende recht van de Verenigde Staten c.q. de staat New York. Ingevolge artikel 15 van die overeenkomst dient deze te worden aangemerkt als een “maritime contract”. Ingevolge artikel 9 van die overeenkomst stond het Seacastle vrij om ingeval van tekortkoming of (dreigend) faillissement van EWL “assert maritime [..] liens”. Het effectueren van de RBA levert zodanige “maritime lien” op, die voorrang heeft boven alle andere vorderingen.

3.12 Gelet op de standpunten van partijen is het nodig de strekking van artikel 203 Fw nader te bepalen.

Dit wetsartikel luidt sedert 1 december 2005 als volgt:

“Schuldeisers, die na de faillietverklaring hun vordering geheel of gedeeltelijk afzonderlijk verhaald hebben op in het buitenland zich bevindende, aan hen niet bij voorrang verbonden, goederen van de in Nederland gefailleerde schuldenaar, zijn verplicht het aldus verhaalde aan de boedel te vergoeden.”.

3.13. Het doel van de faillissementswet is door het faillissement een gemeenschappelijk verhaal op het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers te verwezenlijken, waarbij het Nederlandse faillissement strekt ten bate van alle crediteuren, zowel Nederlanders als vreemdelingen, ook die welke buiten Nederland woonachtig zijn. Dat doel brengt mee, dat de curator dat gehele vermogen, ook gedeelten die zich niet op Nederlands territoir bevinden, onder zijn bereik en beheer behoort te krijgen, behoudens in zoverre ten aanzien van enig vermogensbestanddeel dat zich in een ander land bevindt de rechtsorde van dat land zich daartegen mocht verzetten.

De in artikel 203 Fw bepaalde verplichting van schuldeisers strookt met dat doel, doordat schuldeisers die buiten het faillissement om betaling hebben verkregen verplicht zijn het aldus ontvangen bedrag aan de faillissementsboedel te betalen, zodat het beginsel van paritas creditorum niet wordt doorkruist.

De verplichting van artikel 203 Fw geldt ten aanzien van alle schuldeisers, ongeacht hun woon- of vestigingsplaats. Uit de tekst van artikel 203 Fw blijkt voorts dat de verplichting geldt ten aanzien van verhaal door een schuldeiser op zich buiten Nederland bevindende vermogensbestanddelen van de gefailleerde. De verplichting van artikel 203 Fw vindt haar begrenzing slechts voor zover de rechtsorde van het betreffende buitenland zich die verplichting verzet.

3.14. De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat de rechtbank daarvan uitgaat bij de verdere beoordeling:

- Seacastle is een schuldeiser van EWL in de zin van artikel 203 Fw;

- EWL was in juni 2008 in gebreke onder de overeenkomst tussen haar en (de rechtsvoorganger van) Seacastle;

- Seacastle heeft vóór de data van het uitspreken van de voorlopige surseance en van het faillissement van EWL in de Verenigde Staten een aanvang gemaakt met uitwinning door middel van de RBA;

- Seacastle heeft door middel van de RBA vermogensbestanddelen van EWL in de Verenigde Staten gearresteerd;

- bij beslissing van de rechter in New York van 18 augustus 2008 is het ten laste van EWL door middel van de RBA gearresteerde bedrag van US$ 472.592,79 aan Seacastle toegewezen; nadien is dat bedrag aan Seacastle betaald.

3.15. Op hetgeen is overwogen in 3.10 en 3.13 stuiten af de verweren dat artikel 203 Fw geen werking heeft ten aanzien van Seacastle, omdat zij in de Verenigde Staten is gevestigd dan wel omdat zij zich op aldaar aanwezige vermogensbestanddelen van EWL heeft verhaald.

3.16. Het verweer dat Seacastle zich heeft verhaald op aan haar bij voorrang verbonden goederen, stuit af op het volgende.

Met de bewoordingen in artikel 203 Fw “aan hen [..] bij voorrang verbonden goederen van de [..] gefailleerde schuldenaar” wordt gedoeld op goederen van de schuldenaar die voor uitspreken van het faillissement ten gunste van de schuldeiser bezwaard waren of aan deze met een recht van voorrang verbonden waren. Daarbij valt te denken aan de vestiging van een recht van hypotheek of pand of de vestiging van een voorrecht op de betreffende goederen.

Gesteld noch gebleken is dat de door de RBA onder BNP Paribas en ABNAmro gearresteerde bedragen al tevoren aan haar waren verbonden. Anders dan Seacastle betoogt, worden goederen niet aan een schuldeiser bij voorrang verbonden in de zin van artikel 203 Fw doordat een schuldeiser (al dan niet onder een “maritime contract”) op goederen van de schuldenaar verhaal neemt (al dan niet met een “maritime lien”).

3.17. Gesteld noch gebleken is dat de rechtsorde van de Verenigde Staten c.q. de staat New York zich in dit geval verzet tegen de toepassing van de verplichting van artikel 203 Fw ten aanzien van Seacastle.

3.18. Seacastle ontving niet eerder betaling van de door middel van de RBA gearresteerde bedragen dan op het moment van uitbetaling daarvan, althans het moment van toewijzing daarvan door de rechter in New York. Derhalve heeft Seacastle pas betaling verkregen na de datum van het uitspreken van het faillissement van EWL.

3.19. Derhalve komt de rechtbank tot de conclusie dat Seacastle ingevolge artikel 203 Fw verplicht is de door haar door de uitoefening van de RBA verkregen bedragen aan de faillissementsboedel te betalen, bij wijze van vergoeding in de zin van dat wetsartikel. De hoofdvordering van de Curator dient daarom te worden toegewezen.

3.20. Anders dan de Curator kennelijk meent, komt de boedel bij een op artikel 203 Fw gegronde vordering niet de wettelijke handelsrente toe, maar de (gewone) wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW. Tegen de gestelde rente-ingangsdatum 14 oktober 2009 heeft Seacastle geen verweer gevoerd.

3.21. Seacastle zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de Curator worden verwezen.

3.22. Tegen de vordering het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, heeft Seacastle gemotiveerd verweer gevoerd. De Curator heeft wel belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Daarom zal de rechtbank, op de voet van artikel 233 lid 3 Rv, aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot het beloop van het ingevolge het vonnis te betalen bedrag door Curator zekerheid voor terugbetaling zal worden gesteld.

4. De beslissing

De rechtbank,

in het incident

wijst de vordering af;

in de hoofdzaak

veroordeelt Seacastle om aan de boedel te betalen € 298.222,24 (tweehonderdachtennegentigduizend tweehonderdtweeëntwintig 24/100 euro) te vermeerderen met de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 oktober 2009 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Seacastle in de aan de zijde van de Curator gevallen proceskosten, tot deze uitspraak bepaald op € 5.998,55 aan verschotten (waarvan € 4.836,- aan griffierecht) en € 7.000,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad onder de voorwaarde dat de Curator genoegzame zekerheid stelt voor de terugbetaling van hetgeen door tenuitvoerlegging van dit vonnis hangende een rechtsmiddel wordt betaald;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 augustus 2011. 1928