Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR7031

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
363413 / HA ZA 10-2886
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdzaak betreft vordering van specialist op specialistenmaatschap wegens gederfde goodwillvergoeding. Twee incidentele procedures: (1) incident tot oproeping van derden in het geding (art. 118 Rv) en (2) bevoegdheidsincident dat voorwaardelijk is ingesteld (voorwaardelijk bevoegdheidsincident).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 118
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2011/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaaknummer / rolnummer: 363413 / HA ZA 10-2886

Vonnis van 17 augustus 2011

in de zaak van

[eiser]

wonende te Den Haag,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in de incidenten,

advocaat mr. M.K. van den Berge,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te Acquoy,

2. [gedaagde 2],

wonende te Etten-Leur,

3. [gedaagde 3],

wonende te Bergen op Zoom,

4. [gedaagde 4],

wonende te Rotterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in de incidenten,

advocaat mr. G.J. Verduijn

en

5. de stichting

STICHTING RIVAS ZORGGROEP,

gevestigd te Gorinchem,

opgeroepen op grond van artikel 118 Rv,

advocaat: mr. G.J. Verduijn.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde 1] c.s. en Rivas worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding met producties,

- akte overlegging nadere producties,

- conclusie van antwoord met producties,

- tussenvonnis d.d. 5 januari 2011,

- brief van 9 maart 2011 van mr. Verduijn met productie 25,

- akte van [gedaagde 1] c.s. d.d. 10 maart 2011,

- akte na tussenvonnis houdende aanvulling van de grondslag van de eis voorzover vereist, vermeerdering van eis, tevens overlegging (nadere) producties,

- proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 10 maart 2011,

- akte zijdens [eiser] d.d. 13 april 2011 (waarbij is gevoegd het oproepingsexploot aan Rivas),

- antwoordakte in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv tevens houdende voorwaardelijke exceptie van onbevoegdheid ex artikel 1022 Rv met producties,

- antwoordakte in het incident tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv,

- conclusie van antwoord in het voorwaardelijk bevoegdheidsincident met producties,

- akte uitlating producties in het incident tot onbevoegdheid.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is plastisch chirurg. Vanaf 1 november 2004 heeft [eiser] een deeltijdpraktijk (0,6 fte) uitgeoefend in het Beatrixziekenhuis (verder: BZ) in Gorinchem. In het BZ werd een dergelijke praktijk niet gevoerd.

2.2. Het BZ wordt geëxploiteerd door Rivas. Tussen Rivas en [eiser] is een Toelatingsovereenkomst op 1 mei 2005 tot stand gekomen. Hij heeft geen goodwill betaald aan Rivas. In artikel 27 van deze overeenkomst is een arbitraal beding opgenomen waarin is vermeld dat het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (verder: het Scheidsgerecht) de bevoegde rechter is. Dit artikel luidt als volgt:

27.1 Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst, dan wel van nadere overeenkomsten die daaruit voortvloeien, zullen partijen in onderling overleg trachten tot een oplossing te brengen, zodanig en indien door partijen gewenst, met inschakeling van een daartoe in gezamenlijk overleg te benoemen bemiddelaar.

27.2 Indien met betrekking tot deze geschillen door partijen geen vergelijk wordt bereikt zullen deze geschillen worden beslecht door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg overeenkomstig het reglement van dat Scheidsgerecht.

27.3 (…)”

2.3. [gedaagde 1] c.s. vormen een maatschap plastische chirurgie in het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht (verder: ASZ).

2.4. Patiënten uit de omgeving Gorinchem werden, voordat BZ [eiser] aanstelde, geholpen door [gedaagde 1] c.s. In het jaar 2006 heeft Rivas een bedrag van € 30.000,00 voldaan aan [gedaagde 1] c.s. Dit is een schikkingsbedrag omdat [gedaagde 1] c.s. schade leden door de aanstelling van [eiser]; zij kregen hierdoor minder patiënten.

2.5. Rivas heeft de toelating van [eiser] opgezegd tegen 1 januari 2010. Rivas en [eiser] kwamen nader overeen dat [eiser] ingaande 1 september 2009 zijn praktijk in het BZ zou beëindigden, hetgeen is uitgevoerd.

2.6. Uit het arbitraal vonnis van het Scheidsgerecht d.d. 15 juni 2010, dat tussen [eiser] en Rivas gezag van gewijsde heeft, blijkt het volgende. [eiser] heeft onder andere gevorderd dat Rivas aan hem zal betalen een bedrag aan goodwill. Deze vordering is door het Scheidsgerecht afgewezen met de volgende overweging:

“4.5. De arts heeft bij zijn toelating geen goodwill betaald. Een contractuele grond die de stichting verplicht aan hem de goodwill van de praktijk te vergoeden ontbreekt. Nu de arts het afbreken van de onderhandelingen ook zelf heeft veroorzaakt door een naar het oordeel van het Scheidsgerecht niet te billijken eis dat de stichting zou afzien van de gebruikelijke afrekening van aan de arts honoraria onder aftrek van betaalde voorschotten en verschuldigde kosten, is er ook geen reden voor toewijzing van schadevergoeding te dezer zake.”

2.7. Tussen [gedaagde 2], een van de maatschapsleden (van [gedaagde 1] c.s.), en Rivas is met ingang van 1 oktober 2009 een waarnemingsovereenkomst tot 1 april 2010 aangegaan met betrekking tot de praktijk plastische chirurgie in het BZ (verder: de Waarnemingsovereenkomst).

2.8. Vanaf 1 januari 2011 hebben [gedaagde 1] c.s. met Rivas afgesproken dat zij de praktijk in het BZ verder exploiteren.

2.9. DBC staat voor Diagnose Behandel Combinatie. Dit zijn door een specialist te declareren prestaties bij de zorgverzekeraar.

3. De vorderingen van [eiser] en de (incidentele) verweren van [gedaagde 1] c.s. en Rivas

3.1. De gewijzigde vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] c.s. luiden als volgt:

“dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR

1. voor recht verklaart dat Dr [gedaagde 1], Dr [gedaagde 2], Dr [gedaagde 3] en Dr [gedaagde 4] c.q. de Maatschap plastische chirurgie van het Albert Schweitzer Ziekenhuis te Dordrecht onzorgvuldig hebben/heeft gehandeld ten opzichte van Dr [eiser] en dat Dr [eiser] daardoor schade heeft geleden; en

2. die schade bepaalt op het bedrag van de gemiddelde omzet in de jaren (enerzijds) 2005-2007, ad EUR 145.000 en (anderzijds) de jaren 2008-2009 ad EUR 65.000, ofwel op EUR 105.000 dan wel op enig ander bedrag dat de rechtbank ten dezen billijk voorkomt, zulks te vermeerderen met rente sedert 1 september 2009, althans sedert 1 januari 2010, alsmede te vermeerderen met alle kosten gemoeid met de verkrijging van die schadevergoeding, bestaande uit de volledige kosten van rechtsbijstand, zoals in deze procedure gespecificeerd in het geding gebracht; alsmede

3. gedaagden uit hoofde daarvan voorwaardelijk veroordeelt, des dat en voorzover de een betalende, de anderen zullen zijn bevrijd:

a. tot betaling, binnen 4 werkdagen na betekening van het onderhavige vonnis, van EUR 105.000, aan vervangende schadevergoeding voor goodwill; en

b. tot betaling, binnen 4 werkdagen na betekening van het onderhavige vonnis, van een bedrag van minimaal EUR 12.000 als tegemoetkoming in de volledige kosten van rechtsbijstand, te vermeerderen met 19% BTW over dat bedrag; dan wel

SUBSIDIAIR

1. gedaagden veroordeelt tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking aan bepaling van de goodwill van de praktijk plastische chirurgie zoals die tot 1 september 2009 door Dr [eiser] in het Beatrixziekenhuis (Gorinchem) is gevoerd, via de (richtlijnen van de) Orde van Medische Specialisten, daarbij inbegrepen het bij aangetekende verzending inbrengen van de relevante financiële gegevens, zulks onder oplegging van een direct en zonder nadere aanmaning opeisbare dwangsom van Euro 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag waarop gedaagde(n) na betekening van het ten deze te wijzen vonnis met de voldoening aan de ten deze te wijzen veroordeling in gebreke blijft;

2. gedaagden hoofdelijk veroordeelt, des dat en voorzover de een betalende, de anderen zullen zijn bevrijd:

tot betaling, binnen 4 werkdagen na betekening van het onderhavige vonnis, van een bedrag van minimaal EUR 12.000 als tegemoetkoming in de volledige kosten van rechtsbijstand, te vermeerderen met 19% BTW over dat bedrag;

PRIMAIR EN SUBSIDIAIR:

4. gedaagden hoofdelijk veroordeelt, des dat en voorzover de een betalende, de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, tot betaling binnen 1 werkdag na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, van de buitengerechtelijke kosten ad € 904,-, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding; en

5. gedaagden hoofdelijk veroordeelt, des dat en voorzover de een betalende, de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, in alle kosten van dit geding, die der eventuele getuigen daaronder begrepen, zulks met de bepaling dat indien die kosten niet binnen 4 werkdagen na de datum van het vonnis zijn voldaan, daarover rente verschuldigd is.”

3.2. In zijn akte d.d. 13 april 2011 wijzigt [eiser] in zoverre de eis, kort gezegd, dat Rivas tevens hoofdelijk dient te worden veroordeeld, naast [gedaagde 1] c.s. betreffende deze vorderingen.

3.3. [gedaagde 1] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en eisen dat hij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure. Wat betreft de oproeping van Rivas concluderen zij, net als Rivas, dat de rechtbank bij incidenteel vonnis het verzoek van [eiser] tot oproeping van Rivas afwijst, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident. Voor zover de rechtbank haar oproeping toelaat, concludeert Rivas tot onbevoegdheid van de rechtbank omdat met [eiser] een arbitraal beding is overeengekomen, zulks met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in de incidenten en in de hoofdzaak

Inleiding

4.1. Aan zijn vorderingen tegen [gedaagde 1] c.s. legt [eiser] blijkens zijn akte d.d. 10 maart 2011 het volgende ten grondslag:

“Primair art. 6:162 BW; de onrechtmatige gedragingen van gedaagden bestaan eruit dat zij de praktijk van eiser hebben waar- en overgenomen terwijl zij wisten of behoorden te weten dat de overdrager van de praktijk daartoe niet bevoegd was of althans dat daarover discussie bestond. Zij hadden in verband daarmee in de wetenschap dat [eiser] niet langer gewenst was door Rivas, geen genoegen behoren te nemen met de simpele stelling van Rivas dat de praktijk haar toebehoorde. Gedaagden hebben bovendien geen bewijs overgelegd, noch aangeboden, van die stelling. En althans hebben zij hun standpunt niet aangepast of nader onderzoek gepleegd vanaf het moment dat (ook) zij moesten twijfelen aan de stelling van Rivas. (…),

Subsidiair art. 6:212 BW: het feitelijk overnemen van de praktijk van [eiser] zonder goodwillvergoeding te betalen, levert in de gegeven omstandigheden (…) een ongerechtvaardigde verrijking van gedaagden op.”

4.2. Aan zijn vorderingen tegen Rivas legt [eiser] blijkens zijn akte d.d. 13 april 2011 met daarbij gevoegd het oproepingsexploot d.d. 5 april 2011 het volgende ten grondslag onder 26:

“Vervolgens heeft zich als advocaat voor [gedaagde 1] cs gemeld Mr. G.J. Verduijn, te Utrecht, die – samengevat voor zover relevant – aangeeft dat (a) zijn cliënte(n) louter waarnemen in de praktijk, die toebehoort aan Rivas, (b) dat [eiser] ten opzichte van Rivas blijkens het arbitraal vonnis geen grond voor het claimen van goodwill heeft, en tot slot (c) dat Rivas zich het recht voorbehoudt zich in de onderhavige procedure te voegen aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. dan wel in die procedure tussen te komen.”

4.3. [eiser] concludeert dat aldus Rivas mede hoofdelijk dient te worden veroordeeld tot betaling van de bedragen die hij van [gedaagde 1] c.s. vordert.

“Incident” op grond van artikel 118 Rv

4.4. Uit de processtukken blijkt dat partijen een oordeel van de rechtbank willen hebben over de toelaatbaarheid van de oproeping door [eiser] van Rivas in het geding op grond van artikel 118 Rv. Formeel gesproken is dit geen incident.

4.5. De rechtbank overweegt het volgende. Soms blijkt het noodzakelijk om een derde in het geding op te roepen als een rechterlijke beslissing diens belangen raakt. Aldus dient deze derde in de procedure door de rechter te worden gehoord. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat artikel 118 Rv ziet op gevallen waarin sprake is van een uitdrukkelijke wetsbepaling (bijvoorbeeld artikel 3:20 lid 2 BW, 5:95 BW en artikel 438 lid 2 Rv). In de jurisprudentie komt het geval voor van een huurrechtelijk geschil waarin het onontbeerlijk blijkt dat ook de eigenaar van de woning in het geding wordt betrokken (bijvoorbeeld “gehengen en gedogen”). In de literatuur wordt ook wel het voorbeeld van de exceptio plurium litis consortium genoemd: er is een rechtsbetrekking waar derden bij zijn betrokken en waarvan het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing jegens allen luidt in gelijke zin.

4.6. [gedaagde 1] c.s. en Rivas bestrijden dat een dergelijk geval zich hier voordoet. De rechtbank volgt hen in deze stellingname en overweegt als volgt. De oproeping is niet gebaseerd op een uitdrukkelijke wetsbepaling. Evenmin is het zo dat Rivas enkel een doen of nalaten van [gedaagde 1] c.s. moet gehengen of gedogen. Het derde geval gaat ook niet op; de rechtsverhouding tussen [eiser] en Rivas is er een van contractuele aard (de Toelatingsovereenkomst) terwijl de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde 1] c.s., op grond van de eigen stellingen van [eiser], dit niet is. Hij baseert zijn vorderingen immers op onrechtmatige daad dan wel op ongerechtvaardigde verrijking. Het is zonder meer mogelijk dat de vorderingen van [eiser] jegens [gedaagde 1] c.s. worden toegewezen zonder dat dit Rivas raakt. Gelet op de door [eiser] gevraagde hoofdelijke veroordeling van Rivas naast [gedaagde 1] c.s. lijkt het er veeleer op dat [eiser] Rivas als volwaardige procespartij in het geding wil betrekken. Daar is artikel 118 Rv niet voor bedoeld. Dit betekent dat de rechtbank oordeelt dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen jegens Rivas.

Voorwaardelijke bevoegdheidsincident

4.7. De rechtbank komt aldus niet toe aan het voorwaardelijke bevoegdheidsincident en zal daarover geen beslissing nemen. In zijn stukken rept [eiser] van proceseconomie. Met enige goede wil kan daarin worden gelezen dat hij met de oproeping op grond van artikel 118 Rv een fout wil herstellen, namelijk het niet direct mee-dagvaarden van Rivas bij inleidende dagvaarding. Daargelaten dat artikel 118 Rv daarvoor niet is bedoeld, overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende.

4.8. Uitgaande van een dergelijke welwillende lezing van de stellingen van [eiser] dient nota te worden genomen van het volgende. Rivas beroept zich op het arbitraal beding in de Toelatingsovereenkomst. Hierop reageert [eiser] als volgt:

a. de vorderingen tegen Rivas worden in de onderhavige procedure gebaseerd op onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking en daarop ziet het arbitraal beding niet;

b. de voorwaarde van het arbitraal beding is niet in vervulling gegaan; Rivas heeft categorisch mediation geweigerd;

c. artikel 6:248 BW: het zou in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als het arbitragebeding gelding behoudt.

4.9. De rechtbank volgt deze argumentatie van [eiser] niet. Het is duidelijk dat de vordering tot betaling van goodwill van [eiser] jegens Rivas haar grondslag vindt in haar contractuele verhouding tot Rivas. Zonder Toelatingsovereenkomst zou [eiser] nooit de praktijk als plastisch chirurg in het BZ hebben kunnen uitoefenen en dus ook nooit jegens Rivas een claim betreffende goodwill kunnen hebben. Artikel 27.1 van de Toelatingsovereenkomst is ruim geredigeerd (“Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de onderhavige overeenkomst,….”). Het feit dat [eiser] nu andere rechtsgronden aan zijn vordering ten grondslag wil leggen, maakt niet dat de overheidsrechter bevoegd wordt, zulks tegen de achtergrond dat [eiser] deze rechtsgronden natuurlijk ook in de arbitrale procedure had kunnen inroepen.

4.10. Evenmin kan worden gesteld dat Rivas overleg en mediation heeft geweigerd. Uit de tekst van het arbitraal beding blijkt immers dat beide partijen met mediation moeten instemmen. Het is niet zo dat als een van partijen geen mediation wil er dus geen arbitrage kan plaatsvinden, laat staan dat de gang naar de overheidsrechter dan zou openstaan.

4.11. De rechtbank overweegt dat geen sprake is van het geval van artikel 6:248 BW, gelet op hetgeen onder 4.9. is overwogen.

4.12. De rechtbank overweegt dat aldus het arbitrale beding eraan in de weg staat om, al dan niet via de weg van artikel 118 Rv, Rivas als volwaardige procespartij in het geding te betrekken. [eiser] zou, in het geval van een dergelijke welwillende lezing van zijn stellingen, worden geconfronteerd met een onbevoegdverklaring, zo overweegt de rechtbank ten overvloede.

De hoofdzaak – onrechtmatige daad

4.13. De rechtbank dient thans, gelet op de door [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde rechtsgrond, te beoordelen of [gedaagde 1] c.s. zich jegens hem onrechtmatig hebben gedragen.

4.14. Anders dan [eiser] stelt komt de rechtbank niet tot het oordeel dat [gedaagde 1] c.s. zich jegens hem onrechtmatig hebben gedragen. Daartoe wordt het volgende in aanmerking genomen.

4.15. In de jurisprudentie is aangenomen dat het mogelijk is dat contractspartijen aansprakelijk kunnen zijn jegens een derde (zie o.a. HR 26 januari 2006, LJN BZ1084 en HR 24 september 2004, LJN AO9069). Het is mogelijk dat de belangen van een derde zo nauw betrokken zijn bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of nadeel ondervindt als een contractspartij in de uitvoering te kort schiet. Begrijpt de rechtbank het goed, dan stelt [eiser] dat [gedaagde 1] c.s. de Waarnemingsovereenkomst niet hadden mogen aangaan en evenmin de Toelatingsovereenkomst na zijn vertrek omdat hierdoor hij geen goodwill zou kunnen ontvangen. Uit voormelde jurisprudentie blijkt dat de normen van hetgeen een contractspartij in het maatschappelijk verkeer betaamt meebrengen dat de contractspartij de belangen van de derde dient te ontzien door zijn gedrag mede door diens belangen te laten bepalen. De rechter dient rekening te houden met alle ter zake dienende belangen, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en de strekking van de overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of de betrokkenheid voor de contractspartij kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag of het voor de contractspartij bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling.

4.16. Alhoewel niet gezegd kan worden dat [eiser] zijn stellingen toespitst op deze in de rechtspraak ontwikkelde criteria begrijpt de rechtbank dat hij zich beroept op de volgende, kort en zakelijk, weer te geven stellingen:

a. [eiser] heeft de praktijk in het BZ vanaf de grond opgebouwd,

b. na zijn komst heeft Rivas zich genoodzaakt gezien € 30.000,00 aan goodwillvergoeding aan [gedaagde 1] c.s. te betalen. [gedaagde 1] c.s. claimde overigens een bedrag van € 75.000,00,

c. Rivas stelde jegens [eiser] dat zij door deze betaling de eigendom van de praktijk had en zij probeerde (overigens tevergeefs) dit bedrag aan hem door te belasten,

d. bij de onderhandelingen over zijn vertrek bij het BZ stelde Rivas als voorwaarde dat hij zijn DBC’s zou openlaten, zodat zijn opvolgers daarin zouden kunnen verder werken,

e. Rivas heeft zich niet gehouden aan de beëindigingafspraken die op een haar na waren uitonderhandeld. In dat kader heeft Rivas aan [eiser] een goodwillvergoeding aangeboden (zie ook het vonnis van het Scheidsgerecht waaruit dat blijkt),

f. de Waarnemingsovereenkomst is pas later geproduceerd,

g. [gedaagde 1] c.s. kunnen de bestaande praktijk voortzetten zonder enige goodwillverplichting jegens [eiser],

h. Rivas en [gedaagde 1] c.s. moeten contact met elkaar hebben gehad voor 1 september 2009. Rivas moest immers voorzien in waarneming nu zij de Toelatingsovereenkomst heeft opgezegd. [eiser] verwijst naar enkele e-mails.

4.17. [gedaagde 1] c.s. voeren tegen deze stellingen gemotiveerd verweer waarop de rechtbank hierna, voor zover nodig, zal ingaan.

4.18. Zoals in 2.4 is vastgesteld werden patiënten voor de komst van [eiser] bediend door [gedaagde 1] c.s. Rivas heeft vervolgens besloten om [eiser] aan te stellen in het BZ en gedurende de periode 1 mei 2005 tot 1 oktober 2009 is er geen sprake geweest van enige samenwerking ten aanzien van deze praktijk tussen [eiser] en [gedaagde 1] c.s. en evenmin tussen [gedaagde 1] c.s. en Rivas. Wel heeft Rivas zich, na correspondentie tussen hun raadslieden, genoodzaakt gezien om een bedrag van € 30.000,-- aan goodwillvergoeding te betalen aan [gedaagde 1] c.s. wegens, kort gezegd, minder patiënten door de aanstelling van [eiser] in het BZ. Hiermee heeft [eiser] geen bemoeienis gehad en evenmin heeft hij hier enig financieel nadeel van ondervonden.

4.19. Voorts blijkt uit de stukken dat gaande de samenwerking tussen [eiser] en Rivas op grond van de Toelatingsovereenkomst er steeds meer wrijving ontstaat. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] c.s. hierin een rol hebben gespeeld. Integendeel, uit de stukken (zie producties 8 tot en met 12 bij antwoord) blijkt dat de verstandhouding tussen [gedaagde 1] c.s. en Rivas in die periode verre van optimaal was.

4.20. Verder staat vast (2.5.) dat Rivas de Toelatingsovereenkomst heeft opgezegd en dat met Rivas is afgesproken dat [eiser] eerder vertrekt. [eiser] heeft per e-mail d.d. 10 september 2009 aan Rivas geschreven: “De verantwoordelijkheid voor de (plastische) patiëntenzorg ligt per 1 september 2009 bij Rivas.” Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] c.s. hiermee enige bemoeienis hebben gehad; veeleer blijkt dat [eiser] met gezwinde spoed wilde vertrekken uit het BZ. Uit de stukken blijkt dat tussen Rivas en [eiser] onenigheden zijn gerezen over de aard en de omvang van de plastisch chirurgische werkzaamheden in het BZ en de samenwerking met andere specialisten en afdelingen. Vast staat voorts (2.6.) dat het Scheidsgerecht heeft geoordeeld dat Rivas niet verplicht is om goodwill aan [eiser] te betalen.

4.21. Daarna komt een Waarnemingsovereenkomst tot stand tussen Rivas en [gedaagde 1] c.s. met betrekking tot de praktijk in het BZ. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] c.s. op enigerlei wijze hiermee de belangen van [eiser] hebben geschaad. De Toelatingsovereenkomst was immers reeds beëindigd en de waarneming van deze praktijk was noodzakelijk in verband met de patiëntenzorg, hetgeen door [gedaagde 1] c.s. wordt geïllustreerd door erop te wijzen dat het BZ afspraken met patiënten moest annuleren. De rechtbank acht het vanzelfsprekend dat als een specialist wegvalt en er geen collega in het ziekenhuis is die de werkzaamheden kan overnemen dat BZ (Rivas) actie moet nemen om zo snel mogelijk een waarnemer in te zetten. Onbetwist is gesteld dat normaliter de specialist zelf voor waarneming zorgt, hetgeen overigens een verplichting is van [eiser] op grond van artikel 10.1 van de Toelatingsovereenkomst.

4.22. Vervolgens komen Rivas en [gedaagde 1] c.s. tot zaken met ingang van 1 januari 2011; [gedaagde 1] c.s. worden praktijkhouder in het BZ. Duidelijk is dat dit is gepasseerd ruim nadat tussen Rivas en [eiser] overeenstemming was bereikt over zijn eerdere vertrek terwijl de overgelegde Waarnemingsovereenkomst geen regels over goodwillvergoeding kent en over en weer met inachtneming van een termijn van een maand opzegbaar is.

4.23. De rechtbank constateert dat gesteld noch gebleken is dat het Rivas niet was toegestaan, na het vertrek van [eiser], om met willekeurig welke andere (maatschap van) plastische chirurgen in zee te gaan. Aldus kan niet worden gezegd dat [eiser] als een derde heeft te gelden in de zin van voormelde jurisprudentie. [eiser] suggereert dat Rivas met [gedaagde 1] c.s. in zee is gegaan vanwege de mogelijkheid van verrekening van voormeld bedrag van € 30.000,00, maar dat is niet komen vast te staan. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat haar niet is gebleken van een opzet, zoals [eiser] suggereert, tussen [gedaagde 1] c.s. en Rivas om hem financieel nadeel te laten ondervinden.

4.24. Tot slot wordt overwogen dat [eiser] zelf een andere uitkomst van de goodwillkwestie had kunnen bewerkstelligen. Indien hij zelf pogingen zou hebben ondernomen zijn praktijk, in overleg met Rivas, te verkopen of zelf te voorzien in zijn waarneming, zou de situatie er mogelijk anders hebben uitgezien. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] hiertoe niet zelf actie zou hebben kunnen ondernemen door [gedaagde 1] c.s. of willekeurig welke andere plastische chirurgen te benaderen. Ook in die zin is de rechtbank er niet van overtuigd dat [eiser] heeft te gelden als een derde die ervan uit mocht gaan dat zijn opvolger zich zijn belangen zou aantrekken.

4.25. Voormelde overwegingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat door [gedaagde 1] c.s. niet onrechtmatig jegens [eiser] is gehandeld.

De hoofdzaak – ongerechtvaardigde verrijking

4.26. Blijkens het proces-verbaal van comparitie van partijen hebben [gedaagde 1] c.s. aangevoerd dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking vanwege:

a. [eiser] is er niet armer op geworden,

b. er is geen ongerechtvaardigde verrijking omdat [gedaagde 1] c.s. met Rivas een overeenkomst om baat hebben gesloten,

c. er bestaat geen causaal verband tussen de gestelde verarming van [eiser] en de gedragingen van [gedaagde 1] c.s.,

d. de praktijk van [eiser] was inmiddels geheel verlopen zodat er geen sprake is van verrijking.

4.27. De rechtbank overweegt het volgende. Voor een geslaagd beroep op ongerechtvaardigde verrijking is van belang dat er voldaan is aan de volgende vereisten:

1. verrijking van de een (in casu [gedaagde 1] c.s.),

2. verarming van de ander (in casu [eiser]),

3. causaal verband tussen de verrijking en de verarming,

4. ongerechtvaardigdheid.

4.28. Ten aanzien van de eerste twee punten constateert de rechtbank dat hiervoor nader onderzoek noodzakelijk zou zijn naar de waarde van de praktijk nu partijen hierover inhoudelijk twisten.

4.29. De rechtbank zal echter niet besluiten tot een dergelijk onderzoek nu de vereisten 3 en 4 in de weg staan aan toewijzing van de vorderingen van [eiser]. Uit de Waarnemingsovereenkomst blijkt dat sprake is van een dagvergoeding die Rivas aan [gedaagde 2] (lid van de maatschap [gedaagde 1] c.s.) betaalt. Deze dagvergoeding (het woord zegt het al) houdt geen verband met de aard of de inhoud van de werkzaamheden; het gaat om een gewerkte doordeweekse dag. [gedaagde 2] heeft geen recht op goodwill. Onbetwist is dat op deze basis tot 1 januari 2011 is gewerkt en dat [eiser] op 1 september 2009 is gestopt met werken in het BZ. Dit betekent dat niet kan worden gezegd dat de praktijk per 1 januari 2011 dezelfde is als die per 1 september 2009. Voorts geldt in dit verband hetgeen hiervoor onder 4.23. en 4.24. is overwogen.

4.30. Daarnaast wordt overwogen dat voor het aannemen van “ongerechtvaardigheid” bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn. In het algemeen is het immers zo dat een derde bij een overeenkomst geen recht op vergoeding heeft ten aanzien van een vermogensbestanddeel (goodwill) waartoe hij in het verleden gerechtigd was en waarvan hij de omvang kon beïnvloeden indien hij deze goodwill op grond van een overeenkomst met een ander (in casu Rivas) kan claimen bij einde van, in dit geval, de Toelatingsovereenkomst. Naar de eigen stellingen van [eiser] is dit het geval nu hij immers een claim, zowel in het kader van de onderhandelingen als in het kader van de arbitrale procedure, bij Rivas heeft neergelegd. [eiser] had bovendien rekening kunnen houden met de voor de hand liggende situatie dat in “zijn praktijk” zich na zijn vertrek een opvolger zou melden. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 4.23. en 4.24. is overwogen.

4.31. Aldus oordeelt de rechtbank dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

4.32. Als in het ongelijk gestelde partij dient hij de in kosten van de procedure te worden veroordeeld. Nu Rivas dezelfde advocaat als [gedaagde 1] c.s. heeft zal de rechtbank de proceskostenveroordeling ten gunste van alle gedaagden brengen ter nadere onderlinge verrekening.

5. De beslissing

De rechtbank:

in het “incident” op grond van artikel 118 Rv:

wijst het verzoek van [eiser] om Rivas als derde in het geding te roepen af;

in het voorwaardelijke bevoegdheidsincident:

verstaat dat hierin geen beslissing behoeft te worden genomen,

in de hoofdzaak:

wijst de vorderingen van [eiser] af,

in de hoofdzaak en in de incidenten:

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van gedaagden begroot op € 317,00 aan griffierecht en op € 5.684,00 aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2011.?

1354/1295