Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR6650

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
AWB 11/1314 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brief van het Bedrijfstakpensioenfonds is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat daarin geen rechtsoordeel naar aanleiding van een verzoek of aanvraag wordt gegeven, terwijl niet is gebleken dat het doen van een aanvraag – verzoek om vrijstelling – onevenredig bezwarend is voor eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/1314 BC-T2

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Mars Nederland B.V., gevestigd te Veghel, eiseres,

gemachtigden mr. P.G. Vestering en mr. F. Onrust, advocaten te Amsterdam,

en

de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Zoetwarenindustrie (hierna ook te noemen Bpf Zoetwaren), voorheen

de stichting Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Suikerwerk- en Chocoladeverwerkende Industrie (hierna ook te noemen Bpf Snoep), verweerster,

gemachtigde mr. S. Sanou-Leurink, werkzaam bij Syntrus Achmea Pensioenbeheer, administrateur van verweerster.

1 Overwegingen

1.1 Bij brief van 21 oktober 2010 heeft verweerster eiseres onder meer het volgende meegedeeld:

“Het bestuur heeft op grond van de wijziging van het maximum loon per 1 januari 2011, besloten de vrijstelling zoals verleend aan Mars Nederland B.V. voor een deel van de werknemers in dienst bij Mars Nederland B.V. te handhaven. Namelijk voor de werknemers die op 31 december 2010 een salaris hebben boven het maximum loon van 31 december 2010 en die reeds op 31 december 2010 deelnemen in het Pensioenfonds Mars.”

en

“Het bestuur heeft op grond van de wijziging van het maximum loon per 1 januari 2011 besloten de huidige vrijstellingsbeschikking (van 8 augustus 1994) niet voor alle werknemers in dienst van Mars Nederland te handhaven per 1 januari 2011. Dat betekent dat de werknemers van Mars Nederland B.V. die per 31 december 2010 deelnemen aan de pensioenregelingen van Bpf Snoep, onder de pensioenregeling(en) van Bpf Snoep blijven. Het bestuur overweegt Mars Nederland B.V. (onverplicht) vrijstelling te verlenen van verplichte deelname in het Bpf Snoep voor dat deel van haar werknemers boven het maximum loon geldend per 1 januari 2011, onder de voorwaarde dat de pensioenregeling van Mars Nederland B.V. per 1 januari 2011 actuarieel en financieel gelijkwaardig is (artikel 7, vijfde lid van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000).”

1.2 Bij brief van 17 november 2010 heeft eiseres verweerster verzocht deze brief in heroverweging te nemen en voor zover de brief moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de brief als een bezwaarschrift daartegen te beschouwen.

1.3 Bij brief van 7 februari 2011 heeft verweerster eiseres meegedeeld dat haar reactie van 21 oktober 2010 een informatieve brief was en dat er nog geen sprake was van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

1.4 Daartegen heeft eiseres bij brief van 18 maart 2011 beroep ingesteld, om versnelde behandeling verzocht en om toepassing van een bestuurlijke lus.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden, vergezeld door R.A.H.J. van Berlo, werkzaam bij eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

1.6 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

1.7 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 21 oktober 2010 een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt en derhalve een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Eiseres heeft betoogd dat de rechten en verplichtingen van eiseres wijzigen als gevolg van dit besluit, in die zin dat de bestaande vrijstelling wordt ingeperkt, waardoor eiseres vanaf 1 januari 2011 gehouden is ook voor werknemers met een hoger salaris de pensioenregeling van verweerster toe te passen.

1.8 De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. De rechtbank stelt aan de hand van de inhoud vast dat de brief van 21 oktober 2010 niet kan worden aangemerkt als een door verweerster gegeven rechtsoordeel naar aanleiding van een verzoek of aanvraag, terwijl niet is gebleken dat het doen van een aanvraag - verzoek om vrijstelling - onevenredig bezwarend is voor eiseres. Hieruit volgt dat geen sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat de brief niet een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 augustus 2004, LJN AQ7004, en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 8 augustus 2000, JOR 2001, 65. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de loop van het jaar 2010 in de bestuursvergaderingen van verweerster, waarin een vertegenwoordiger van eiseres zitting heeft, is gesproken over de vrijstelling van eiseres met het oog op de fusie tussen het Bpf Snoep en de stichting Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Suikerverwerkende Industrie (Bpf Koek) per 1 januari 2011 tot het Bpf Zoetwaren. Dat de brief van 21 oktober 2010 - zoals verweerster heeft betoogd - bedoeld was om het voorlopig standpunt van verweerster naar aanleiding van de ter vergadering van de zijde van de vertegenwoordiger gerezen vragen te verduidelijken, omdat het Bpf Snoep niet kon treden in een beslissing die het na de fusie in functie tredende bestuur toekwam, acht de rechtbank aannemelijk. Daarvoor ziet de rechtbank te meer aanleiding nu inmiddels bij brief van 27 juni 2011 een verzoek om vrijstelling is gedaan. Tegen de afwijzing van dit verzoek van 14 juli 2011 zal - zoals ter zitting is gebleken - bezwaar worden gemaakt.

1.9 Gelet op het vorenstaande heeft verweerster dan ook terecht het bezwaar van eiseres tegen de brief van 21 oktober 2010 niet ontvankelijk verklaard.

1.10 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Aan de toepassing van een bestuurlijke lus komt de rechtbank dan ook niet toe. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

2 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. Kleingeld-Top, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 18 augustus 2011.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.