Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR6643

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
AWB 10/3839 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres komt op tegen de beslissing van DNB om uit hoofde van het depositogarantiestelsel (Bbpm) voor depositohouders van DSB een vergoeding toe te kennen van ongeveer € 80.000, terwijl aan haar partner het maximumbedrag van € 100.000 wordt uitgekeerd. DNB is tot die vergoedingen gekomen omdat sprake was van drie rekeningen, één rekening op naam van eiseres en twee zogenoemde en/of- rekeningen. DNB gaat gelet op artikel 26, vijfde lid, Bbpm uit van een evenredige gerechtigdheid van het saldo op de en/of-rekening. Omdat het saldo op de en/of-rekeningen ongeveer € 140.000 bedroeg, krijgt eiseres daarvan de helft plus het saldo van de rekening op haar naam uitgekeerd, terwijl de partner vanwege de rekening op zijn naam en de aanspraak op de helft van de en/of-rekening het maximum krijgt uitgekeerd. De rechtbank is van oordeel dat DNB artikel 26 van het Bbpm op juist wijze heeft toegepast. Het beroep van eiseres is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 3:260
Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft
Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2011/300 met annotatie van Mr. E.P.M. Joosen onder «JOR» 2010/15
RF 2011/90
JONDR 2011/444
JOR 2011/300 met annotatie van Mr. E.P.M. Joosen onder «JOR» 2010/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/3839 BC-T2

Uitspraak in het geding tussen

[A], wonende te [B], eiseres,

gemachtigde mr. M.H. Leferink, werkzaam onder de naam Leferink Belastingadvies Accountancy Financiële Planning te Holten,

en

De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (hierna: DNB),

gemachtigden mr. S.M.C. Nuyten en mr. B.J.V. Keupink, advocaten te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 22 december 2009 heeft DNB uit hoofde van het depositogarantiestelsel voor depositohouders van DSB Bank N.V. (hierna: DSB) aan eiseres een vergoeding toegekend van € 79.334,46.

Bij besluit van 27 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van eiseres tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

2 Overwegingen

2.1 Artikel 19 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (hierna: Bbpm) luidt:

“Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet heeft besloten tot het in werking stellen van het depositogarantiestelsel, komen vorderingen van de hierna te noemen categorieën van personen voor voldoening overeenkomstig deze paragraaf in aanmerking:

a. personen die deposito’s op eigen naam en voor eigen rekening bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;

b. personen die tezamen met een persoon als bedoeld in onderdeel a op eigen naam al dan niet voor eigen rekening deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;

c. derden ten behoeve van wie een persoon als bedoeld in onderdeel a of b krachtens overeenkomst of wet op eigen naam deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhoudt.”

Artikel 20 van het Bbpm luidt:

“1. Voor voldoening ingevolge het depositogarantiestelsel komen in aanmerking vorderingen uit deposito’s, (…), die de betalingsonmachtige bank aan de personen, bedoeld in artikel 19, verschuldigd is of die hen toebehoren en die de betalingsonmachtige bank voor hen overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden houdt. (…)

2. Vorderingen van een derde als bedoeld in artikel 19, onderdeel c, komen slechts voor voldoening in aanmerking indien de identiteit van de derde is of kan worden vastgesteld voordat de Nederlandsche Bank heeft geconstateerd dat de bank betalingsonmachtig is als bedoeld in artikel 3:260, tweede lid, van de wet.”

Artikel 25, eerste lid, van het Bbpm luidt:

“De Nederlandsche Bank stelt het bestaan en de waarde van de ingediende vorderingen vast aan de hand van de op de vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de boekhouding van de betalingsonmachtige financiële onderneming en eventuele andere relevante documenten.”

De toelichting bij artikel 25 van het Bbpm bevat onder meer het volgende:

“Artikel 25 regelt hoe en aan de hand van welke documenten DNB het bestaan en de waarde van een ingediende vordering toetst. Dit gebeurt niet uitsluitend aan de hand van de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden en de boekhouding, maar tevens aan de hand van eventuele andere relevante documenten. In praktijk bleek hieraan behoefte te bestaan omdat er soms «andere stukken» zijn waaruit het bestaan van de vordering kan blijken die strikt genomen niet onder de genoemde stukken vallen en naar de letter van de wet dus niet in aanmerking zouden kunnen komen.”

Artikel 26 van het Bbpm luidt:

“(…)

4. Voor voldoening komen in aanmerking (…) vorderingen tot maximaal € 100.000 per persoon als bedoeld in artikel 19 per betalingsonmachtige financiële onderneming.

5. Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, of 19, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen met inachtneming van hetgeen in het tweede lid is bepaald.

(…)”

2.2 Eiseres heeft bij DSB drie rekeningen geopend: een rekening op naam van eiseres en twee rekeningen op naam van eiseres en/of [C] (hierna: de en/of-rekeningen). Op 12 oktober 2009 bedroeg het saldo op de rekening van eiseres in totaal € 8.502,98 en bedroeg het saldo op de en/of-rekeningen in totaal € 141.662,95.

Nadat op 12 oktober 2009 op DSB de noodregeling van toepassing was verklaard en DSB op 19 oktober 2009 failliet was verklaard, heeft DNB op 19 oktober 2009 het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 3:260 van de Wet op het financieel toezicht voor DSB in werking gesteld.

Eiseres en [C] hebben ieder op 17 december 2009 bij DNB een aanvraag ingediend voor een vergoeding op grond van het depositogarantiestelsel. DNB heeft vervolgens aan eiseres een vergoeding toegekend van € 79.334,46 en aan [C] een vergoeding van € 100.000,--.

2.3 Eiseres vindt dat de aan haar toegekende vergoeding € 100.000,-- zou moeten bedragen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft DNB - anders dan eiseres heeft betoogd - op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 26, vierde en vijfde lid, van het Bbpm. Niet gebleken is immers van een contractuele bepaling op grond waarvan ingevolge het vijfde lid in dit geval een uitzondering op de hoofdregel moest worden gemaakt, dat ieder bij een rekening op beider naam een vergoeding ontvangt ter grootte van een evenredig deel van het saldo. Het bestaan van een dergelijke contractuele bepaling mag DNB op grond van artikel 25, eerste lid, van het Bbpm slechts aannemen op basis van de op de vorderingen toepasselijke wettelijke bepalingen en contractuele voorwaarden, de boekhouding van DSB en eventuele andere relevante documenten.

2.5 Eiseres heeft aangevoerd dat DNB er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat zij blijkens een met [C] opgemaakt contract alleen over het tegoed op de en/of-rekeningen kan beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank is de door eiseres en [C] ondertekende ‘verklaring beschikkingsbevoegdheid’ van 20 januari 2010 niet een contractuele bepaling als bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van het Bbpm, waaruit blijkt dat eiseres en [C] in een andere dan evenredige verhouding gerechtigd zijn tot de vorderingen uit de en/of-rekeningen jegens DSB in die zin dat het volledige tegoed aan eiseres toekwam. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze verklaring alleen ziet op de en/of-rekening met nummer [X] met een saldo van € 10,05 en dat de inhoud daarvan vanwege de datering niet van invloed kan zijn op de hoogte van de op 12 oktober 2009 bestaande vordering van eiseres jegens DSB. Bovendien voldoet deze verklaring niet aan de bepaling als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van het Bbpm.

2.6 Uit de in de algemene voorwaarden en het reglement van DSB opgenomen bepaling dat indien de rekening op naam van meerdere rekeninghouders is geopend, de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk bevoegd zijn om over het tegoed en over de roodstand faciliteit op de rekening te beschikken, volgt - anders dan eiseres meent - niet dat eiseres met uitsluiting van [C] volledig gerechtigd zou zijn tot de vordering jegens DSB. Van een andere dan evenredige verhouding in de gerechtigdheid tot de vordering, zoals bedoeld in artikel 26, vijfde lid, van het Bbpm is dan ook geen sprake. Het door eiseres veronderstelde verschil tussen een zogenoemde ‘en/of-rekening‘ en een ‘en-rekening’ is niet juist. Artikel 26, vijfde lid, van het Bbpm heeft betrekking op personen als bedoeld in artikel 19 onder b van het Bbpm. Bepalend is derhalve dat de rekening bij de betalingsonmachtige bank tezamen met een ander wordt aangehouden.

2.7 Voor het betoog van eiseres dat de beide rekeninghouders van een en/of-rekening slechts in beginsel een vergoeding van de helft ontvangen en dat een andere door hen zelf aan te geven verdeling mogelijk is, vormvrij en zo nodig mondeling overeen te komen, biedt artikel 26, vijfde lid, van het Bbpm geen ruimte. Voor haar standpunt meent eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte steun te vinden in het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2010 (LJN BN1351). Het betrof in die zaak een civiel geschil ten aanzien van de onderlinge rechten op het saldo van een bankrekening, terwijl in het depositogarantiestelsel, zoals dat zijn beslag heeft gekregen in het Bbpm en met name in artikel 26, vijfde lid, van het Bbpm deze verdeling dwingend is vastgelegd, op zodanige wijze dat ieder een vergoeding ter grootte van een evenredig deel ontvangt, tenzij daarvan contractueel is afgeweken.

2.8 Omdat het saldo op de twee en/of-rekeningen van eiseres ten tijde van het door DNB inwerkingstellen van het depositogarantiestelsel ten aanzien van het betalingsonmachtige DSB € 141,662,95 bedroeg, diende DNB bij een vergoeding ter grootte van een evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen uit te gaan van een vergoeding van € 70.831,48 voor eiseres onderscheidenlijk [C]. De totale uitkering aan eiseres bedraagt aldus € 79.334,46 (€ 8.502,98 plus € 70.831,48). Omdat de vordering van [C] op DSB het maximaal te vergoeden bedrag overschreed, werd aan hem een bedrag van € 100.000,-- uitgekeerd.

2.9 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. T. Damsteegt, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. Kleingeld-Top, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 25 augustus 2011.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.