Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR6530

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
01-09-2011
Zaaknummer
AWB 10/4851 BC-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

DNB heeft (de erven van) [A] een uitkering van € 100.000 toegekend uit hoofde van het depositogarantiestelsel voor depositohouders van DSB. De erven betogen tevergeefs dat DNB hen bij de toekenning van de uitkering, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, niet heeft aangemerkt als personen als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder b, Bbpm. Ook als het deposito na het overlijden van [A] als zogenoemde erven-rekening zou kunnen worden aangemerkt, volgt daaruit niet, zoals DNB terecht heeft overwogen, dat de erven als vier rekeninghouders van het deposito zouden zijn aan te merken. Uit artikel 4:182 BW vloeit immers alleen voort dat de erven [A] zijn opgevolgd in zijn vordering op DSB, maar daarmee is niet gegeven dat zij individueel mederekeninghouders van het deposito werden, reeds omdat zij de erven-rekening niet op eigen, individuele namen aan zouden houden, zoals is vereist ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, Bbpm, maar als erven van een nog onverdeelde nalatenschap. DNB heeft door in het bestreden besluit te verwijzen naar de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb echter wél de onjuiste indruk gewekt dat in het geval van meerdere erven onder bijzondere omstandigheden elke erfgenaam afzonderlijk zou kunnen worden aangemerkt als een persoon in de zin van de artikelen 19 en 26 van het Bbpm. Hoewel dit niet afdoet aan de op zichzelf draagkrachtige motivering van de bij het bestreden besluit gehandhaafde toekenning, ziet de rechtbank daarin wel grond om DNB te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/4851 BC-T2

Uitspraak in het geding tussen

de erven van P.M.W. Grootscholten,

te weten: W.L.M. Grootscholten, M.A.C. Grootscholten-Zwinkels, G.J.M. Grootscholten en M.J.M. Grootscholten,

eisers (hierna: de erven),

en

de naamloze vennootschap De Nederlandsche bank N.V., verweerster (hierna: DNB).

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 oktober 2010 heeft DNB het bezwaar van de erven tegen het besluit van DNB van 14 december 2009 tot het toekennen van een uitkering van € 100.000,00 aan P.M.W. Grootscholten uit hoofde van het depositogarantiestelsel voor depositohouders van DSB Bank N.V. (hierna: DSB) ongegrond verklaard, met dien verstande dat DNB het besluit van 14 december 2009 heeft gewijzigd in die zin dat het zich richt tot de erven.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben de erven beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2011. De erven hebben zich laten vertegenwoordigen mr. S. van Eijk, advocaat te Wateringen, vergezeld door W.L.M. Grootscholten. DNB heeft zich laten vertegenwoordigen door S.M.C. Nuyten en mr. M.A.M. Suijkerbuijk, advocaten te Amsterdam.

2 Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 4:182, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgen met het overlijden van de erflater zijn erfgenamen hem van rechtswege op in zijn voor overgang vatbare rechten en in zijn bezit en houderschap.

2.1.1 Ingevolge artikel 3:259, tweede lid, van de Wet op het financieel toezicht (hierna: de Wft) is er een depositogarantiestelsel dat tot doel heeft depositohouders te compenseren in het geval een bank niet in staat is te voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit vorderingen uit deposito’s.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, van dit artikel worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot categorieën van personen die onder de reikwijdte van de vangnetregeling vallen, dam wel hiervan worden uitgesloten.

2.1.2 Artikel 19 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft (hierna: het Bbpm) luidt:

“Indien de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:260, eerste lid, van de wet heeft besloten tot het in werking stellen van het depositogarantiestelsel, komen vorderingen van de hierna te noemen categorieën van personen voor voldoening overeenkomstig deze paragraaf in aanmerking:

a. personen die deposito’s op eigen naam en voor eigen rekening bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;

b. personen die tezamen met een persoon als bedoeld in onderdeel a op eigen naam al dan niet voor eigen rekening deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhouden;

c. derden ten behoeve van wie een persoon als bedoeld in onderdeel a of b krachtens overeenkomst of wet op eigen naam deposito’s bij de betalingsonmachtige bank aanhoudt.”

Artikel 26 van het Bbpm luidt:

“(…)

4. Voor voldoening komen in aanmerking (…) vorderingen tot maximaal € 100.000 per persoon als bedoeld in artikel 19 per betalingsonmachtige financiële onderneming.

5. Tenzij contractueel is bepaald dat de personen, bedoeld in artikel 9, onderdeel b, of 19, onderdeel b, in een andere verhouding gerechtigd zijn tot de vorderingen, ontvangen zij ieder een vergoeding ter grootte van een evenredig deel van het totaal van de vastgestelde vorderingen met inachtneming van hetgeen in het tweede lid is bepaald.

(…)”

2.2 Nadat op 12 oktober 2009 op DSB de noodregeling van toepassing was verklaard en DSB op 19 oktober 2009 failliet was verklaard, heeft DNB op 19 oktober 2009 het depositogarantiestelsel als bedoeld in artikel 3:260 van de Wet financieel toezicht voor DSB in werking gesteld. Uit de administratie van DSB is DNB gebleken dat P.M.W. Grootscholten destijds bij DSB een deposito met rekeningnummer 13.53.15.581 (hierna: het deposito) heeft geopend en dat het tegoed ten tijde van de noodregeling € 156.950,55 bedroeg. Om die reden is aan P.M.W. Grootscholten bij het besluit van 14 december 2009 de maximale vergoeding van € 100.000,00 toegekend. In bezwaar hebben de erven DNB er op gewezen dat P.M.W. Grootscholten op 9 juni 2009 is komen te overlijden. DNB heeft vervolgens het bestreden besluit aan de erven gericht en voorts beslist dat zij adressant zijn van het besluit van 14 december 2009. De omstandigheid dat sprake is van vier erfgenamen maakt volgens DNB niet dat zij als mederekeninghouders van het deposito moeten worden aangemerkt en om die reden ieder een uitkering dienen te krijgen ter hoogte van een vierde deel van € 156.950,55 in plaats van ieder een vierde deel van € 100.000,00.

2.3 De erven betogen tevergeefs dat DNB hen bij de toekenning van de uitkering, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, niet heeft aangemerkt als personen als bedoeld in artikel 19, aanhef en onder b, van het Bbpm. Ook als het deposito na het overlijden van P.M.W. Grootscholten als zogenoemde erven-rekening zou kunnen worden aangemerkt, volgt daaruit niet, zoals DNB terecht heeft overwogen, dat de erven als vier

rekeninghouders van het deposito zouden zijn aan te merken. Uit artikel 4:182 van het BW vloeit immers alleen voort dat de erven P.M.W Grootscholten zijn opgevolgd in zijn vordering op DSB, maar daarmee is niet gegeven dat zij individueel mederekeninghouders van het deposito werden, reeds omdat zij de erven-rekening niet op eigen, individuele namen aan zouden houden, zoals is vereist ingevolge artikel 19, aanhef en onder b, van het Bbpm, maar als erven van een nog onverdeelde nalatenschap.

2.4 De erven betogen voorts tevergeefs dat DNB bij het bestreden besluit heeft miskend dat artikel 4:84 van de Awb de grondslag bood om wegens de bijzondere omstandigheden van dit geval, met name gelegen in de tragische gebeurtenis van het overlijden van hun zoon onderscheidenlijk broer, in afwijking van het Bbpm hen gelijk te stellen met mederekeninghouders van het deposito. Het Bbpm vormt de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 3:259, derde lid, van de Wft en is als zodanig een algemeen verbindend voorschrift en niet, zoals de erven menen een beleidsregel. Er is derhalve, anders dan zij hebben betoogd, geen inherente bevoegdheid voor verweerder af te wijken van de dwingende bepalingen van het Bbpm, die verweerder verder ook geen beleidsvrijheid laten die ruimte zou bieden voor een nadere belangenafweging.

2.4.1 Hieruit volgt ook dat wat de erven desgevraagd na de hoorzitting nog aan informatie hebben ingebracht niet van belang was voor het juist afdoen van hun bezwaar en daarmee dus niet van aanmerkelijk belang in de zin van artikel 7:9 van de Awb. Hun betoog dat verweerder in strijd met die bepaling hen naar aanleiding van die informatie niet nogmaals in de gelegenheid heeft gesteld zich te doen horen, faalt dan ook. Evenmin kunnen zij staande houden dat zij een rechtens te beschermen vertrouwen konden ontlenen aan onjuiste informatie over de strekking van een erven-rekening in het kader van de depositogarantieregeling op een internetsite die niet onder verantwoordelijkheid van DNB valt.

2.4.2 De erven hebben erop gewezen dat bij het bestreden besluit ten minste de suggestie wordt gewekt, die ook reeds voortvloeide uit de vraagstelling na de hoorzitting, dat ten aanzien van de beantwoording van de vraag of een erven-rekening gelijk kan worden gesteld met een en/of-rekening, waarop artikel 19, aanhef en onder b, van het Bbpm betrekking heeft, DNB beleid voert ten aanzien waarvan een inherente afwijkingsbevoegdheid geldt. Uit hetgeen ter zitting daarover naar voren is gekomen, begrijpt de rechtbank dat de verwijzing in het bestreden besluit naar artikel 4:84 van de Awb ziet op de gedragslijn die DNB hanteert ter zake van de vraag wie bij overlijden van de rekeninghouder een aanvraag voor een vergoeding onder het depositogarantiestelsel kunnen indienen. Blijkens de op de website van DNB onder de rubriek “Veelgestelde vragen over de DSB Bank” opgenomen antwoorden kan een dergelijke aanvraag worden ingediend door de uit de verklaring van erfrecht blijkende erfgenamen tezamen, of de in die verklaring aangewezen vertegenwoordiger namens de erfgenamen, of de bij testament aangewezen bewindvoerder. Deze gedragslijn vormt aldus geen buitenwettelijk beleid inzake de toepassing van de artikelen 19 en 26 van het Bbpm, waaraan de erven rechten zouden kunnen ontlenen. DNB heeft door in het bestreden besluit te verwijzen naar de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb echter wél de onjuiste indruk gewekt dat in het geval van meerdere erven onder bijzondere omstandigheden elke erfgenaam afzonderlijk zou kunnen worden aangemerkt als een persoon in de zin van de artikelen 19 en 26 van het Bbpm. Hoewel dit niet afdoet aan de op zichzelf draagkrachtige motivering van de bij het bestreden besluit gehandhaafde toekenning, ziet de rechtbank daarin wel grond om verweerder te veroordelen in de proceskosten die de erven in beroep redelijkerwijs hebben moeten maken en te gelasten dat verweerder het door de erven voor de behandeling van dit beroep betaalde griffierecht aan hen vergoedt.

2.5 De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De rechtbank ziet om de vermelde reden aanleiding DNB te veroordelen in de kosten die de erven in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken en bepaalt de proceskosten op € 874,00 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor toekenning van een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, zoals door de erven ook in bezwaar is verzocht, laat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen ruimte nu het primaire besluit niet wordt herroepen. Verder moet DNB om de vermelde reden het betaalde griffierecht ad € 150,00 aan de erven vergoeden.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond,

bepaalt dat DNB aan eisers het betaalde griffierecht van € 150,00 vergoedt,

veroordeelt DNB in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan de erven.

Aldus gedaan door mr. D. Haan, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2011.

Afschrift verzonden op:

Belanghebbenden – onder wie in elk geval de erven worden begrepen – en DNB kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.