Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR4878

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/2867 VHUISV-T1 en AWB 11/2868 VHUISV-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beslissing van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond. De voorzieningenrechter acht zich bevoegdheid om van het onderhavige geschil kennis te nemen op grond van de 2 februari 2011 gewijzigde Huisvestingsverordening Stadsregio 2006. Op grond daarvan wordt thans tot een ander oordeel aangaande de bevoegdheid gekomen dan in de uitspraak van 12 januari 2011 (LJN BP0507) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling overweegt de voorzieningenrechter dat in de door overheidsingrijpen gedwongen ontruiming een bijzondere omstandigheid gelegen zou kunnen zijn op grond waarvan tot urgentieverlening moet worden overgegaan. De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat tegen de door eisers genoemde uitspraak hoger beroep is ingesteld, zie LJN AE6489, waarin de Afdeling gelet op artikel 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Awb overweegt dat in een voorkomend geval omstandigheden zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan het onredelijk is zonder enige vorm van compenserende maatregelen de nadelige gevolgen van een sluiting van een woning geheel voor rekening van de bewoner(s) van die woning te laten. Verzoekers hebben geen beroep ingesteld tegen het ontruimingsbevel. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd acht de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat verzoekers zich in een onhoudbare situatie bevinden. Verweerder heeft de door verzoekers aangevoerde omstandigheden in redelijkheid ontoereikend kunnen achten voor toepassing van de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 22 , derde lid, van de Huisvestingsverordening Stadsregio 2006. Tot slot slaagt het beroep op artikel 8 EVRM niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: AWB 11/2867 VHUISV-T1 en AWB 11/2868 VHUISV-T1

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in de gedingen tussen

(naam), wonende te Rotterdam, verzoeker I,

(naam) wonende te Rotterdam, verzoeker II,

gemachtigde mr. C.W.M. Jansen, advocaat te Rotterdam,

en

Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij afzonderlijke besluiten van 29 juni 2011 heeft verweerder de door verzoekers ingediende aanvragen om verlening van een urgentieverklaring voor woningtoewijzing afgewezen.

Tegen deze besluiten (hierna: de bestreden besluiten) hebben verzoekers bij brieven van

8 juli 2011 bezwaar gemaakt.

Voorts hebben verzoekers bij brieven van 12 juli 2011 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende verstrekking van een urgentieverklaring aan verzoekers danwel het op andere wijze onverwijld in passende woonruimte voorzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2011. Aanwezig waren verzoekers en hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. van Andel.

2 Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Feiten en omstandigheden

Verzoekers huurden beide een kamer aan de (adres) van (verhuurder). Op 12 mei 2011 is dit pand onmiddellijk ontruimd vanwege gebreken aan onder andere de draagconstructie, welk ontruimingsbevel op 13 mei 2011 op schrift is gesteld. Tegen voornoemd besluit hebben verzoekers geen rechtsmiddelen aangewend.

Verzoeker II heeft via Centraal Onthaal onderdak gevonden in het Woonhotel, waar hij uiterlijk zes maanden, tot begin december, kan verblijven. Verzoeker I voldoet niet aan de vereiste regiobinding van drie jaar en komt voor opvang niet in aanmerking. Hij verblijft tijdelijk bij familie en/of vrienden.

Verzoekers hebben op respectievelijk 1 juni en 14 juni 2011 een urgentieverklaring verzocht.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna:Awb) wordt onder een bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit bestaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet stelt de gemeenteraad, indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte als bedoeld in hoofdstuk II, of met betrekking tot het wijzigen van de woonruimtevoorraad als bedoeld in hoofdstuk III een huisvestingsverordening vast.

Ingevolge het tweede lid gaat de gemeenteraad ten behoeve van de toepassing van het eerste lid in elk geval na hoe met regelen als in dat lid bedoeld kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik geven van woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen. Tevens gaat de gemeenteraad na op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat bij het in gebruik nemen of geven van een standplaats voorrang wordt verleend aan woningzoekenden, die in een woonwagen wonen of hebben gewoond.

Ingevolge het derde lid treedt, in afwijking van het eerste en tweede lid, het bestuur van een plusregio als bedoeld in artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor de toepassing van die leden in de plaats van de gemeenteraad.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Huisvestingswet is, indien een gemeente met een eigenaar van een of meer woonruimten een overeenkomst sluit over het in gebruik geven daarvan, artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de in zodanige overeenkomst op te nemen bepalingen.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening tevens bepalen dat voor daarbij aan te wijzen categorieën van woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.

Op 2 februari 2011 is de Huisvestingsverordening Stadregio 2006 (hierna: de Huisvestingsverordening) gewijzigd en op 22 februari 2011 inwerking getreden (met uitzondering van artikel 26 van deze verordening).

Artikel 1 onder BB, van de Huisvestingsverordening luidt als volgt:

“zelfstandige woonruimte: een woonruimte gelegen in Nederland welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat die daarbij afhankelijk is van gemeenschappelijke voorzieningen buiten die woonruimte zoals keuken, toilet, badkamer, douche;”

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder FF, van de Huisvestingsverordening wordt verstaan onder urgentieverlener: het bestuursorgaan dat ingevolge artikel 19 beslist op aanvragen van de urgentieverklaringen.

Artikel 11 van de Huisvestingsverordening - voor zover van belang - luidt als volgt:

“1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie zeer dringend een woning behoeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Deze verklaring is in alle bij de stadsregio Rotterdam aangesloten gemeenten geldig en omvat hetgeen hierover in Hoofdstuk 4 is bepaald.

[..]

3. De urgentieverlener verstrekt de urgentieverklaring, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

[..]

d. de aanvrager voldoet aan één of meer van de urgentiegronden, zoals deze zijn opgenomen in Hoofdstuk 4;

[..]

g. de aanvraag is niet ingediend binnen twee jaar nadat de voorgelegde huisvestingsproblematiek door eigen toedoen is ontstaan;

h. de aanvrager heeft geen gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen zoals bepaald in artikel 1;

[..].”

Artikel 18, aanhef en onder 1 en 2, van de Huisvestingsverordening luidt als volgt:

“1. In alle gemeenten van de Stadsregio Rotterdam worden dezelfde, in artikel 20 uitgewerkte gronden voor de urgentietoekenning gehanteerd. Alle corporaties in de Stadsregio Rotterdam erkennen alle door de verschillende urgentieverleners in de Stadsregio Rotterdam afgegeven urgentieverklaringen.

2. Een urgentieverklaring wordt alleen verstrekt in noodsituaties waarbij niet via de reguliere mogelijkheden door eigen inspanningen binnen drie maanden een woning kan worden gevonden. In de beoordeling wordt betrokken of deze situatie door eigen toedoen is ontstaan. Wanneer dat het geval is zal in het algemeen geen urgentieverklaring verleend worden. [..]”

Artikel 19 van de Huisvestingsverordening - voor zover van belang - luidt als volgt:

“1. Het college van burgemeester en wethouders tot wie de aanvrager zich richt, beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring.

[..]

3. Het college van burgemeester en wethouders kunnen de in het eerste en tweede lid genoemde bevoegdheden mandateren.

[..]

9. In afwijking van het bepaalde in lid 1 beslist in plaats van het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam en Schiedam het bestuur van Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond op een aanvraag om urgentieverklaring. De leden 2, 3, 5 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

10. Indien de in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde woonplaats van aanvrager de gemeente Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam of Schiedam is, of aanvrager in één van deze gemeenten wil gaan worden, dient aanvrager zijn aanvraag in bij het bestuur van Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond. De leden 5 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

[..]”

Artikel 20, aanhef en tweede lid, van de Huisvestingsverordening luidt als volgt:

“Een woningzoekende komt voor een urgentieverklaring in aanmerking, indien hij of zij zelfstandig kan wonen en aan alle voorwaarden voldoet die bij één van onderstaande urgentiegronden worden genoemd.

[..]

2 Onbewoonbaarheid van de woonruimte t.g.v. een calamiteit

a. Er is sprake van zelfstandige woonruimte binnen de Stadsregio Rotterdam, die rechtmatig wordt bewoont.

b. 1. De woonruimte is feitelijk onbewoonbaar, hetgeen blijkt uit een verklaring van de gemeente gericht aan de urgentieverlener, of

2. De woonruimte is t.g.v. een calamiteit feitelijk onbewoonbaar en is niet binnen drie maanden te herstellen;

c. De aanvraag moet binnen één maand nadat de calamiteit heeft plaatsgevonden, worden ingediend.

[..]”

Artikel 22, derde lid, van de Huisvestingsverordening luidt als volgt:

“De urgentieverlener is bevoegd om in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager van de bepalingen in deze verordening urgentieregels immer in de verordening af te wijken, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.”

Bevoegdheid

De voorzieningenrechter dient ambtshalve en gelet op de uitspraak van 12 januari 2011 (LJN: BP0507) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) te beoordelen of zij zich bevoegd acht om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

In genoemde uitspraak heeft de Afdeling, gelet op de Huisvestingsverordening zoals deze luidde tot 22 februari 2011, geoordeeld dat verweerder met betrekking tot het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring een privaatrechtelijke bevoegdheid is toegekend. Derhalve is naar het oordeel van de Afdeling verweerder geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb en zijn beslissingen geen besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat. Voor dit oordeel heeft de Afdeling doorslaggevend geacht dat uit de grondslag en de verdere behandeling van beslissingen van verweerder kan worden afgeleid dat de gemeenten en de stadsregio met de Overeenkomst woonruimteverdeling hebben beoogd een privaatrechtelijk stelsel op te zetten voor het verstrekken van urgentieverklaringen.

De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of de gewijzigde Huisvestingsverordening thans tot een ander oordeel dient te leiden. Zij beantwoordt die vraag bevestigend en heeft daartoe het volgende overwogen.

Bij de wijziging van de Huisvestingsverordening heeft het dagelijks bestuur van de Stadsregio Rotterdam uitdrukkelijk overwogen dat het wenselijk is om geschillen over beslissingen inzake urgentie en woonruimtetoewijzing langs publiekrechtelijke weg te bewandelen omdat dergelijke geschillen voor betrokkenen laagdrempelig zijn en het wetsvoorstel voor de nieuwe Huisvestingswet ( Kamerstuk 32271, nummer 2) vooralsnog uitgaat van uitsluitend publiekrechtelijke beslissingen over urgentie en woonruimte-toewijzing. In H.4 van de Huisvestingsverordening is ten aanzien van de urgentieregeling voornoemde intentie vormgegeven en is in artikel 19, negende lid, aan verweerder uitdrukkelijk een publiekrechtelijke bevoegdheid neergelegd om te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring (voor zover het betreft de gemeenten Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam en Schiedam). De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat geschillen over beslissingen inzake aanvragen om een urgentieverklaring thans ook op grond van de in de Awb geregelde procedure inzake bezwaar worden behandeld.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat op grond van de gewijzigde Huisvestingsverordening verweerder dient te worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Beslissingen van verweerder op aanvragen om een urgentieverklaring zijn dan ook als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb aan te merken. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter zich bevoegd om van de onderhavige geschillen kennis te nemen.

Inhoudelijke beoordeling

De voorzieningenrechter acht gelet op de woonsituaties van verzoekers en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht voldoende spoedeisend belang aanwezig om te komen tot een voorlopige beoordeling van het geschil.

Aan de primaire besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekers niet voldoen aan de voorwaarde opgenomen in artikel 20, aanhef en tweede lid, onder 2 en a, van de Huisvestingsverordening, dat er sprake is van zelfstandige woonruimte in de stadregio Rotterdam. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen bijzonderheden zijn die aanleiding geven af te wijken van de regelgeving.

Verzoekers erkennen dat de kamer die zij bewoonden niet als zelfstandige woonruimte kan worden aangemerkt, zodat zij niet voldoen aan de genoemde voorwaarde.

Ter zitting hebben zij erop gewezen dat een van de andere huurders van het pand (adres) wel een urgentieverklaring heeft gekregen. Voor zover verzoeker ter zitting een beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben gedaan, dan kan dit niet slagen omdat zijdens verweerder ter zitting ontbetwist is aangegeven, dat de benedenbuurvrouw die wel een urgentieverklaring heeft gekregen over zelfstandige woonruimte in het pand beschikte. Van gelijke gevallen is derhalve geen sprake.

Toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule, opgenomen in artikel 22, derde lid, van de Huisvestingsverordening betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder, die door de voorzieningenrechter terughoudend dient te worden getoetst.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 20 van de Huisvestingsverordening uitdrukkelijk is voorzien in een urgentiegrond voor de situatie van onbewoonbaarheid van de woonruimte, doch dat kamerbewoning expliciet is uitgezonderd in de urgentiegronden omdat, zoals zijdens verweerder ter zitting is toegelicht, huurders die (bij een particulier) een kamer huren geen woning achterlaten op de woningmarkt. Er is dus in zoverre geen sprake van een bijzondere omstandigheid die bij het vaststellen van de voorwaarden niet is voorzien.

In de door overheidsingrijpen gedwongen ontruiming zou een bijzondere omstandigheid kunnen zijn gelegen. In dit verband hebben verzoekers een beroep gedaan op

op analoge toepassing van de uitspraak van 11 juli 2000 (LJN AA7424) van de President van de Rechtbank Rotterdam .

De voorzieningenrechter wijst er allereerst op dat tegen genoemde uitspraak hoger beroep is ingesteld bij de Afdeling. De Afdeling heeft bij uitspraak van 14 augustus 2001 (LJN AE6489) geoordeeld dat niet in alle gevallen waarin schuld van de bewoners is aangetoond noch aannemelijk geworden slechts tot woningsluiting kan worden overgegaan indien dit gepaard gaat met aanbieden van andere woonruimte. Wel kunnen zich volgens de Afdeling, gelet op artikel 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Awb, in een voorkomend geval omstandigheden voordoen op grond waarvan het onredelijk is zonder enige vorm van compenserende maatregelen de nadelige gevolgen van een sluiting van een woning geheel voor rekening van de bewoner(s) van die woning te laten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers tegen het ontruimingsbevel geen rechtsmiddelen hebben aangewend.

In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd acht de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de conclusie dat verzoekers zich in een onhoudbare situatie bevinden. Verzoekers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet binnen een termijn van drie maanden op eigen kracht een nieuwe kamer (via particuliere verhuur) of met hun woonpas een andere woning kunnen verkrijgen.

Daarbij geldt voor verzoeker II dat hij nog tot december van dit jaar in het woonhotel kan verblijven en naar verwachting snel vervangende woonruimte met behulp van zijn woonpas kan verkrijgen gelet op zijn leeftijd en de ervaring dat zogenoemde 55+ woningen relatief snel beschikbaar komen. Ter zitting is bovendien gebleken dat aan verzoeker per 14 juli al een woning via de woonpas was aangeboden, doch dat hij deze vanwege dubbele financiële lasten heeft afgewezen.

Zijdens verzoeker I is aangevoerd dat hij niet langer recht op een bijstandsuitkering zal hebben wegens het ontbreken van zelfstandige woonruimte en dat hij niet in aanmerking komt voor een daklozenuitkering wegens de eis van regiobinding. Dit zou betekenen dat hij uit Rotterdam moet vertrekken. De voorzieningenrechter ziet daarin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet had kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Zij wijst daartoe allereerst op het bovenstaande. Zij overweegt voorts dat niet is gebleken dat de verhuurder de huurovereenkomst met verzoeker I heeft opgezegd, zoals wel is gebleken bij verzoeker II. Indien de verhuurder de huurovereenkomst met verzoeker I niet heeft opgezegd heeft de verhuurder nog verplichtingen jegens verzoeker I. Voorts is ter zitting naar voren gekomen dat de verhuurder veroordeeld is om een schadevergoeding te betalen aan verzoekers. Ook wijst de voorzieningenrechter er op dat juist het vereiste van regiobinding, bij gebreke waarvan verzoeker I niet in aanmerking komt voor opvang, een bewuste beleidskeuze aangaande maatschappelijke opvang is geweest binnen de gemeente Rotterdam.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door verzoekers aangevoerde omstandigheden in redelijkheid ontoereikend kunnen achten voor toepassing van de hardheidsclausule.

Tot slot hebben verzoekers zich beroepen op het recht op respect voor het privé-, familie- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).

Artikel 8 EVRM heeft - voor zover van belang - als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven. Wat betreft de gestelde strijd met voornoemd artikel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in stand laten van het bestreden besluit geen inmenging oplevert op dit recht. Het bestreden besluit strekt er immers niet toe om verzoekers een urgentieverklaring of andere aanspraak te ontnemen die hen tot de uitoefening van een gezinsleven in een zich daarvoor lenende woonruimte in staat stelde. Aan het effectief respecteren van het familie- of gezinsleven kunnen echter ook positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. Daartoe moet worden beoordeeld of in het besluit een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang. De overheid beschikt daarbij over een zekere beoordelingsruimte. Dit leidt tot de vraag of zich feiten of omstandigheden voordoen waaruit, gelet op het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, een positieve verplichting tot toewijzing van een urgentieverklaring voortvloeit. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Gesteld noch gebleken is dat het voor verzoekers niet mogelijk is op enigerlei wijze een gezinsleven te hebben.

Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand zal blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M. Schoneveld, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. H. van der Waal- de Vries, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 9 augustus 2011.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: