Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR4580

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
AWB 11/1675 BELEI-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er geen publiekrechtelijke bevoegdheid valt aan te wijzen voor het verstrekken van voorzieningen in het kader van de bed-bad-broodregeling. Dat betekent dat de beslissing op een verzoek om in aanmerking te komen voor een dergelijke voorziening geen besluit is. Van een andere publiekrechtelijke bevoegdheid om de door eiser gevraagde hulp te verstrekken is de rechtbank evenmin gebleken. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 11/1675 BELEI-T2

Uitspraak in het geding tussen

X, zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiser,

gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 11 april 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder op eisers aanvraag om hulp van 18 maart 2011.

Verweerder heeft bij brief van 28 april 2011 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken AWB 11/2026, AWB 11/1498 en AWB 11/1181, plaatsgevonden op 26 mei 2011. Aanwezig waren eiser, mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van gemachtigde, en T. Miltenburg, werkzaam bij het Rotterdam Ongedocumenteerden Steunpunt (ROS). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.R. van der Heijden-Wijnen en N.W.J. Nijenhuis, senior-beleidsmedewerker. Eveneens aanwezig waren J.G.M. Breukels, senior-beleidsmedewerker bij de GGD, en

S. van Spanjersberg, arts bij de GGD. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de gevoegde zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.

2 Overwegingen

2.1 Bij brief van 18 maart 2011 heeft eiser verzocht om hulp. In de brief staat onder meer vermeld:

“(…) De heer X is nog steeds dakloos en heeft geen inkomsten. (…) Wat cliënt nodig heeft is een rustige kamer om te verblijven en geld om eten te koken en andere minimale zaken te kopen, en ook een ziektekostenverzekering. U kunt cliënt helpen door hem op te vangen op grond van de Wmo. U kunt cliënt ook helpen door hem geld te geven op grond van de WWB zodat hij zijn eigen hulp kan inkopen. U kunt hem ook buitenwettelijke hulp verstrekken. (…) Ik verzoek u te beslissen dat u een aanvang neemt met helpen. Ik verzoek u zowel het recht op grond van de WWB als de Wmo te willen beoordelen, alsmede enig recht op grond van beleid. Intussen verzoek ik u alvast meteen een aanvang te nemen met het bieden van hulp, zonodig in de vorm van feitelijk handelen (…) Gezien de aard van de aanvraag en de situatie waarin cliënt zich bevindt, acht ik een beslistermijn redelijk van zeven dagen. (…)”

2.2 Bij brief van 30 maart 2011 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en bij brief van 11 april 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder op zijn aanvraag om hulp.

2.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder op zijn aanvraag diende te beslissen en verzoekt verweerder te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade en verbeurde dwangsommen.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op basis van eisers aanvraag niet vanuit een wettelijke grondslag, dan wel bevoegdheid kan handelen. Het gaat om een feitelijk handelen en er is geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen beroep kan worden ingesteld. Eisers brief van 30 maart 2011 kan daarom niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt, aldus verweerder.

2.5 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.1 Verweerder heeft bij brieven van 13 april 2011 op eisers aanvraag om ondersteuning op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en Wet maatschappelijke opvang (Wmo) beslist. De beroepen gericht tegen het niet-tijdig beslissen op deze twee aanvragen heeft eiser bij brief van 19 april 2011 ingetrokken. Thans resteert het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het verzoek om buitenwettelijke hulp.

2.5.2 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.5.3 De vraag die de rechtbank eerst dient te beantwoorden is of een beslissing op het onderhavige verzoek om buitenwettelijke hulp een besluit is in vorenbedoelde zin. Zo niet, dan staat tegen het niet-tijdig beslissen op een dergelijk verzoek geen beroep open en dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Zo ja, dan komt de vraag aan de orde of verweerder niet-tijdig heeft beslist op het verzoek.

2.5.4 Verweerder heeft het verzoek van eiser opgevat als een verzoek om in aanmerking te komen voor de zogeheten bed-bad-broodregeling. In zijn op 23 februari 2011 aan de gemeenteraad verzonden brief schrijft verweerder:

“ (…) In zijn vergadering van 22 februari 2011 heeft het college van Burgemeester en Wethouders besloten om na de sluiting van de huidige nachtopvang (…) tijdelijk een zeer sobere bed-bad-brood voorziening te starten voor een beperkt aantal aantoonbaar niet uitzetbare vreemdelingen met acute medische problemen. De uitvoering van deze voorziening zal onder regie van de GGD plaatsvinden. De kosten die hiermee gemoeid zijn zullen gedeclareerd worden bij het Rijk aangezien de niet gerealiseerde terugkeer haar verantwoordelijkheid is (…) Zolang deze terugkeer niet geëffectueerd is en er geen recht op Rijksopvang mogelijk is en opvang en zorg medisch noodzakelijk wordt geacht, moet er, gelet op het gevaar voor de volksgezondheid en de openbare orde, een sobere voorziening gecreëerd worden. De voorziening is alleen toegankelijk voor hen die een aantoonbare regiobinding hebben en in het bezit zijn van een medische indicatie afgegeven door een arts van de GGD of een straatarts.(…)”

2.5.5 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat er geen publiekrechtelijke bevoegdheid valt aan te wijzen voor het verstrekken van voorzieningen in het kader van de bed-bad-broodregeling. Dat betekent dat de beslissing op een verzoek om in aanmerking te komen voor een dergelijke voorziening geen besluit is. Van een andere publiekrechtelijke bevoegdheid om de door eiser gevraagde hulp te verstrekken is de rechtbank evenmin gebleken, zodat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

2.5.6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. T. Damsteegt en mr. J. de Gans, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van den Berg, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 14 juli 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: