Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR4164

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10/691185-10 en 10/691189-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdediging heeft het ondervragingsrecht niet kunnen uitoefenen jegens een belastend verklarende getuige, hoewel daarom was verzocht. Bij een gebrek aan stevig steunbewijs brengt dit mee dat desbetreffende verklaring wordt uitgesloten voor het bewijs.

De alternatieve lezing voor het aantreffen van DNA-materiaal wordt verworpen wegens de wisselende - en daarmee ongeloofwaardige- verklaringen van de verdachte.

Bij de straftoemeting is rekening gehouden met de toepassing van de VI-regeling, waardoor de straf de facto lager uitvalt dan de door het OM geëiste en deels voorwaardelijke straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Gevoegde parketnummers: 10/691185-10 en 10/691189-09

Datum uitspraak: 22 juli 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [1971] te Aruba (vm. Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het [adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Utrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op de politierechterzittingen van

6 oktober 2009, 17 november 2009 en 21 december 2010 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering) en op de zittingen van de meervoudige kamer van 21 december 2010, 17 maart 2011, 8 juni 2011 en 8 juli 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen.

De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage A aan dit vonnis gehecht.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Begheyn-Tiebosch heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de bij dagvaarding met parketnummer 10/691185-10 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en van de bij dagvaarding met parketnummer 10/691189-09 onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

De verdachte zal van het bij dagvaarding met parketnummer 10/691185-10 onder 3 ten laste gelegde en van het bij dagvaarding met parketnummer 10/699189-09 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien voor deze feiten, anders dan door de officier van justitie is aangevoerd, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Dit oordeel wordt voorts als volgt gemotiveerd.

Ten aanzien van feit 3 (dagvaarding met parketnummer 10/691185-10):

Tegenover de ontkenning door de verdachte dat hij zich aan dit feit heeft schuldig gemaakt bevat het dossier voor de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij dit delict, de volgende stukken:

De verklaring van [aangever] dat hij na de inbraak een lange man met een slank postuur zag wegrennen en dat die man even later als bijrijder in een weg rijdende auto van het merk Fiat [kenteken], zat.

De verklaring van [getuige] dat hij, nadat hij glasgerinkel had gehoord, vanuit de richting van de woning waar later bleek te zijn ingebroken, een lange, dunne man zag wegrennen, dat hij kort daarna een auto zag wegrijden met daarin op de bijrijdersplaats een lange man, dat hij die auto is gevolgd, dat deze het [kenteken] bleek te hebben en dat hij de auto later op de dag geparkeerd heeft zien staan aan het [straat 1] te Rotterdam.

Het proces-verbaal van de politie inhoudend dat de Fiat met het [kenteken] op naam stond van [medeverdachte].

De verklaring van deze [medeverdachte] er op neerkomend dat de onderhavige inbraak is gepleegd door de verdachte en dat hij de verdachte destijds naar de plaats van het delict heeft gebracht.

Het proces-verbaal van de politie inhoudende dat de wijze waarop de onderhavige inbraak is gepleegd, overeenkomt met de modus operandi van andere inbraken waarvan de verdachte wordt verdacht.

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdediging ten aanzien van [medeverdachte], hoewel daarom was verzocht, het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, wat meebrengt dat deze verklaring uitsluitend voor het bewijs kan worden gebruikt indien daarnaast stevig steunbewijs voorhanden is, wat in casu niet het geval is.

Dit verweer slaagt. Op 11 mei 2010 is [medeverdachte] verschenen bij de rechter-commissaris voor een verhoor als getuige. Hij heeft zich toen op zijn verschoningsrecht beroepen en op gerichte vragen van de verdediging geen antwoord gegeven. Gelet hierop kan volgens de geldende jurisprudentie de belastende verklaring die [medeverdachte] bij de politie heeft afgelegd uitsluitend tot het bewijs bijdragen indien die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat dit steunbewijs in onvoldoende mate voorhanden is.

Ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair (dagvaarding met parketnummer 10/691189-09):

Tegenover de ontkenning van de verdachte bevat het dossier voor de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij deze delicten de verklaringen van [aangeefster] en getuigenverklaringen van [getuige 1, dochter van aangeefster] en [getuige 2].

De [getuige 1] heeft wisselend verklaard. Bij de politie heeft zij verklaard dat zij vermoedens had wie de dader was, dat zij de verdachte hierop heeft aangesproken en van hem één van de gestolen laptops heeft teruggekregen, terwijl zij op de terechtzitting van 21 december 2010 heeft verklaard dat de verdachte de laptop aan haar vriend [getuige 2] heeft afgegeven. Deze laatste verklaring strookt weer niet met de verklaring die de [getuige 2] heeft afgelegd. Ook strookt de verklaring niet met wat [getuige 1] daags na de inbraak tegenover haar moeder, [aangeefster], heeft verklaard. Daar komt bij dat de verklaring van [aangeefster] is gebaseerd op wat zij heeft gehoord van haar dochter [getuige 1] en derhalve een de auditu verklaring betreft, waaraan geen zelfstandige bewijswaarde toekomt.

Gelet op de incoherentie van en tegenstrijdigheden in deze verklaringen is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat op grond daarvan niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte de ten laste gelegde inbraak of heling heeft gepleegd.

Ander bewijsmateriaal op grond waarvan het daderschap van de verdachte wel - met voldoende mate van zekerheid - kan worden vastgesteld, ontbreekt. Het feit dat de verdachte - zoals uit de hierna te noemen bewezenverklaring zal blijken - betrokken is geweest bij andere woninginbraken waarbij dezelfde modus operandi is gebruikt als bij de onderhavige inbraak, is onvoldoende om daderschap bij deze inbraak aan te nemen, nu die werkwijze niet ongebruikelijk is bij dit soort inbraken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de bij de dagvaarding met parketnummer 10/691185-10 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 12 augustus 2010 te Rotterdam, omstreeks 4.30 uur, zijnde een voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [straat 2]) weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster, slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, en inklimming, het uitzetijzer van een raam (bovenlicht) heeft verbroken en geforceerd en vervolgens) heeft getracht door de aldus ontstane opening naar binnen te klimmen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangeefster, slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld of welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat verdachte

- aan de haren van die [aangeefster, slachtoffer] heeft getrokken en

- op het achterhoofd van die [aangeefster, slachtoffer] heeft geslagen en

- die [aangeefster, slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd de woorden: “Zal ik je steken met een mes”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij omstreeks 27 augustus 2010 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/ een woning gelegen aan de [straat 3] heeft weggenomen een laptop en een Ipod en huissleutels, toebehorende aan [aangever], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming, te weten door een steen door een ruit van die woning te gooien en door de aldus ontstane opening het pand te betreden.

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het bij de dagvaarding met parketnummer 10/691189-09 onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 11 mei 2009 te Ridderkerk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/een woning gelegen aan de [straat 4] heeft weggenomen een laptop (merk Acer) en een computermuis (merk Logitech), toebehorende aan [aangever], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, verbreking en inklimming, te weten door met een tegel een raam van die woning in te gooien en vervolgens door dat raam die woning in te klimmen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het overzicht van de bewijsmiddelen en de redengevende inhoud daarvan is als bijlage B aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Dagvaarding met parketnummer 10/691185-10

Ten aanzien van feit 1 (poging tot inbraak woning aan de [straat 2]):

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de dader van deze poging tot inbraak via een bovenraam de woning heeft proberen binnen te komen. Op het kalf van het kozijn van dit raam is een bloedspoor aangetroffen. Dit bloedspoor bevond zich aan de binnenzijde van het kozijn.

Het DNA in dit bloedspoor komt overeen met het DNA van de verdachte.

Anders dan door de raadsman is aangevoerd, draagt de aanwezigheid van dit bloedspoor bij tot het bewijs dat de verdachte de dader is van de onderhavige poging tot inbraak.

De alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven over de aanwezigheid van het bloedspoor wordt om de volgende redenen niet aannemelijk geacht.

De verdachte, die ontkent, heeft sterk wisselend verklaard over zijn bezoeken aan de woning aan de [straat 2] en de oorzaak van de daarbij opgelopen verwonding aan zijn hand hetgeen maakt dat zijn verklaringen niet geloofwaardig worden geacht.

Zo heeft de verdachte op 16 september 2010 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zowel op 11 augustus 2010 om 23:00 uur als ook een week daarvoor aan dat adres is geweest. Hij zou toen een oude man en kind in de woning hebben gezien. Beide keren was hij door de voordeur binnengekomen. Even later nog tijdens hetzelfde verhoor heeft hij verklaard dat hij de tweede keer niet door de voordeur, maar toch door het raam van de woning is binnengegaan en dat hij zijn hand eerder had opengehaald aan de schutting.

Bij de politie heeft hij op 18 oktober 2010 verklaard, evenals op de laatste terechtzitting, dat hij op 11 augustus 2010 toch niet een oude man, maar een vrouw met haar kleinkind heeft gezien toen hij samen met een bekende van hem, [getuige], bij de woning was. Deze [getuige] probeerde toen het raam van buitenaf te openen door met een schroevendraaier aan het uitzetijzer te wrikken. Omdat dit niet lukte, is de verdachte [getuige] gaan helpen en hield hij het raam voor hem vast. De schroevendraaier van [getuige] schoot toen uit, waardoor de verdachte gewond raakte aan zijn hand. Toen zou ook een raamhor naar beneden zijn gevallen, hetgeen de bewoonster zichtbaar zou hebben gehoord. Hij zou het raam toen uitsluitend aan de buitenkant hebben vastgehad en is niet met zijn handen in de woning geweest.

Pas nadat hij op de terechtzitting van 8 juli jl. was geconfronteerd met de foto in het dossier waarop te zien is dat het aangetroffen bloedspoor aan de binnenzijde van het kozijn zat, heeft hij, anders dan hij even daarvoor verklaarde, aangegeven dat zijn handen bij nader inzien wel aan de binnenkant van de woning zijn geweest.

De aangeefster heeft op de terechtzitting van 8 juli jl. verklaard dat het bloedspoor op het kozijn zit op een plek waar normaal de hor vóór is bevestigd. Zij heeft tevens verklaard dat zij die dag niet eerder heeft gemerkt dat de raamhor zou zijn gevallen en dat deze gewoon voor het raam zat toen zij rond 23 uur op 11 augustus 2010 ging slapen.

Gelet op de verklaringen van de verdachte is het weliswaar goed mogelijk dat de verdachte al eerder - samen met [getuige] - bij de bewuste woning is geweest maar het is niet aannemelijk geworden dat het op de binnenzijde van het kozijn aangetroffen bloedspoor van de verdachte daar op een eerder moment dan ten tijde van de tenlastegelegde poging tot inbraak terecht is gekomen.

De raadsman heeft opgemerkt dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM, omdat [getuige] niet als ontlastende getuige kon worden gehoord. Nu de raadsman daar verder geen juridische consequentie aan heeft verbonden ten aanzien van een van de door de rechter te beantwoorden vragen, behoeft dit verweer geen nadere bespreking.

Ten aanzien van feit 2 (inbraak in woning aan de [straat 3]):

De raadsman heeft aangevoerd dat de modus operandi in deze zaak te weinig specifiek van aard is om tot het bewijs te kunnen dienen. Dit verweer behoeft geen bespreking nu het proces-verbaal van bevindingen inzake de modus operandi niet voor het bewijs wordt gebruikt.

Dagvaarding met parketnummer 10/681189-09

Ten aanzien van feit 1 (inbraak in woning aan de [straat 4]):

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat na deze inbraak een rode substantie op de rand van de verbroken ruit van de woning is aangetroffen. Deze substantie bleek bloed te betreffen.

In dit bloedspoor is DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van de verdachte.

De alternatieve verklaring die de verdachte heeft gegeven over de aanwezigheid van het bloedspoor wordt om de volgende reden niet plausibel geacht.

Volgens de verdachte is zijn bloed op de ruit terecht gekomen door toedoen van de hem bekende [getuige 3] en/of [getuige 2], die zelf veelvuldig woninginbraken plegen en hem aldus de schuld van deze inbraak in de schoenen proberen te schuiven. De verdachte heeft verklaard dat hij medio april 2009 zijn hand had opengehaald, waardoor deze hevig bloedde. Hij is toen bij [getuige 2] en [getuige 3] thuis geweest en heeft daar met een doek zijn hand verzorgd. Twee dagen later, op 19 april 2009, moest de verdachte voor deze verwonding in het ziekenhuis worden behandeld. De eerder bedoelde bebloede doek is in de woning van [getuige 2] en [getuige 3] achtergebleven en is mogelijk door hen gebruikt om het spoor in de woning aan de [straat 4] achter te laten, alwaar het na de inbraak op 11 mei 2009 is aangetroffen.

Nu er tussen de datum waarop de verdachte gewond is geraakt en die waarop de onderhavige inbraak is gepleegd en het spoor is aangetroffen bijna een maand is verstreken, wordt deze verklaring van de verdachte niet geloofwaardig geacht.

Anders dan door de raadsman is aangevoerd, draagt de aanwezigheid van dit bloedspoor daarom bij tot het bewijs dat de verdachte de dader is van de onderhavige inbraak.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/691185-10:

Poging tot diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/691185-10 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/681189-09:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak waarbij door hem geweld is gebruikt nadat hij door de bewoonster was betrapt toen hij ‘s nachts half door haar slaapkamerraam hing. Het slachtoffer was op dat moment alleen thuis en werd in haar slaap verrast. De bewoonster is geslagen, aan de haren getrokken en bedreigd. Dit is een angstige gebeurtenis voor het slachtoffer geweest. Het slachtoffer heeft verklaard mede door de - naar aanleiding van de poging tot inbraak aangebrachte - tralies in haar huis dagelijks te worden herinnerd aan de gewelddadige confrontatie met de verdachte.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan twee eveneens nachtelijke woninginbraken, waarbij onder meer laptops zijn weggenomen terwijl de bewoners op dat moment elders in de woning sliepen.

De door de verdachte gepleegde inbraken behoren tot een categorie strafbare feiten met niet alleen materiële schade als gevolg maar waardoor vooral een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners juist omdat burgers zich veilig wanen in hun eigen huis. Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 mei 2011 sinds zijn 15de jaar veelvuldig is veroordeeld voor een breed scala aan delicten waaronder soortgelijke strafbare feiten.

De verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van persoonsrapportage. Het rapport van de Reclassering Nederland van 15 december 2010 van reclasseringswerker R. Idzerda is tot stand gekomen op basis van dossierinformatie. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat en geconcludeerd wordt dat sprake is van een kwetsbare sociaal-maatschappelijke, psychiatrische problematiek. Daarnaast zijn er problemen in de relatiesfeer, is er sprake van forse geldschulden en van drugsgebruik.

Een verplicht reclasseringstoezicht lijkt geïndiceerd maar tegelijkertijd wordt de ontvankelijkheid voor begeleiding/behandeling als laag ingeschat gelet op het feit dat de verdachte thans geen hulp wil en gezien de vele mislukte (pogingen tot) hulpverleningstrajecten in het verleden.

Het Pro Justitia rapport van 1 juni 2010 van prof. dr. J.J. Baneke, klinisch & forensisch psycholoog, is qua resultaat beperkt omdat er slechts een gesprek van 20 minuten heeft plaatsgevonden en de verdachte heeft geweigerd zich te onderwerpen aan psychologisch testonderzoek. De deskundige ziet in de combinatie van een relatief vroege start van de delinquente carrière, het grote aantal en brede scala aan delicten en het herhaalde mislukken van begeleiding en behandeling een verhoogd risico op recidive. Ook hij acht de zorgprognose ongunstig gezien de grote moeite die de verdachte lijkt te hebben om zich te laten begeleiden en behandelen.

De verdachte heeft ook op de zitting er geen blijk van gegeven enige vorm van hulpverlening te willen aanvaarden. Een concreet perspectief op resocialisatie ontbreekt.

Dat is op zich te betreuren nu enigerlei vorm van begeleiding en/of behandeling van belang lijkt om recidive in de toekomst zo mogelijk te voorkomen en de verdachte te helpen zijn leven na ommekomst van de detentie weer op te pakken.

Daar kan gelet op de weigerachtige houding van de verdachte thans echter op geen enkele wijze vanuit justitie invulling aan worden gegeven. Er rest daarom niets anders dan de oplegging van een geheel onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Voor een deels voorwaardelijke straf - zoals geëist - zonder dat daar ook een bijzondere voorwaarde aan is gekoppeld, wordt geen aanleiding gezien.

De rechtbank komt tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist, zelfs ondanks de omstandigheid dat de verdachte voor twee van de vijf feiten wordt vrijgesproken. Een lagere straf zou echter met name onvoldoende recht doen aan de ernst van het onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/691185-10 ten laste gelegde feit. Een gevangenisstraf van 16 maanden wordt daarvoor passend geacht, bij de twee andere woninginbraken past dan telkens 5 maanden gevangenisstraf, waardoor de totale duur van de gevangenisstraf komt op 26 maanden.

Deze straf wordt in het kader van zowel vergelding als de generale en speciale preventie passend en geboden geacht maar zal overigens qua tenuitvoerlegging de facto lager uitvallen dan de door de officier van justitie geëiste en deels voorwaardelijke straf ingevolge de toepassing van de VI (voorwaardelijke invrijheidstelling)-regeling.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [aangeefster, slachtoffer], wonende te Rotterdam, terzake van feit 1 dat is ten laste gelegd bij de dagvaarding met parketnummer 10/691185-10. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 886,15 en immateriële schade tot een bedrag van € 650,-, zijnde een totaal gevorderd bedrag van € 1.536,16, te vermeerderen met de wettelijke rente;

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de daarvoor gevorderde schade¬vergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de gevorderde vergoeding van de materiële schade, volledig worden toegewezen.

Voorts is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde straf¬bare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 650,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

De rechtbank zal bepalen dat het voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.536,16 vanaf 12 augustus 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer

10/691185-10 onder 3 en bij dagvaarding met parketnummer 10/691189-09 onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 10/691185-10 onder 1 en 2 en bij dagvaarding met parketnummer 10/691189-09 onder 1 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 26 (zesentwintig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn - rekening houdend met de voorwaardelijke invrijheidstelling - aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.536,16 (zegge: duizendvijfhonderd en zesendertig euro en zestien cent) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan [aangeefster, slachtoffer], wonende te Rotterdam, te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.536,16 vanaf

12 augustus 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de bena¬deelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 1.536,16 (zegge: duizendvijfhonderd en zesendertig euro en zestien cent), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Trotman, voorzitter,

en mrs. Asscheman-Versluis en Volker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Hofman-de l’Isle, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2011.

Bijlage A bij vonnis van 22 juli 2011:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Dagvaarding met parketnummer 10/691185-10

1.

hij op of omstreeks 12 augustus 2010 te Rotterdam, op of omstreeks 4.30 uur, zijnde een voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat 2]) weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster, slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, het uitzetijzer van een raam (bovenlicht) heeft verbroken en/of geforceerd en/of (vervolgens) door de aldus ontstane opening naar binnen is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster, slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging hierin bestond(en), dat verdachte

- (meermalen) aan de haren van die [aangeefster, slachtoffer] heeft getrokken en/of

- op het (achter)hoofd van die [aangeefster, slachtoffer] heeft geslagen en/of

- die [aangeefster, slachtoffer] dreigend heeft toegevoegd de woorden: “Ik wil geld” en/of “Zal ik je steken met een mes”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 310 jo 311 jo 312 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 27 augustus 2010 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat 3]) heeft weggenomen een laptop en/of een Ipod en/of huissleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door een (bak)steen door een ruit (van die woning) te gooien en/of door de aldus ontstane opening het pand te betreden;

(artikel 310 jo 311 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 11 december 2010 te Ridderkerk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (woon)pand (gelegen op/aan het [straat 5]) heeft weggenomen een laptop en/of een portable computer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten (met een steen) een raam van dat (woon)pand heeft vernield, althans verbroken en/of (vervolgens) door de aldus ontstane opening die woning is binnengegaan;

(artikel 310 jo 311 Wetboek van Strafrecht) (pknr. 691061-10)

Dagvaarding met parketnummer 10/681189-09

1.

hij op of omstreeks 11 mei 2009 te Ridderkerk (tezamen en in vereniging met een of meer anderen,) althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat 4]) heeft weggenomen een laptop (merk Acer) en/of een computermuis (merk Logitech), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door met een tegel/steen een ruit en/of raam van die woning in te gooien en/of (vervolgens) door dat raam die woning in te klimmen en/of die woning in te gaan;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

2

hij op of omstreeks 07 april 2009 te Rotterdam (tezamen en in vereniging met een ander of anderen,) althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat 6]) heeft weggenomen twee, althans een of meer laptop(s) en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door met een (bak)steen een ruit en/of raam van die woning in te gooien en/of (vervolgens) door dat raam die woning in te klimmen en/of die woning in te gaan;

(artikel 311 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 07 april 2009 tot en met 09 april 2009 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten 2 althans een of meer, laptop(s), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416/417bis Wetboek van Strafrecht).