Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR4143

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
04-08-2011
Zaaknummer
10/630117-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4054, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ripdeal; geloofwaardigheid verklaringen omtrent toedracht schietpartij.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/630117-07

Datum uitspraak: 6 juli 2011

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie De Schie te Rotterdam,

raadsman mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 april en 22 juni 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Vreugdenhil heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaar met aftrek van voorarrest en de tijd die in uitleveringsdetentie is doorgebracht.

VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken, zoals ook door de officier van justitie is gevorderd en namens de verdachte is bepleit. Niets in de dossierstukken en het onderzoek ter terechtzitting wijst er immers op dat de verdachte en/of zijn mededaders hebben gehandeld na een moment van kalm beraad en rustig overleg, voorafgaand aan de uitvoering van de schietpartij waarbij [slachtoffer 2] om het leven kwam en [slachtoffer 1] zwaar gewond raakte.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 subsidiair.

hij op 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of een mededader opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] met een, vuurwapen kogels in het hoofd en lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verduistering van een hoeveelheid heroïne, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2 subsidiair.

hij op 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met een,

vuurwapen kogels in de armen en het lichaam heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verduistering van een hoeveelheid heroïne, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

3.

hij op 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 20 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

De rechtbank is ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 27 april 2007, omstreeks 20.17 uur, gingen verbalisanten van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, na een melding van de meldkamer daartoe, naar de Oost-Sidelinge te Rotterdam, alwaar ter hoogte van pandnummer 75 een schietpartij zou hebben plaatsgevonden. Ter plaatse gekomen zagen de verbalisanten, voor het portiek van de woningen 73A tot en met D, een man op de grond liggen die later bleek te zijn het slachtoffer [slachtoffer 1]. Desgevraagd verklaarde [slachtoffer 1] dat hij was beschoten. [slachtoffer 1] verklaarde voorts dat in een woning van het portiek waarvoor hij lag nog een tweetal slachtoffers aanwezig moest zijn. Naar aanleiding van deze verklaring van [slachtoffer 1] zijn verbalisanten vervolgens het portiek binnen gegaan. In het trappenhuis lagen op meerdere plaatsen bloeddruppels op de vloer. De verbalisanten zagen dat achter de voordeur van woning 73D het stoffelijk overschot van, naar later werd vastgesteld, [slachtoffer 2] lag.

Het stoffelijk overschot werd in beslag genomen en overgebracht naar het mortuarium Goetzee aan de Boezemsingel 36 te Rotterdam en op 29 april 2007 overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) te Den Haag. Het stoffelijk overschot werd geïdentificeerd door middel van afgenomen vingerafdrukken en een confrontatie op 29 april 2007 met de echtgenote van het slachtoffer. Op 29 april 2007 werd door de arts en de patholoog-anatoom A. Maes een uit- en inwendige schouwing verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Bij de beoordeling komt de patholoog-anatoom tot de conclusie dat [slachtoffer 2] is overleden door schotletsel. Er waren twee inschoten en twee doorschoten aan het lichaam. De schotkanalen liepen van boven naar beneden door het lichaam. In het lichaam, in de rechterborstholte en in de rechterlong, bevonden zich nog twee kogels. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door bloedverlies en functieverlies.

Bij [slachtoffer 1] zijn door de forensisch arts L.L. Los op 1 mei 2007 verwondingen aangetroffen die allen passen bij schotletsels. Hij is door vijf of zes kogels geraakt. Verwondingen zijn aangetroffen net onder de rechter elleboog, aan de binnenzijde van de rechter onderarm en bij de linker elleboog, aan de voorzijde bij de buikstreek, en ook op de linkerbil bevonden zich twee verwondingen, net onder de bil, en tenslotte bevond zich een verwonding aan de achterzijde van het linker bovenbeen. Het letsel is potentieel dodelijk.

Uit technisch onderzoek blijkt dat in de woning aan de Oost-Sidelinge73D ten minste tien keer is geschoten met een vuurwapen type pistoolmitrailleur: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn beide geraakt door kogels die waarschijnlijk komen uit dezelfde loop van een 9mm Parabellum machinepistool Uzi. In de woning zijn voorts twee hulzen en kogels van het kaliber 7,65 mm Browning aangetroffen.

Vast staat verder dat de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (hierna ook: verkopers) voornemens waren een partij heroïne van 20 kilogram te verkopen aan de verdachte. De verdachte is in contact gekomen met de verkopers door tussenkomst van een persoon genaamd [tussenpersoon 1]. De verdachte is met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] (zijn broer) en [medeverdachte 2] naar de woning 73D gekomen in een Volkswagen Jetta (kenteken [kenteken]), waarbij hij zich voordeed als de Engelse koper van de heroïne. De verdachte heeft op enig moment de te kopen heroïne in de woning aan de Oost-Sidelinge 73D getest in het bijzijn van alle hiervoor genoemde personen. Op de vloer tussen de banken in de woonkamer van deze woning werd onder meer een aardappelschilmesje met een wit heft aangetroffen. Door het NFI werd vastgesteld dat de beige poeder die hierop is aangetroffen heroïne bevat. Tenslotte was betrokken bij de transactie van de zijde van verkopers een persoon genaamd [tussenpersoon 2], die op enig moment de heroïne, die zich in een tas bevond, buiten de woning heeft gebracht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder 1 subsidiair (medeplegen van doodslag), 2 subsidiair (medeplegen van poging tot doodslag) en 3 (medeplegen van het voorhanden hebben van heroïne) wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft haar standpunt gebaseerd op de verklaringen van ooggetuigen [slachtoffer 1], [tussenpersoon 1] en [tussenpersoon 2], het sectierapport van [slachtoffer 2], de medische rapporten van [slachtoffer 1], de Foslo-herkenning door [tussenpersoon 1] en de Foslo-herkenning door [slachtoffer 1] in samenhang met de forensische bevindingen. In de visie van de officier van justitie zijn het verdachte en zijn medeverdachten geweest die het vooropgezette plan hebben gehad om zich de macht over de drugs te verwerven zonder daarvoor te betalen (een zogenaamde rip deal) en waren zij met het oog daarop ook bewapend.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt verdachte vrij te spreken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten nu hij niets wist van de aanwezigheid van wapens en hij evenmin in de woning aanwezig was toen daar werd geschoten. Het standpunt van de verdediging is dat het juist de verkopers zijn geweest die voornemens waren een rip deal te plegen. Het was [slachtoffer 2] die - toen de verdachte de deal wilde afblazen - een Uzi heeft getrokken: dat wapen is afgegaan in een worsteling tussen de broer van verdachte met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], hetgeen volgt zowel uit de verklaring van [medeverdachte 2] die op dat moment wel in de woning aanwezig was als uit de ter terechtzitting afgelegde verklaring van de broer van verdachte.

Volgens de verdediging zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] en [tussenpersoon 1] (onderling) tegenstrijdig en voor wat betreft de verklaringen van [slachtoffer 1] stroken deze niet met de conclusies uit het technisch onderzoek. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit, omdat afgezien van de vraag of er voldoende bewijs voorhanden is voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid van 20 kilo heroïne, verdachte nimmer “als heer en meester” de beschikking heeft gehad over de verdovende middelen.

De beoordeling

Getuigenverklaringen van [tussenpersoon 1], [slachtoffer 1] en [tussenpersoon 2]

Op 4 december 2007 verklaarde [tussenpersoon 1] tegenover de rechter-commissaris onder meer dat hij op 27 april 2007 in de flatwoning aan de Oost-Sidelinge, met, op een gegeven moment, nog zes andere personen, aanwezig was. Dat waren [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], een hem onbekend gebleven Turkse man (Koerd) (uit het dossier blijkt dat hij bedoelt: [tussenpersoon 2]), [alias] (uit het dossier blijkt dat hij bedoelt: [medeverdachte 2]), het broertje van [alias] (uit het dossier blijkt dat hij bedoelt: de broer van verdachte) en de Engelsman (verdachte). [alias], het broertje van [alias] en de Koerd gingen op een gegeven moment met de drugs naar beneden. [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], de Engelsman en [tussenpersoon 1] bleven achter in de woning. Een paar minuten later was er gerommel aan het slot van de deur. [slachtoffer 2] liep richting de deur. De voordeur ging open en [tussenpersoon 1] zag dat [alias] naar binnen kwam. Vervolgens zag [tussenpersoon 1] dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [alias] en het broertje van [alias] met elkaar aan het worstelen waren. De Engelsman liep naar de gang en vervolgens hoorde [tussenpersoon 1] een knal, hetgeen klonk als een schot uit een pistool. [tussenpersoon 1] dook hierop gelijk achter een bank en keek een paar keer over de bank heen om te zien wat er gebeurde. [slachtoffer 1] lag inmiddels op de grond, deels in de woonkamer, deels in de gang. Het broertje van [alias] had een uzi in zijn hand en richtte deze op [slachtoffer 1]. [tussenpersoon 1] hoorde vervolgens een geluid dat klonk als “prrrmmmm”, het geluid van een automatisch wapen. Nadat [alias] en zijn broertje de woning hadden verlaten, kwam [tussenpersoon 1] achter de bank vandaan. [slachtoffer 1] lag gewond en kreunde van de pijn. [slachtoffer 2] zat op zijn knieën naast de deur.

[tussenpersoon 1] verklaarde eerder, op 19 juni 2007 tegenover de politie onder meer dat op het moment dat [alias] en zijn broertje de woning aan de Oost-Sidelinge binnenstapten, hij zag dat het broertje van [alias] een zwarte rugzak bij zich had. [tussenpersoon 1] keek een seconde naar de televisie en hoorde ineens “Ho ho” roepen. Toen hij opkeek, zag hij dat het broertje van [alias] aan het worstelen was. Er klonk een schot uit de richting van de gang. De gewonde Koerd ([slachtoffer 1]) lag op de grond en schopte in de richting van het broertje van [alias]. Het broertje van [alias] had een uzi in zijn linkerhand en richtte deze op de gewonde Koerd. Inmiddels achter de bank in de woonkamer gezeten, zag [tussenpersoon 1] dat het broertje van [alias] de uzi op de gewonde Koerd richtte, waarna hij een salvo schoten hoorde, gevolgd door nog een enkel schot. Het geluid van de schoten kwam beide keren uit de richting van de voordeur.

Op 19 juni 2007 werd een fotobewijsconfrontatie gehouden waarbij aan [tussenpersoon 1] een tiental foto’s van personen werd getoond. Eén van deze foto’s betrof een foto van de broer van verdachte ([medeverdachte 1]) uit het fotobestand van de politie Rotterdam-Rijnmond. Deze foto kwam op plaatsnummer 5. Terwijl [tussenpersoon 1] naar de fotoselectie keek, wees hij naar foto 5 en verklaarde: “Dat is het broertje van [ailas] ([medeverdachte 1]), hij had het machinegeweer in zijn hand.”

Op 20 juni 2007 verklaarde [slachtoffer 1] tegenover de politie onder meer dat hij in de woning aan de Oost-Sidelinge met de Engelsman (een donkere man, hij leek Surinaams) op de bank zat op het moment dat hij hoorde dat er op de deur werd geklopt. [slachtoffer 2] liep naar de deur en riep direct: “Wat gebeurt er?” [slachtoffer 1] zag dat de Engelsman een uzi uit zijn tasje pakte. Hierop hoorde [slachtoffer 1] een salvo uit een automatisch wapen, vanuit de richting van de deur. De Engelsman richtte vervolgens op [slachtoffer 1] en vuurde van links naar rechts een salvo op [slachtoffer 1] af. [slachtoffer 1] schopte de uzi uit de handen van de Engelsman en die viel daardoor op de grond. [slachtoffer 1] voelde veel pijn in zijn borst en kon moeilijk ademhalen. De Engelsman probeerde de uzi te pakken, waarop [slachtoffer 1] ging schoppen in de richting van de Engelsman. Vanuit de gang hoorde [slachtoffer 1] opnieuw een salvo uit een automatisch wapen, waarop hij voelde dat hij in zijn billen en bovenbenen werd geraakt. Hij zag dat de grotere Surinamer (de broer van verdachte) een uzi vast had en dat hij in de gang stond.

Uit de verklaring van [tussenpersoon 2] d.d. 10 september 2008 zoals afgelegd tegenover de rechtbank te Izmir (Turkije) volgt dat [slachtoffer 2] hem had gevraagd of hij op 27 april 2008 met [slachtoffer 2] naar de bewuste woning wilde gaan en dat [slachtoffer 2] hem op enig moment heeft gevraagd een eerder meegebrachte koffer met verdovende middelen in de kofferbak van de Volkswagen Jetta, gekentekend [kenteken] te plaatsen. [tussenpersoon 2] heeft verklaard dat hij de chauffeur van de Jetta, die met een rugzak om achter het stuur zat, naar boven heeft gestuurd, nadat [slachtoffer 2] hem door het raam een seintje had gegeven. [tussenpersoon 2] hoorde enkele minuten later schietgeluiden van een machinegeweer, waarna hij in de richting van de woning is gelopen. Toen een neger (die hij aan de hand van een foto herkent als de broer van verdachte) uit de woning kwam rennen en een vuurwapen op hem richtte, is hij gevlucht.

Getuigenverklaringen verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]

De verdachte is na het schietincident in de woning aan de Oost-Sidelinge 73D gevlucht naar Suriname. Eerst op 2 juli 2010 is verdachte voor het eerst gehoord door de rechter-commissaris (als getuige in de zaak tegen zijn broer), evenals zijn medeverdachte [medeverdachte 2]. De verdachte is hierna op 9 oktober 2010 nog door de politie verhoord. Deze verklaringen van verdachte, alsmede de verklaringen zoals afgelegd ter terechtzitting komen - samengevat - op het volgende neer.

De verdachte stelt dat, nadat hij de verdovende middelen in de woning had getest, de Turk met de tatoeage op zijn onderarm ([tussenpersoon 2]) met een tas met daarin de verdovende middelen uit de woning is gelopen, waarna een andere Turkse man zei dat hij geld wilde zien. Hierop heeft verdachte aan zijn broer gevraagd het geld te halen, dat in een schoudertas in de auto lag waarmee verdachte en zijn medeverdachten waren gekomen. Zijn broer is toen met [medeverdachte 2] het geld gaan halen. In de woning heeft zijn broer de schoudertas aan verdachte gegeven. De verdachte is vervolgens het geld gaan tellen, waarbij de verkopers (en [tussenpersoon 1]) zouden hebben toegekeken.

De verdachte heeft vervolgens met [slachtoffer 1] overleg gepleegd over hoe de overdracht van de tas en het geld zou worden afgehandeld. [slachtoffer 1] zou bellen om dit in gang te zetten, maar deed dit maar niet. De verdachte wilde de zaak toen afblazen, heeft dit ook gezegd en is toen opgestaan om met zijn medeverdachten de woning te verlaten. Zijn broer had op dat moment de schoudertas met het geld bij zich. [slachtoffer 2] liep daarbij voor hen uit, de verdachte liep achter hem, zijn broer en [medeverdachte 2] kwamen daar achtereenvolgens achteraan. Toen de verdachte in de gang kwam ([slachtoffer 1] maakte toen een gebaar met zijn hand en zei wacht nog even), draaide [slachtoffer 2] zich om en verdachte zag toen een Uzi in zijn hand. De verdachte stelt vervolgens de toegangsdeur van de woning open te hebben getrokken en te zijn weggerend samen met [medeverdachte 2], die achter hem aankwam. De verdachte hoorde geschreeuw, draaide zich om en zag dat de deur dicht aan het gaan was en duwde die weer open. [medeverdachte 2] ging op dat moment de woning weer binnen. De verdachte zag toen dat zijn broer in gevecht was met [slachtoffer 2]. Toen de deur weer dichtviel hoorde de verdachte geschreeuw en één salvo....prrrrrrt. De verdachte is uiteindelijk met het geld maar zonder de drugs met zijn medeverdachten ontkomen.

[medeverdachte 2] heeft op 2 juli 2010 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat de lange Turkse man op een gegeven moment met de verdovende middelen de woning verliet en dat de broer van de verdachte en hijzelf toen met hem mee naar beneden liepen om het geld te halen. De verdachte moest als borg in de woning blijven. [medeverdachte 2] verklaart: Ik zag dat de lange Turkse man een zwarte sporttas met drugs in zijn rode auto zette. De lange Turkse man bleef beneden en [medeverdachte 1] en ik gingen naar boven met het geld en boven gingen [medeverdachte 1] en [verdachte] het geld tellen. De Turken keken aandachtig toe. [verdachte] zei dat hij het vreemd vond dat de drugs uit de woning waren gebracht. Hij zij dat hij het niet vertrouwde. We begonnen dus weg te lopen en zeiden dat de deal niet doorging. Een van de andere Turken, dus niet mijn contactpersoon, ging toen naar een andere kamer en kwam terug met een machinegeweer. [verdachte] zei: rennen. We renden de deur uit. [verdachte] en ik bereikten het trapportaal toen we bemerkten dat [medeverdachte 1] werd tegengehouden. Hij had namelijk het geld bij zich. Het geld was nadat het geteld was weer in de tas om zijn lichaam gedaan. De Turken probeerden de deur dicht te doen en wij hoorden [medeverdachte 1] schreeuwen. Het lukte mij om de deur weer open te duwen en ik wist binnen te komen. Toen ik de deur weer open duwde pakte ik mijn pistool. Ik zag dat [medeverdachte 1] aan het vechten was met de man die de Uzi had gepakt. Ik weet niet meer of hij toen de Uzi nog in zijn hand had. Een andere Turk hing aan zijn been. Ik hoorde een ratelend geluid als van een machinegeweer. Ik heb niet gezien wie de schoten afvuurde en waar de schoten naar toe gingen. Ik focuste op de man die [medeverdachte 1] bij zijn been had en ik hoorde [medeverdachte 1] schreeuwen van de pijn. Omdat de man niet losliet, heb ik een keer op hem geschoten. Ik zag dat de man [medeverdachte 1] losliet en ik ben meteen naar buiten gerend. Ik heb niet gezien wat met de andere man is gebeurd waarmee [medeverdachte 1] aan het vechten was.

[medeverdachte 1], die bij vonnis van deze rechtbank d.d. 15 oktober 2008 is veroordeeld voor dezelfde feiten als die aan verdachte ten laste zijn gelegd en die zich tot op de dag van de terechtzitting d.d. 22 juni 2011 tijdens verhoren in hoofdzaak steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen, is ter terechtzitting als getuige in de onderhavige zaak gehoord. [medeverdachte 1] verklaarde als volgt.

Een van de Turkse mannen ging samen met [medeverdachte 2] en mij met de tas met drugs naar beneden. Ik heb het geld gepakt. De tas met geld lag al die tijd in mijn auto onder de bestuurdersstoel. Wij hadden het geld in de auto gelaten. Ik heb het geld niet gezien. [medeverdachte 2] en ik zijn naar boven gegaan. De Turkse man die de drugs naar beneden had gebracht, is naar een rode auto gelopen, heeft de tas erin gezet en is in die auto gaan zitten. Boven aangekomen heb ik de tas met geld aan mijn broer gegeven. Mijn broer is vervolgens het geld gaan tellen. Ik heb nauwgezet toegekeken terwijl het geld werd geteld. De Turken keken ook toe. Ik heb bijna elk biljet bekeken.

Op een bepaald moment ging het te lang duren voor de tas met drugs werd gebracht. Wij vroegen steeds “waarom duurt het zo lang ?”. Ik vroeg dat aan [tussenpersoon 1]. Hij zei vraag het aan hem, wijzend op één van de andere Turken. [medeverdachte 2] werd ook nerveus en zei het duurt te lang. Op een bepaald moment was mijn broer het zat. Hij zei “wij gaan weg. Het duurt te lang”. Wij liepen weg. Mijn broer liep voorop, ik liep achter mijn broer en [medeverdachte 2] liep achter mij door de gang. De Turk die later is doodgeschoten zei “even wachten”. Hij stond bij de deur. Hij draaide zich om en ik zag dat hij een machinegeweer in zijn hand had. Mijn broer rende naar buiten. [medeverdachte 2] rende mij voorbij naar buiten. Ik bleef als enige over in de gang met de Turken. Ik werd door de Turk met het vuurwapen beetgepakt. Er ontstond een worsteling. Ik greep naar het vuurwapen. Ik werd door een andere Turk bij mijn benen beetgepakt. Op een gegeven moment hadden de Turk en ik samen het wapen vast. Ik zag dat [medeverdachte 2] terug was gekomen. Het vuurwapen waar ik met de Turk om vocht, ging af op het moment dat mijn hoofd naar beneden werd geduwd; het wapen maakte daarbij een draai en de loop werd naar boven gericht. Ik heb echt maar één salvo gehoord. Ik zag dat [medeverdachte 2] een vuurwapen in zijn hand had en dat hij het vuurwapen afschoot. Op dat moment liet de Turk het wapen los waarna ik het in mijn hand had. De andere Turk hield mij nog steeds vast bij mijn benen. Terwijl ik met de Turkse man vocht, had ik de tas met geld vast. Ik heb het wapen meegenomen toen ik uit de woning vluchtte en in mijn auto ben gestapt.

Ten aanzien van de verklaringen van de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank als volgt.

In de eerste plaats hebben zij alle drie hun verklaringen afgelegd geruime tijd nadat het schietincident in de woning aan de Oost-Sidelinge 73D heeft plaatsgevonden. Zij hebben in die zin ook de mogelijkheid gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen aan de hand van datgene wat zich in het dossier bevond. In dat licht is met name de verklaring van [medeverdachte 1], die is afgelegd ruim vier jaar na het schietincident, opvallend gelijkluidend aan die van de verdachte (en [medeverdachte 2]) als het gaat om bijvoorbeeld de volgorde van het verlaten van de woning nadat verdachte de deal afblies, waarbij hij zich kennelijk nog weet te herinneren dat [medeverdachte 2] eerst achter hem liep (zoals verdachte ook heeft verklaard) om hem bij het verlaten van de woning in te halen.

Ten tweede lijken de – wederom gelet op het tijdsverloop opvallend gelijkluidende - verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op diverse punten geenszins te stroken met het technisch onderzoek dat heeft plaatsgevonden. De verdachte stelt één salvo te hebben gehoord en ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verklaren dat het machinepistool eenmaal is afgegaan. Uit het technisch onderzoek blijkt echter dat zich op het lichaam van [slachtoffer 2] verschillende inschotplaatsen bevinden, in het hoofd en in het bovenlichaam, en uit het (nader) onderzoek van het NFI blijkt dat sprake is van verschillende schootsafstanden, hetgeen erop duidt dat ten minste sprake moet zijn geweest van twee salvo’s. Daarbij komt dat [slachtoffer 1] ook getroffen is door kogels uit (vermoedelijk) hetzelfde machinegeweer, in zijn armen en aan de voorzijde evenals de achterzijde van zijn lichaam.

Ten derde springt in het oog dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] allen verklaren over het naar boven brengen van het geld in de woning en het tellen daarvan, terwijl [slachtoffer 1] en [tussenpersoon 1] (en [tussenpersoon 2]) niets verklaren omtrent geld dat werd geteld in de woning of zelfs maar de aanwezigheid van een tas met geld. En het is juist met betrekking tot dit geld dat de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit elkaar lopen. De verdachte heeft op de terechtzitting van 22 juli 2011 verklaard dat het geld was samengesteld uit verschillende coupures, waaronder biljetten van 20 en 50 euro. Op dezelfde terechtzitting heeft de broer van verdachte evenwel stellig verklaard dat het ‘groot’ geld was, dat hij biljetten van 200 en 500 euro heeft gezien en géén kleine coupures. De broer van verdachte stelt dit expliciet. Het was netjes verpakt met elastiekjes en hij heeft gezien dat elk briefje werd geteld door zijn broer. [medeverdachte 2] heeft daarentegen nu juist weer verklaard dat niet alleen verdachte, maar ook zijn broer het geld telden.

Op voormelde gronden - in onderlinge samenhang bezien - acht de rechtbank de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] omtrent de toedracht van het schietincident als geheel ongeloofwaardig. De rechtbank heeft op grond van het voorgaande daarnaast de overtuiging gekregen dat verdachte (en zijn medeverdachten) nooit geld bij zich hebben gehad voor de verdovende middelentransactie. Daar komt nog eens bij dat verdachte uiterst vaag blijft over de herkomst van het geld (dat hij in een woning in Amsterdam van Engelse klanten zou hebben gekregen). Nu verdachte en zijn medeverdachten in die omstandigheden dus zonder geld de woning aan de Oost-Sidelinge zijn binnengegaan om verdovende middelen af te nemen, ligt het veeleer voor de hand dat - zoals ook uit de verklaringen vanuit de hoek van de verkopers volgt- het de verdachte en zijn medeverdachten zijn geweest die de intentie hadden een ripdeal te plegen en het vuur hebben geopend op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] om zich aldus meester te maken van de verdovende middelen.

De rechtbank is - evenals de officier van justitie - van oordeel dat de verklaringen van [tussenpersoon 1] in hun geheel geloofwaardig zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij is tevens van belang dat het relaas van [tussenpersoon 1] met betrekking tot het schietincident op essentiële punten ondersteund wordt door technisch onderzoek en verklaringen van getuige [slachtoffer 1]. Zowel [tussenpersoon 1] als het slachtoffer [slachtoffer 1] hebben zeer kort na het incident verklaard. Beiden verklaren dan gelijkluidend, dat het de Surinamers zijn geweest die met het automatische vuurwapen hebben geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dit betreft hun eerste verklaringen, vrijwel direct na het incident. Niet aannemelijk is dat zij hun verklaringen op enigerlei wijze op elkaar hebben afgestemd. Beide verklaringen kunnen voor het bewijs gebezigd worden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank nog als volgt. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting zelf verklaard dat de transactie een hoeveelheid van 20 kilogram heroïne betrof. Een ook [tussenpersoon 2] - geconfronteerd met het gegeven dat het om twintig kilogram heroïne ging - verklaart te vermoeden dat de koffer die hij in de Volkswagen Jetta plaatste die twintig kilogram heroïne bevatte. Dat de onderhavige drugsdeal ging om twintig kilogram heroïne wordt ook bevestigd door de medeverdachte [tussenpersoon 1], wanneer hij tegenover de politie verklaart dat ‘die negers het geld hadden voor twintig kilo bruin’ en dat ‘de Koerden vertelden dat zij genoeg hadden en twintig kilo konden leveren’. Ook het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft het tijdens zijn verhoor door de politie over een te leveren hoeveelheid drugs van twintig kilo.

Gelet op al het voorgaande overweegt de rechtbank dat bewezen is dat de verdachte aldus op enig moment 20 kilogram aan verdovende middelen van [slachtoffer 2] overhandigd heeft gekregen. De verdovende middelen werden op verzoek van [slachtoffer 2] door [tussenpersoon 2] in de auto van de verdachte geplaatst en de verdachte is daarmee samen met een of meer mededaders weggereden.

De verdachte en zijn medeverdachten hebben op geen enkel moment het voornemen gehad om het in een eerder stadium overeengekomen bedrag voor de verdovende middelen te betalen. Verdachte is van het begin af aan bij dit plan betrokken geweest. Hij was volgens zijn eigen verklaring zelfs de organisator van de drugsdeal. Hij heeft dus een zeer actieve rol gehad, namelijk die van de Engelsman. Ten aanzien van verdachte is derhalve ook sprake van een bewuste en nauwe samenwerking.

In plaats van te betalen, heeft zijn broer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] neergeschoten, waarna [slachtoffer 2] dientengevolge overleed en [slachtoffer 1] zwaar gewond achterbleef. In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van opzet op het voorhanden hebben van wapens en voorwaardelijk opzet op het gebruik daarvan (door zijn medeverdachten). In de hiervoor geschetste omstandigheden heeft van meet af aan de gerede kans bestaan dat de wapens ook daadwerkelijk zouden (moeten) worden gebruikt. De verdachte heeft ten slotte, met het plegen van deze feiten, beoogd het bezit van de wederrechtelijk verkregen verdovende middelen te verzekeren.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair.

Medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

2 subsidiair.

Medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Een drugsdeal in een woning in een woonwijk in Rotterdam is dramatisch uit de hand gelopen doordat de verdachte en zijn mededaders, in plaats van te betalen voor de geleverde heroïne, nadat deze aan hen was overgedragen en in de auto was geplaatst, de leveranciers van de heroïne hebben neergeschoten met een automatisch vuurwapen. Eén van de twee slachtoffers ([slachtoffer 2]) raakte dodelijk gewond, het andere slachtoffer ([slachtoffer 1]) raakte zwaar gewond.

Dit zijn zeer ernstige feiten. Met de doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 2], gepleegd met een automatisch wapen in een woning, gelegen in een woonwijk, hebben de verdachte en zijn mededaders het slachtoffer [slachtoffer 2] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden van [slachtoffer 2] onherstelbaar leed aangedaan. Een dergelijk feit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt daarnaast gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving.

De omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer 1] niet aan zijn verwondingen is overleden is een gelukkige, die geenszins aan het handelen van de verdachte te danken is.

Uit het totaal van de onderliggende dossierstukken ontstaat de indruk dat de verdachte en zijn mededaders al op voorhand van plan waren de heroïne niet te betalen en in plaats daarvan een zogenaamde ripdeal te plegen. Aan dat voornemen hebben zij uiting gegeven door een zeer brutaal optreden. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte en zijn mededaders tot een dergelijk gewelddadig handelen zijn overgegaan, kan niet anders dan als zeer schokkend worden omschreven.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het vervoer van de hiervoor genoemde heroïne. Heroïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof. Daarnaast is het gebruik ervan ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met de verdere verspreiding daarvan gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Uit het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 15 maart 2011 blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, zij het dat deze feiten van langere tijd geleden zijn.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het reclasseringsrapport van 28 december 2010 waarin is geconcludeerd dat er geen verplicht reclasseringscontact geïndiceerd is.

Gelet op alle omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd, de rol van verdachte en de straffen die in het algemeen bij soortgelijke delicten worden opgelegd, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer 1], wonende te Arnhem, terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 95,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,00.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering voor wat betreft de materiële schade worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,00, zodat ook dit onderdeel van de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 45, 47, 57 en 288 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf (12) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.095,00 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], wonende te [plaatsnaam], te betalen € 3.095,00 (zegge: drieduizend vijfennegentig euro);

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 3.095,00 (zegge: drieduizend vijfennegentig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van éénenzestig (61) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Van den Heuvel en Stalenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Kandemir-Akkal, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2011.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van [verdachte] van 6 juli 2011:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één, vuurwapen(s)

één of meer kogels in het hoofd en/of het lichaam geschoten, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

(artikel 289 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één,

vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een hoeveelheid

heroïne), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één,

vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

(artikel 287 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon

genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans één, vuurwapen(s), één of meer

kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft geschoten, zijnde de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 289 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans één,

vuurwapen(s), één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een

hoeveelheid heroïne), en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het

oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere

deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk

verkregene te verzekeren;

(artikel 288 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans één, vuurwapen(s),

één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Art. 2 B/C jo 10 Opiumwet)