Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR3956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
295109 / HA ZA 07-2762
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toezegging tot medewerking / toestemming nieuwe locatie voor benzinestaion? Onrechtmatige daad?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 295109 / HA ZA 07-2762

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DCB BEUKENLAAN BEHEER B.V.,

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres,

advocaat mr. B. van Nieuwaal,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HELLEVOETSLUIS,

zetelend te Hellevoetsluis,

gedaagde,

advocaat mr. A.A. den Hollander.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 24 oktober 2007 en de producties 1 tot en met 11;

- de conclusie van antwoord, met productie 1;

- de conclusie van repliek, met de producties 12 tot en met 24;

- de conclusie van dupliek, met productie 2;

- de akte van eiseres, met producties 25A en 25B;

- de antwoordakte van gedaagde.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.1. Eiseres is een bedrijf dat motorbrandstoffen distribueert en op diverse plaatsen in Nederland benzinestations exploiteert. In Hellevoetsluis heeft eiseres aan de Rijksstraatweg / P.C. Hooftstraat een benzinestation en autoverkoopbedrijf geëxploiteerd, zulks tot (circa) 1993. Het benzinestation is in 1996 afgebroken.

2.2. Begin jaren 90 hebben tussen partijen gesprekken plaatsgevonden in verband met de ter plaatse geconstateerde verontreinigingen en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot milieusanering. In 2002 heeft bodemsanering plaatsgevonden.

2.3. Aanvankelijk had eiseres het plan om na sanering ter plaatse een aantal woningen, een nieuw tankstation en een garagebedrijf / autoverkoopbedrijf te bouwen. Eiseres heeft daartoe de benodigde vergunningen verkregen, althans: er waren daarvoor geen beperkingen.

2.4. Uiteindelijk is op de locatie aan de Rijksstraatweg / P.C. Hooftstraat (uitsluitend) een zestigtal woningen gebouwd. De bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd (gebleven).

2.5. Eiseres heeft met gedaagde gesproken over een andere locatie voor een nieuw te bouwen tankstation. Een nieuwe locatie heeft eiseres tot heden niet verkregen.

3. Het geschil

3.1. Eiseres vordert, na eiswijziging, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

a. te verklaren voor recht dat gedaagde jegens eiseres gehouden is alle noodzakelijke medewerking te verlenen opdat ten gunste van eiseres, op het grondgebied van de gemeente Hellevoetsluis, een locatie voor een compenserend tankstation, te exploiteren door eiseres, ter beschikking komt;

b. te verklaren voor recht dat gedaagde in dat kader onder andere al het noodzakelijke onderzoek (en besluitvorming) doet plaatsvinden en zij ook anderszins - kort gezegd - loyaal is aan en zich sterk maakt voor de belangen van eiseres in deze, alles opdat voor eiseres een locatie voor een compenserend tankstation - passend (in het plaatselijke ruimtelijke kader) - ter beschikking komt;

c. voorwaardelijk - onder voorwaarde van toewijzing van de sub a en b gevorderde verklaringen voor recht - gedaagde te veroordelen in het kader van de sub a en b gevorderde verklaringen voor recht:

- het overleg met eiseres te hervatten,

- alle handelingen te (doen) verrichten, waaronder handelingen als sub b omschreven,

alles opdat voor eiseres te Hellevoetsluis een locatie voor een compenserend tankstation ter beschikking komt;

d. het sub c gevorderde op straffe van een dwangsom van € 100.000,= voor iedere dag c.q. elke overtreding van het sub c gevorderde;

e. met veroordeling van gedaagde tot vergoeding van alle schade die eiseres lijdt, heeft geleden en zal lijden, ten gevolge van haar wanpresteren althans onrechtmatig handelen, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

f. met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.

3.2. Gedaagde voert verweer tegen deze vorderingen en concludeert tot afwijzing daarvan, met veroordeling van eiseres in de kosten van de procedure.

4. De beoordeling

De grondslag van de vorderingen en het verweer

4.1. Eiseres legt aan haar vorderingen ten grondslag dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt, althans gedaagde een toezegging heeft gedaan, inzake een locatie voor een "compenserend tankstation", althans dat daaromtrent bij eiseres vertrouwen (/een verwachting) is gewekt door gedaagde. Eiseres duidt dit aan als de afspraak om elders in de gemeente Hellevoetsluis een nieuw (compenserend) tankstation te mogen oprichten (repliek 2.1), of als de afspraak dat indien het volledige bedrijf van eiseres wordt gesloten en door eiseres een geschikte locatie elders in de gemeente wordt gevonden voor de oprichting van een compenserend tankstation, deze locatie door gedaagde aan eiseres zal worden vergund (repliek 3.2.1). Eiseres leidt hieruit af dat gedaagde alle noodzakelijke medewerking behoort te verlenen en al het noodzakelijke moet doen - in die zin dat zij zich alle noodzakelijke inspanningen getroost - opdat een locatie voor een compenserend tankstation voor eiseres in Hellevoetsluis ter beschikking komt. Concreet stelt eiseres dat gedaagde gehouden is noodzakelijk onderzoek (en besluitvorming) te laten plaatsvinden en ook anderszins zich dient in te spannen voor de belangen van eiseres.

Haar vordering tot betaling van schadevergoeding baseert eiseres op het door haar gestelde nalaten van gedaagde met betrekking tot het ter beschikking komen voor eiseres van een locatie voor een tankstation (dagvaarding 25 en 26). Bij repliek (onder 6.8.5, 7.2, 7.5, 7.6.1 tot en met 7.6.5, 9.1.1 en 9.4.2) heeft eiseres dit nader toegelicht en daaraan de stellingen toegevoegd:

a) dat zij door gedaagde gedurende een aantal jaren bewust op het verkeerde been is gezet, althans onder onjuiste voorwendselen is bewogen tot het prijsgeven van haar bedrijf,

b) dat (het college van B&W van) gedaagde heeft nagelaten een voldoende duidelijk voorbehoud te maken voor toestemming/ontheffing van de raad en/of de provincie en/of de stadsregio, althans heeft nagelaten eiseres uitdrukkelijk er voor te waarschuwen dat het college slechts een inspanningsverplichting op zich nam.

Ter onderbouwing van haar voormelde stellingen beroept eiseres zich op de door haar in het geding gebrachte correspondentie en overige stukken.

4.2. Gedaagde heeft het bestaan van de gestelde afspraak gemotiveerd betwist en bestreden dat eiseres aan de uitlatingen zijdens gedaagde de verwachting heeft kunnen ontlenen dat sprake is geweest van een afspraak of toezegging. Gedaagde bestrijdt verder dat sprake is van onrechtmatig handelen.

Toezegging?

4.3. De rechtbank stelt voorop dat de door eiseres gestelde toezegging niet is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst of anderszins is opgenomen in een - op het vastleggen van verplichtingen gericht - (bewijs)stuk. Partijen hebben alleen een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst, gedateerd 12 mei 2003, gesloten ter zake van de bouw van 50 appartementen op voormeld terrein van eiseres. De omstandigheid dat hierin geen afspraak is opgenomen omtrent verplaatsing van het benzinestation, maakt niet - anders dan gedaagde lijkt te betogen - dat van de door eiseres gestelde afspraak geen sprake kan zijn of het bestaan hiervan onaannemelijk moet worden geacht.

Bij gebreke van een schriftelijk contract dient te worden bezien welke betekenis partijen over en weer hebben mogen toekennen aan elkaars verklaringen en gedragingen, waaronder te begrijpen de door partijen overgelegde correspondentie, besprekingsverslagen en dergelijke. De stellingen van partijen en de desbetreffende stukken zullen hierna tegen deze achtergrond worden beoordeeld.

4.4. Eiseres stelt dat in de besprekingen tussen haar en gedaagde eind 2001 door gedaagde een toezegging is gedaan, welke toezegging bevestiging vindt in de latere stukken (dagvaarding 15). Eiseres stelt dat uit de brief van 9 november 2001 (dagvaarding, productie 2) blijkt dat verplaatsing van onder meer het benzinestation onderdeel vormde van het overleg en dat vervolgens tijdens het overleg op 3 december 2001 de toezegging is gedaan, zoals blijkt uit het desbetreffende verslag dat is opgesteld door de toenmalige advocaat van eiseres (dagvaarding, productie 3). Volgens eiseres vindt deze toezegging ook bevestiging in het latere contact met gedaagde en de desbetreffende stukken.

Gedaagde heeft aangevoerd dat slechts is toegezegd te zullen meedenken met eiseres. Zij heeft betwist dat een toezegging als door eiseres bedoeld is gedaan en dat deze zou kunnen worden afgeleid uit de overgelegde producties.

4.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stellingen van eiseres, bezien in samenhang met de producties waarop zij een beroep doet, niet het bestaan van een rechtens afdwingbare verplichting voor gedaagde worden afgeleid. Hierbij heeft de rechtbank het volgende aanmerking genomen.

4.5.1. In de eerste plaats is de door eiseres gestelde toezegging om alle noodzakelijke medewerking te verlenen (zie hiervoor, onder 4.1) geen eenduidig bepaalbare verbintenis (vergelijk artikel 6: 227 BW). Niet duidelijk is of de toezegging zou zien op het verlenen van toestemming / medewerking op basis van bepaalde regelgeving en/of op gronduitgifte en/of op het verlenen van een bouwvergunning en/of op het toekennen aan eiseres van een voorkeurs- of voorrangspositie in het kader van het beleid met betrekking tot benzinestations en/of op een ander aspect van benodigde of gewenste medewerking door gedaagde.

4.5.2. In de tweede plaats heeft eiseres geen concrete feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde meer op zich heeft willen nemen dan dat zij de wens van eiseres om een concrete andere locatie te vinden met een zekere welwillendheid tegemoet zou treden. Eiseres diende de uitlatingen van gedaagde te bezien tegen de feitelijke achtergrond dat de exploitatie van haar benzinestation al in 1994 was beëindigd, dat nog slechts sprake was van een mogelijkheid tot heroprichting daarvan op de oude locatie en dat het vervolgens haar eigen beslissing en eigen initiatief was, ingegeven door de saneringsnoodzaak ter plaatse, om niet tot heroprichting van een benzinestation op de oude locatie over te gaan. Dit laatste volgt uit de door eiseres bij dagvaarding overgelegde producties 2, 3 en 4, die hierna worden besproken.

4.5.3. In productie 2, een brief van 9 november 2001 aan het college, heeft eiseres aangegeven dat zij vele varianten op de financiële haalbaarheid heeft getoetst en op basis daarvan heeft moeten vaststellen dat de realisering van de aanvankelijke plannen mogelijk niet haalbaar is, waarna de wens is ontstaan het benzinestation c.a. op een "separate" locatie te ontwikkelen en op de oude locatie een groter aantal appartementen te realiseren. In vervolg daarop heeft eiseres in dezelfde brief aangegeven bereid te zijn af te zien van de vestiging van een benzinestation (c.a.) op de oude locatie, indien door gedaagde volledige medewerking wordt verleend aan de realisering van een nieuw benzinestation aan de buitenrand van de gemeente, welke bedrijfsverplaatsing eiseres dan ziet als compensatie voor het afzien van het heroprichten van een benzinestation op de oude locatie. Eiseres vraagt vervolgens schriftelijk te mogen vernemen van gedaagde.

In productie 3, een verslag van een bespreking van 3 december 2001, opgesteld door de toenmalige advocaat van eiseres, staat onder meer dat van de kant van eiseres is aangegeven dat er voor is gekozen om de locatie aan de Rijksstraatweg geheel te bestemmen voor woningbouw. De wethouder heeft in reactie hierop aangegeven niet gelukkig te zijn met de nieuwe plannen om op de locatie alleen maar woningen te realiseren, maar anderzijds wel blij te zijn met een "uitplaatsing" van het garagebedrijf en benzineverkooppunt naar een andere locatie, aldus het verslag, dat voorts inhoudt:

"De heer Van Wijk geeft aan dat de gemeente bereid is mee te denken met Berkel over de verplaatsing van een en ander, doch zulks zal moeten passen binnen het bestemmingsplan.

Partijen komen vervolgens te praten over de strook grond, liggende tussen de Ravense Hoek en Ravens Hout, dat thans in eigendom is van de Hervormde Kerk en op welk perceel bovendien thans nog een pachter zit.

Een deel daarvan is bestemmingstechnisch gepland voor een gronddepotbank voor de vrijkomende gronden van diverse woningbouwprojecten in de gemeente.

Wellicht dat een deel van die grond te zijner tijd bestemd kan gaan worden voor de oprichting van een benzineverkoop; evenwel zal dan eerst het Streekplan moeten worden herzien, welke herziening niet eerder dan in 2003 zal plaatsvinden en in welk geval Berkel betrokken zal worden uit hoofde van compensatie als vervanging/verplaatsing van de locatie Rijksstraatweg.

(...)

Mevrouw Berkel zegt met regelmaat bij de gemeente te zullen informeren naar het moment waarop het streekplan daadwerkelijk wordt herzien, zodat op dat moment de gemeente en Berkel gezamenlijk kunnen proberen invulling te geven aan de oprichting van een benzineverkooppunt op een deel van het perceel gelegen tussen de Ravense Hoek en Ravens Hout."

In productie 4, een ambtelijk rapport van gedaagde van 20 februari 2002, is vermeld:

"Vervolgens heeft [x] aangegeven, het bestemmingsplan Zuid-West heeft inmiddels rechtskracht verkregen, om voor het de betreffende locatie voor een ander concept te kiezen. Dit concept gaat uit van specifiek woningbouw op de onderhavige locatie en geen bedrijfsactiviteiten meer. Wel wil [x] in overleg met de gemeente komen tot de realisering van een benzineverkooppunt met mogelijk garagebedrijf op een andere locatie.

Afgesproken is dat [x] zelf omziet naar een perceel en daarna de gemeente verzoekt of realisering tot de mogelijkheden behoort."

Tegen deze achtergrond heeft eiseres haar bij repliek (onder 2.1 en 3.1.4. e.v.) ingenomen standpunt dat sluiting van het volledige bedrijf op verzoek van gedaagde is geschied, onvoldoende concreet onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd. Om deze reden moet in deze procedure worden aangenomen (zoals gedaagde heeft aangevoerd; conclusie van antwoord, onder 11) dat eiseres om financiële redenen er zelf al voor had gekozen om de bedrijfsactiviteiten ter plaatse niet voort te zetten, vóórdat zij haar wens tot hervestiging op een andere locatie aan gedaagde voorlegde. Derhalve valt niet in te zien dat sprake zou moeten zijn van een financieel te waarderen compensatie door gedaagde, ook al was gedaagde blij met verplaatsing van het benzinestation. In dat licht diende eiseres de uitlatingen aan de kant van gedaagde te beschouwen, met als gevolgtrekking dat eiseres daaraan geen vergaande verplichtingen voor gedaagde heeft mogen toedichten. De enkele omstandigheid dat de term "compensatie" zou zijn gebruikt in het contact tussen partijen, maakt het voorgaande niet anders, zeker niet omdat aan deze term geen concrete uitwerking is gegeven.

4.5.4. Bij conclusie van antwoord (onder 11) heeft gedaagde gesteld dat eiseres bij het plan voor de bouw van 50 appartementen heeft "afgezien" van de verplaatsing van het benzinestation, hetgeen volgens haar ook logisch is omdat het bewuste perceel niet meer voor bedrijfsactiviteiten zou worden gebruikt. Gelet op deze toelichting van gedaagde, begrijpt de rechtbank haar stelling aldus, dat eiseres heeft afgezien van herplaatsing van het benzinestation op de oude locatie. Dit is hiervoor al besproken. De aldus op te vatten stelling van gedaagde mist daarom verder relevantie.

4.5.5. De overige stukken waarop eiseres zich beroept, de producties 5 en volgende, borduren voort op de door eiseres aangenomen toezegging en hebben in zoverre geen zelfstandige betekenis.

Ook aan de producties 10 en 11, een besprekingsverslag van 16 augustus 2005 en een brief van gedaagde van 26 september 2005, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. In het besprekingsverslag is opgenomen dat door eiseres, als toelichting op de historie van het dossier, melding is gemaakt van een door gedaagde gedane toezegging. In de brief heeft gedaagde bevestigd dat het verslag de belangrijkste elementen van de bespreking weergeeft. Gedaagde heeft aangevoerd dat de desbetreffende ambtenaar, die voor het eerst bij de kwestie betrokken was, de gestelde toezegging verkeerd heeft geïnterpreteerd en hieraan een verkeerde betekenis heeft toegekend omdat er geen sprake was van een compensatie. Een en ander had slechts de betekenis dat gedaagde zou meedenken over het vinden van een geschikte locatie, aldus gedaagde (vergelijk conclusie van antwoord, pagina 17 en 18).

Niet in discussie is dat het besprekingsverslag als verslag van het besprokene juist kan worden geacht. Dit wil evenwel niet zeggen dat hieraan het bewijs kan worden ontleend dat de tijdens die bespreking geschetste toezegging van (uiterlijk) eind 2001, ook daadwerkelijk is gedaan. Hiervoor is overwogen en beslist dat eiseres onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit die toezegging kan worden afgeleid. Dit wordt niet anders door het besprekingsverslag, ook al zouden een of meer ambtenaren in 2005 (dus bijna vier jaar na dato) het bestaan van een toezegging tot medewerking hebben "bevestigd". Van belang is dat partijen ieder een geheel ander beeld hadden van de reikwijdte van de door gedaagde te verlenen medewerking, in welk licht aan het besprekingsverslag en de bevestiging daarvan geen doorslaggevende betekenis toekomt.

4.5.6. Het heeft op de weg van eiseres gelegen zich (tijdig) er van te vergewissen of gedaagde enige verplichting tot compensatie op zich heeft willen nemen, en zo ja, welke inhoud die verplichting zou hebben. Dit geldt zeker voor zover planologische en/of andere aspecten een rol zouden kunnen spelen en om die reden slechts bepaalde organen binnen gedaagde beslissingsbevoegd zouden zijn, hetgeen gelet op de bij eiseres te veronderstellen ervaring bij haar bekend moet zijn geweest.

In dit kader valt op dat eiseres bij brief van 9 november 2001 aan het college (dagvaarding, productie 2) heeft verzocht om schriftelijk te mogen vernemen (ook omtrent de wens aan de buitenrand van de gemeente te komen tot realisering van een nieuw benzinestation) en dat gesteld noch gebleken is dat de gevraagde reactie door gedaagde is gegeven, dan wel dat eiseres hierop nog heeft aangedrongen. Dit laatste blijkt ook niet uit het (eigen) verslag van eiseres van de bespreking van 3 december 2001 (dagvaarding, productie 3).

4.5.7. Hetzelfde geldt voor de door eiseres bij repliek (als productie 18) overgelegde brief aan gedaagde van 2 juli 2001, waarin staat dat eiseres de afspraken met gedaagde voor alle duidelijkheid wenst vast te leggen, waarna een opsomming van door eiseres gestelde afspraken volgt. Gesteld noch gebleken is dat hierop een reactie is verkregen van gedaagde. Van haar kant heeft gedaagde aangevoerd dat deze brief haar niet bekend is. Zij betwist de ontvangst daarvan en stelt dat in de diverse besprekingen nooit met een woord over het bestaan en of de inhoud van deze brief is gesproken.

De rechtbank stelt vast dat de bekendheid met deze brief en/of de ontvangst daarvan, gelet op de betwisting door gedaagde, in deze procedure niet vaststaat. Bij akte is eiseres hierop nog ingegaan, stellende dat zij de brief destijds heeft verzonden en dat de brief mogelijk ook nog ter hand is gesteld aan een gemeenteambtenaar.

Bij gebreke van een nadere onderbouwing en van een (specifiek) bewijsaanbod, ziet de rechtbank geen aanleiding eiseres op dit onderdeel tot bewijsvoering toe te laten. Bovendien, ook al zou de ontvangst van de brief van 2 juli 2001 door gedaagde wel vaststaan, niet blijkt van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat gedaagde met de inhoud hiervan heeft ingestemd.

Verder zijn zonder nadere toelichting (die eiseres niet heeft gegeven) de inhoud van de brief van 2 juli 2001 en de stelling van eiseres dat op dat moment op grond van de afspraak was besloten het volledige bedrijf te amoveren (repliek, onder 5.5.2) qua tijdsverloop niet te rijmen met de hiervoor besproken producties 2 en 3 van eiseres. Deze producties dateren van november 2001 en eind december 2001 en zouden - volgens eiseres - steun bieden voor haar stelling dat in die periode een toezegging door gedaagde is gedaan.

Indien eiseres heeft beoogd aan te voeren dat reeds (ruim) vóór november / december 2001 de door haar gestelde toezegging door gedaagde is gedaan, heeft zij de totstandkoming daarvan onvoldoende concreet en onvoldoende gemotiveerd onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

4.5.8. Geen betekenis kan worden toegekend aan de door eiseres gestelde omstandigheid dat zij, met het oog op de medewerking aan verplaatsing van het benzinestation, in het kader van de sanering heeft afgezien van gebruikmaking van de zogenoemde Subat-regeling en derhalve meer dan nodig zelf kosten heeft gemaakt. Eiseres heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat dit oogmerk kenbaar is gemaakt aan gedaagde, hetgeen wel op de weg van eiseres heeft gelegen. De enkele stelling (vergelijk repliek 3.3.1) dat eiseres er in het kader van de afspraak voor heeft gekozen, in overleg met gedaagde, om de sanering van het perceel uit eigen middelen te bekostigen, is daarvoor onvoldoende, waarbij opmerking verdient dat niet in geschil is dat er voor eiseres een saneringsnoodzaak bestond.

4.6. De door eiseres gestelde toezegging is derhalve in rechte niet komen vast te staan. Er is geen sprake van een verplichting tot medewerking in de door eiseres gestelde zin.

Voor zover aangenomen moet worden dat gedaagde op zich heeft willen nemen dat zij de wens van eiseres om een andere locatie te vinden met een zekere welwillendheid tegemoet zou treden, betreft dit - reeds bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid - geen afdwingbare verbintenis.

Onrechtmatige daad?

4.7. Bij repliek heeft eiseres haar vordering gewijzigd en nadruk gelegd op haar vordering uit onrechtmatige daad. Voor zover eiseres daaraan ten grondslag heeft gelegd dat zij onder onjuiste voorwendselen is bewogen tot het prijsgeven van haar volledige bedrijf, vindt deze stelling beoordeling in voorgaande overwegingen. De rechtbank heeft aangenomen dat het initiatief bij eiseres zelf heeft gelegen.

Voor zover eiseres gedaagde verwijt te hebben nagelaten een voorbehoud te maken in verband met benodigde toestemming / ontheffing van de raad en/of de provincie en/of de stadsregio, geldt dat zonder nadere toelichting (die eiseres niet heeft gegeven) niet valt in te zien dat het eiseres niet bekend is geweest dat medewerking van bepaalde organen nodig is voor onder andere planologische ontwikkelingen. Eiseres stelt immers zelf op diverse plaatsen in Nederland tankstations te exploiteren en dat dit veelvuldig tot overleg met overheden leidt, onder meer in verband met ruimtelijke ontwikkelingen.

Voor zover eiseres onrechtmatigheid baseert op de stelling dat gedaagde heeft nagelaten eiseres uitdrukkelijk er voor te waarschuwen dat het college slechts een inspanningverplichting op zich wilde nemen, geldt dat - zoals hiervoor overwogen - het juist op de weg van eiseres zelf heeft gelegen voor een tijdige en deugdelijke bevestiging en vastlegging van (gestelde) afspraken zorg te dragen.

4.8. Voor wat betreft het verwijt van eiseres aan het adres van gedaagde dat deze haar gedurende een aantal jaren bewust op het verkeerde been heeft gezet en zij intussen aanzienlijke kosten heeft gemaakt voor locatiestudies en het perceel H102 heeft aangekocht, overweegt de rechtbank het volgende.

4.8.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de aankoop van perceel H102 een in overwegende mate speculatieve aankoop gedaan. Eiseres heeft perceel H102 in november 2004 gekocht (repliek, onder 6.5.4). Volgens de eigen stellingen van eiseres (repliek, onder 5) rustte op dat perceel een agrarische bestemming en was een ontheffing / vrijstelling van het bestemmingsplan nodig, hetgeen op weerstand stuitte bij de provincie / stadsregio en (daarom) bij de gemeenteraad, waarna de op dit perceel betrekking hebbende vergunningaanvraag van eiseres is afgewezen.

Gelet op de datum van aankoop kan in dit kader niet doorslaggevend zijn de stelling van eiseres (repliek, onder 4.2.4) dat door de benzinepompennota (van 7 juli 2008) en de daarin aangegeven marktruimte niets (meer) in de weg stond aan het bepalen van een geschikte locatie, welke eiseres meende te hebben gevonden in perceel H102.

Bovendien, eiseres heeft kennelijk het risico genomen dat de raad zou afwijken van de benzinepompennota, welk risico zich heeft gerealiseerd. De raad heeft in september 2008 beslist (zie dupliek, pagina 8) dat geen medewerking zal worden verleend aan een uitbreiding van het aantal benzinestations (terwijl eiseres ook niet als een te verplaatsen bestaand benzinestation is aangemerkt).

De stelling dat gedaagde niet genoegzaam heeft onderbouwd dat thans geen (markt)ruimte meer aanwezig is voor de oprichting van een nieuw tankstation (akte eiseres, onder 8) doet niet af aan de overweging dat eiseres genoemd risico heeft genomen en miskent de desbetreffende beleidsruimte in de gemeentelijke besluitvorming.

Of eiseres heeft gehandeld op grond van de door haar gestelde compensatieafspraak of toezegging (repliek, onder 6.5.5) kan in het midden blijven, omdat hiervoor is geoordeeld dat die afspraak of toezegging niet is komen vast te staan. Bovendien was die afspraak of toezegging ook in de stellingen van eiseres niet gericht op perceel H102. Dat eiseres dit perceel zelf geschikt achtte op grond van een aantal omstandigheden, maakt de aankoop niet minder speculatief.

4.8.2. Voor wat betreft perceel H92 voert eiseres aan dat zij door gedaagde in de veronderstelling is gebracht dat op dat perceel geen (planologische) mogelijkheid zou bestaan voor de realisering van een nieuw tankstation. Volgens eiseres heeft zij dit perceel als geschikte locatie aan gedaagde voorgesteld in mei / juni 2001 en werd reeds in haar brief van 2 juli 2001 (zie hiervoor, onder 4.5.7) gesproken over dit perceel en wordt op dit perceel gedoeld in het besprekingsverslag (pagina 3) van 3 december 2001. Gedaagde heeft eiseres toen evenwel medegedeeld dat de provincie niet akkoord zou gaan met vestiging van een tankstation ter plaatse, aldus eiseres, waarna zij onderzoek heeft laten verrichten naar andere locaties en - nog steeds overtuigd van de ruimtelijke mogelijkheden op dit perceel (zie repliek 6.4.1) - naar locatie H92. Eiseres stelt dat haar pas in mei 2009 is gebleken dat gedaagde perceel H92 op 20 november 2003 - kort na presentatie van een in opdracht van eiseres uitgevoerde locatiestudie (september 2003) met betrekking tot deze locatie - zelf heeft gekocht en inmiddels op grond van een recente structuurvisie aldaar een nieuw, door een ander dan eiseres te exploiteren, tankstation heeft geprojecteerd. Eiseres stelt dat deze aankoop door gedaagde slechts kan worden geplaatst in het plan om op (of nabij) perceel H92 een tankstation door een derde te laten realiseren, zonder eiseres hierover te informeren.

4.8.3. Gedaagde heeft in reactie hierop aangevoerd dat zij al sinds 1996 doende is perceel H92 in eigendom te verkrijgen voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk Ravense Hoek en dat de toenmalige eigenares begin 1997 heeft laten weten bereid te zijn tot overleg over de mogelijke verkoop ná het bereiken van overeenstemming met de pachter. Vervolgens hebben diverse besprekingen plaatsgevonden tussen gedaagde, de pachter en de eigenares, waarna in juli 2003 volledige overeenstemming is bereikt en de grond in november 2003 aan gedaagde is overgedragen, aldus gedaagde. De bestemming ter plaatse is deels "groendoeleinden stadszone" en deels "verkeersdoeleinden" (bestemmingsplan Ravensehoek; raadsbesluit 16 september 1999). Gedaagde stelt dat eiseres heeft getracht perceel H92 te kopen van de toenmalige eigenares en dat deze eiseres heeft laten weten daar niets voor te voelen en met betrekking tot deze gronden alleen met gedaagde tot zaken te willen komen, zodat het eiseres bekend was dat dit perceel vermoedelijk door gedaagde zou worden verworven en dat het bestemmingsplanmatig niet mogelijk was daar een benzinestation te bouwen (dupliek, pagina 12). Dit laatste heeft gedaagde ook steeds aangegeven. Een en ander wordt niet anders, aldus gedaagde, door de omstandigheid dat onlangs contact met de provincie is gezocht over de mogelijkheid van verplaatsing van een bestaand benzinestation aan de Moriaanseweg naar een locatie naast de rotonde die inmiddels op perceel H92 is aangelegd. De provincie, die hier altijd faliekant tegen is geweest, acht het thans gelet op de nieuwe situatie niet uitgesloten dat zij alsnog medewerking verleent aan de vestiging van een benzinestation aldaar, in welk geval het benzinestation aan de Moriaanseweg daarnaar kan worden verplaatst, aldus gedaagde, die concludeert dat eiseres niet op het verkeerde been is gezet.

4.8.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres deze feitelijke uiteenzetting door gedaagde vervolgens niet afdoende betwist. Eiseres heeft bij akte aangevoerd dat niet juist is dat de provincie er "altijd faliekant tegen is geweest" om ter plaatse een tankstation te bouwen, zich daarbij beroepend op een telefoonnotitie betreffende een gesprek op 29 januari 2009 tussen de advocaat van eiseres en een betrokken provincieambtenaar. Eiseres citeert hieruit als volgt:

"7. (…) Wel werd daarbij door [y] (provincieambtenaar, toev. adv.) de opmerking geplaatst dat bij eerste lezing (van de afwijzing van de vergunningaanvraag van [x], toev. adv.) de indruk ontstaat als ware de gemeente zich bij haar besluitvorming (tevens) achter de provincie tracht te verschuilen.

8. (…)

9. Echter zouden van de zijde van de provincie geen / minder bezwaren bestaan tegen de vestiging van een tankstation aan de overzijde van perceel H 102 ("binnengebied") (bedoeld wordt perceel H 92 en/of de nabijheid daarvan, toev. adv.). (…) [y] herinnerde zich dat hierover (een locatie in het binnengebeid) (perceel H 92 en/of in de nabijheid daarvan, toev. adv.) "enkele jaren geleden (dus "enkele jaren" voorafgaand aan het overleg d.d. 12 december 2008, vgl. sub 5.3 e.v. CvR) ook al overleg tussen de provincie en gemeente is geweest" (onderstr. adv.).".

Eiseres leidt hieruit af dat al in de loop van 2005 genoemd overleg heeft plaatsgevonden.

4.8.5. Genoemde besluitvorming heeft - zo begrijpt de rechtbank - betrekking op de bouwaanvraag voor perceel H102. Niet valt in te zien dat voor de discussie over perceel H92 relevant is of de indruk is kunnen ontstaan dat gedaagde in haar desbetreffende besluitvorming heeft getracht zich achter de provincie te verschuilen.

Voor wat betreft perceel H92 is volgens de telefoonnotie opgemerkt dat "geen / minder bezwaren" bestaan tegen de vestiging van een tankstation, hetgeen op zichzelf aansluit bij de stellingen van gedaagde. De vraag is of hiervan al (veel) langer sprake is geweest en of gedaagde dat dan heeft geweten.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet eenduidig uit de telefoonnotie worden afgeleid wanneer en in welke mate bekendheid bij gedaagde heeft bestaan over het bestaan van "geen / minder bezwaren" bij de provincie als hiervoor bedoeld.

Maar als al moet worden aangenomen dat gedaagde al enkele jaren - bijvoorbeeld vanaf 2005 - wist dat de bouw van een tankstation op perceel H92 bij de provincie niet op doorslaggevende bezwaren zou hoeven stuiten, dan is de vervolgvraag of gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door dit niet mede te delen aan eiseres.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Weliswaar zou bedoelde informatieverstrekking ten goede zijn gekomen aan een 'transparante' bejegening van eiseres, maar het achterwege blijven daarvan kan niet onrechtmatig worden geacht in de omstandigheden van het geval. Niet (gemotiveerd) betwist is de stelling van gedaagde dat zij al sinds 1996 doende was perceel H92 in eigendom te verkrijgen voor de ontsluiting van de nieuwe woonwijk Ravense Hoek. Verder heeft gedaagde eiseres al in 2001 medegedeeld dat de provincie niet akkoord zou gaan met vestiging van een tankstation ter plaatse, hetgeen in elk geval voor dat moment juist moet worden geacht. Perceel H92 was hiermee in de visie van gedaagde voor eiseres van de baan.

De omstandigheid dat gedaagde nadien met het oog op de mogelijkheid van verplaatsing van een bestaand benzinestation aan de Moriaanseweg, alsnog - met positief resultaat, naar het lijkt - in overleg is getreden met de provincie, doet daaraan geen afbreuk. Gedaagde achtte zich immers - zie de voorgaande overwegingen: terecht - niet gebonden door een (door eiseres gestelde) afspraak of toezegging om eiseres een voorrangspositie toe te kennen, laat staan specifiek met betrekking tot perceel H92.

Eindconclusie en proceskosten

4.9. De eindconclusie is dat de vorderingen van eiseres niet toewijsbaar zijn. Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure te dragen. De door gedaagde gemaakte advocaatkosten worden daarbij forfaitair begroot op basis van de zogenoemde Liquidatietarieven (2,5 punten in tariefgroep II).

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde begroot op € 251,= wegens vast recht en € 1.130,= voor advocaatkosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.(

[1694 / 1980]