Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR3558

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
381484 / HA RK 11-139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen met bepaling dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster op dezelfde of soortgelijke gronden als in de onderhavige zaak en in het onderhavige wrakingsincident zijn gesteld, niet meer in behandeling zal worden genomen. De enkele omstandigheid dat de kantonrechter bij vonnis van 12 mei 2011 een comparitie van partijen heeft gelast, een beslissing die verankerd ligt in de artikelen 87 en 88 Rv, levert geen zwaarwegende aanwijzingen op partijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 29 juli 2011

Zaaknummer: 381484

Rekestnummer: HA RK 11-139

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoekster],

wonende te [adres],

verzoekster,

strekkende tot wraking van [naam kantonrechter], kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Bij vonnis d.d. 12 mei 2011 is door de kantonrechter [naam kantonrechter] in de zaak van de VvE van het appartementsgebouw aan de [adres] tegen [naam verzoekster] met zaaksnummer 1229592\CV EXPL 11-21878 bepaald tot een comparitie van partijen. Na verscheidende brieven aan de rechtbank onder andere gericht aan de president van de rechtbank en aan de sectorvoorzitter van de sector Kanton, wraakt verzoekster bij brief van 21 juni 2011 uiteindelijk [naam kantonrechter] omdat deze volgens verzoekster ondanks nietigheid van het tussenvonnis de comparitie van partijen doorzet.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

* de dagvaarding d.d. 4 april 2011 van de VVE [adres] als eiseres tegen verzoekster als gedaagde;

* de schriftelijke reactie d.d. 4 april 2011 van verzoekster op de dagvaarding;

* het (tussen)vonnis van kantonrechter [naam kantonrechter] d.d. 12 mei 2011;

* de brief d.d. 26 mei 2011 van verzoekster aan de rechtbank;

* de brief d.d. 8 juni 2011 van verzoekster aan de rechtbank;

* de brief d.d. 9 juni 2011 van verzoekster aan de rechtbank;

* de brief d.d. 10 juni 2011 van de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank;

* de brief d.d. 21 juni 2011 van verzoekster aan de wrakingskamer, met daarin het verzoek tot wraking van kantonrechter [naam kantonrechter];

* de brief d.d. 15 juni 2011, met bijlagen van verzoekster aan de wrakingskamer inzake het wrakingsverzoek van [naam kantonrechter 2];

* de oproeping d.d. 22 juni 2011 van verzoekster voor de zitting van de wrakingskamer op 18 juli 2011 te 10.00 uur voor de behandeling van haar verzoek tot wraking van [naam kantonrechter];

* de oproeping van [naam kantonrechter] voor de zitting van de wrakingskamer;

* de kennisgeving aan de gemachtigde van eiseres m.b.t. de indiening van het wrakingsverzoek en de zitting van de wrakingskamer;

* de schriftelijke reactie d.d. 23 juni 2011 van [naam kantonrechter] ten aanzien van het wrakingsverzoek;

* de in afschrift aan de secretaris van de wrakingskamer toegezonden brief d.d. 27 juni 2011 van verzoekster aan de president en de directeur bedrijfsvoering;

* de brief van 27 juni 2011 van verzoekster aan de wrakingskamer

* de brief van de secretaris van de wrakingskamer d.d. 29 juni 2011 aan verzoekster.

Het verzoek tot wraking van de kantonrechter is behandeld op de terechtzitting van de wrakingskamer van 18 juli 2011, 10.00 uur.

Verzoekster is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2. De verzoeken en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van haar wrakingsverzoek d.d. 21 juni 2011 van heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

Verzoekster constateert dat er sprake is van rechtsweigering en dat bij rechtsweigering gelijk aan wraking de bodemzaak wordt stilgelegd. De kantonrechter zet de comparitie door hoewel diens tussenvonnis nietig is en dus niet uitgevoerd is. Daarnaast verwijst verzoekster naar haar argumenten bij haar schriftelijk verzoek tot wraking van rechter [naam kantonrechter 2] van 15 juni 2011 en verzoekt deze als herhaald en ingelast te beschouwen.

Op 27 juni 2011 heeft verzoekster een nadere brief gestuurd waarin zij als aanvullende grond voor wraking aanvoert dat de kantonrechter jegens haar heeft getoond dat hij niet-onafhankelijk jegens verzoekster en zelfs strafrechtelijk vervolgbaar handelt.

2.2

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust.

Voornoemde kantonrechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de kantonrechter kan opleveren.

3. De ontvankelijkheid van het verzoek

3.1.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van onderhavig wrakingsverzoek overweegt de rechtbank het volgende:

Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De verzoeker is ingevolge het derde lid verplicht alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn verzoek brengen, tegelijk voor te dragen.

Ten aanzien van de door verzoekster bij brief van 27 juni 2011 aangevoerde aanvullende gronden kan niet worden gesproken van feiten of omstandigheden die pas na haar eerdere verzoek van 21 juni 2011 aan de verzoekster bekend zijn geworden,

Verzoekster is voor zover haar wrakingsverzoek is gestoeld op de argumenten vervat in haar brief d.d. 27 juni 2011, derhalve niet-ontvankelijk in haar verzoek.

4. De beoordeling

4.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.2

Aan de door verzoekster bij brief d.d. 21 juni 2011 aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de kantonrechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de kantonrechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

De enkele omstandigheid dat de kantonrechter bij vonnis d.d. 12 mei 2011 een comparitie van partijen heeft gelast, een beslissing die verankerd ligt in de artikelen 87 en 88 Rv, levert geen zwaarwegende aanwijzingen zoals hiervoor bedoeld op. Van een nietig vonnis is in casu geen sprake en evenmin is er sprake van rechtsweigering.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden aangaande de genoemde rechter die de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden kunnen doen lijden.

De conclusie moet dan ook zijn dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

Gelet op de inhoud van het wrakingsverzoek, de veelheid van de verzoeken om wraking die in onderhavige procedure zijn gedaan en hun inhoud, ziet de wrakingskamer aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Rv. De wrakingskamer stelt vast dat sprake is van misbruik van het rechtsmiddel wraking en zal daarom bepalen dat een volgend verzoek om wraking in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.

5. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [naam kantonrechter];

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster dat op dezelfde of soortgelijke gronden als in de onderhavige zaak en in het onderhavige wrakingsincident zijn gesteld, niet meer in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven op 29 juli 2011 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. L.A.C. van Nifterick en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2011 in tegenwoordigheid van mr. Versloot, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de jongste rechter en de griffier ondertekend.