Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR2593

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
379769 / KG ZA 11-484
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Paragraaf 10 UAV-CG 2005; vordering gemeente tot nakoming afgewezen; Ballast Nedam heeft op rechtens juiste gronden de overeenkomst buitengerechtelijk kunnen ontbinden".

Wetsverwijzingen
Bouwbesluit 2003
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 379769 / KG ZA 11-484

Vonnis in kort geding van 21 juli 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE ROTTERDAM (meer in het bijzonder haar dienst het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam, vanaf 1 juni 2011 geheten: het Cluster Stadsontwikkeling),

zetelend te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. G. 't Hart,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BALLAST NEDAM INFRA B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. R.M. Sluijter.

Partijen zullen hierna OBR en Ballast Nedam genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van OBR

- de pleitnota van Ballast Nedam.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

OBR heeft in 2008 een Europese aanbesteding gehouden voor het ontwerp en de realisatie van een P+R parkeergarage en doelgroepenstrook naast metrostation Kralingse Zoom gelegen aan de westzijde van de Rijksweg A16 te Rotterdam.

De opdracht met betrekking tot het werk is als "design & construct" in de markt gezet onder toepassing van de Uniforme Voorwaarden voor Geïntegreerde Contractvormen 2005 (hierna: de UAV-GC). Op grond van een bij de aanbesteding verstrekte vraagspecificatie (hierna: de Vraagspecificatie) is de opdrachtnemer gehouden het werk eerst te ontwerpen en vervolgens conform dat ontwerp uit te voeren.

Ballast Nedam heeft op de aanbesteding ingeschreven en deed de winnende aanbieding. De opdracht tot ontwerp en uitvoering van het werk is vervolgens door OBR aan Ballast Nedam gegund. Partijen sloten daartoe op 27 april 2009 een overeenkomst.

Het Programma van Eisen voor het ontwerpen van nieuw te bouwen parkeergarages van Stadstoezicht Rotterdam d.d. 1 december 2005 (hierna: PvE) luidt - voor zover relevant - :

"1 Inleiding

(...)

De NEN 2443 "parkeren en stallen van personenauto's op terreinen en in garages" dient te worden aangehouden. Indien de eisen uit dit PvE de voorschriften en normen overstijgen zijn de eisen uit dit PvE in die gevallen leidend en bepalend.

(...)

5 Vloer en wandopeningen

(...)

5.2 Ventilatie parkeergarage

Als uitgangspunt voor het gehele gebouw geldt dat dit op natuurlijke wijze geventileerd wordt. Hiertoe voldoende openingen in wanden toepassen (zie NEN 2443).

Conform hetgeen gesteld bij 4.1. mogen openingen in daken niet hiertoe dienen.

Indien, uitsluitend na overleg met STZ, blijkt dat om ontwerptechnische of andere moverende redenen het principe van natuurlijke ventilatie niet mogelijk is, dient men rekening te houden met in, op en/of aan het gebouw (dak en/of gevels) te plaatsen voorzieningen.

(...)

6 Normen en voorschriften

6.1 Algemeen

Een compleet overzicht van alle relevante normen en voorschriften voor het ontwerp, de berekeningen, de constructie en het gebruik is te uitgebreid om in dit document op te noemen.

Gemakshalve worden de hierna volgende normen en voorschriften genoemd -zijnde de meest relevante- waarin overigens verwijzingen zijn opgenomen naar overige van toepassing zijnde normen en voorschriften :

- (...)

- NEN 2443: Parkeren en stallen van personenauto's op terreinen en in garages.

- overige van toepassing zijnde normen van het NNI, waaronder :

- NEN 1010

- NEN 3140

- NEN 6088 (ontwerp)

- NEN 2916 (energie eff.)

- NEN 1087

- NEN 8087

- NEN 2757

- (...)

- NEN 1814 Toegankelijkheid van gebouwen en buitenruimten

- (...)

(...)

8 Bouwkundig

(...)

Betonin- uitrittenXparkeerdekkenXhellingbanenXpomruimtenXcontainerruimteX

Op 1 oktober 2007 is er brand geweest in een parkeergarage aan de Lloydstraat te Rotterdam. Daarbij zijn kanaalplaten van de parkeerlaag boven de brand naar beneden gevallen.

Het in opdracht van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond naar aanleiding van voornoemde brand opgestelde rapport van Efectis Nederland (hierna: Efectis) van december 2007 luidt - voor zover relevant - :

"Het ontwerp van de parkeergarage aan de Lloydstraat voldoet aan de eisen met betrekking tot het veilig vluchten. Het brandcompartiment van de parkeergarage heeft een gebruiksoppervlak van ±2100m² en voldoet daarmee niet aan de in het Bouwbesluit gestelde prestatie-eis. Op grond van artikel 2.201 van het Bouwbesluit mag op basis van gelijkwaardigheid afgeweken worden van de prestatie-eisen die gesteld worden aan de omvang van een brandcompartiment. De eis om de omvang van een brandcompartiment te beperken heeft als doel om een eenmaal ontstane brand beheersbaar te houden en te voorkomen dat personeel buiten het brandcompartiment bedreigd worden door de brand. Van de brandweer wordt verwacht dat er binnen 30 minuten na het ontstaan van een brand de blussing ingezet is, waarna de brandweer 30 minuten heeft om de brand onder controle te krijgen binnen de grenzen van het brandcompartiment.

Bij het ontwerpen van een gelijkwaardige oplossing moet dan ook uitgegaan worden van het beperken van de brandomvang.

Bij veel parkeergarages wordt voor het bepalen van de gelijkwaardigheid gekeken naar de mogelijkheid van het toepassen van het begrip "niet besloten ruimte". Door een compartiment in te richten als niet besloten ruimte wordt er (op grond van artikel 2.169 en 2.189 van het Bouwbesluit) vanuit gegaan dat er gedurende langere tijd reddings- en blussingswerkzaamheden verricht kunnen worden. Samen met het algemeen aanvaarde beeld dat er in een parkeergarage niet meer dan 4 auto's tegelijk zullen branden vormt dit een manier om de omvang van het brandcompartiment uit te kunnen breiden.

De voorwaarden die op grond van NEN2443 aan een open parkeergarage gesteld worden zijn:

1 Natuurlijke ventilatie moet gewaarborgd zijn (Volgens NEN1087)

2 Minstens twee tegenover elkaar staande wanden moeten buitenwanden zijn en voorzien zijn van niet afsluitbare openingen.

3 De opening in de buitenwanden moet minimaal 1/3 van het totale wandoppervlak zijn die het compartiment begrenzen. (Binnen- en buitenwanden samengerekend). of de openingen in de buitenwanden moeten minimaal 2,5 % zijn van het bruto vloeroppervlak van het compartiment. Deze twee buitenwanden mogen niet meer dan 54 meter uit elkaar staan.

4 De wanden met de openingen moeten minimaal 5 meter vrije ruimte hebben t.o.v. naastgelegen bebouwing.

5 De laagste vloer van de parkeergarage mag nergens meer dan 1,3 meter onder het maaiveld liggen.

6 Wanden in de parkeergarage mogen geen belemmering zijn voor de natuurlijke ventilatie.

De parkeergarage aan de Lloydstraat voldoet aan de uitgangspunten voor een natuurlijk geventileerde parkeergarage. Ook voldoet de garage aan de voorschriften uit het Bouwbesluit met uitzondering van de compartimentsgrootte.

(...)

Voor het ontwerpen van mechanisch geventileerde parkeergarages wordt gebruik gemaakt van NEN2443 en de concept praktijkrichtlijn "Gelijkwaardigheid brandveiligheidseisen van het bouwbesluit voor mechanisch geventileerde parkeergarages met een gebruiksoppervlakte groter dan 1000m²" uitgegeven op 15 maart 2005 door de Regionale Hulpdienst Rotterdam-Rijnmond, "Brandveiligheid parkeergarages" van de Regionale Commissie Bouwen en Infrastructuur van de Regio Haaglanden van juli 2007 en de uitgave "Parkeergarages: Brandveiligheid en ventilatie" van SBT.

Deze richtlijnen zijn niet van toepassing op de parkeergarage aan de Lloydstraat."

Conclusies en aanbevelingen in het TNO rapport van 18 januari 2008 dat is opgesteld naar aanleiding van oriënterend onderzoek naar de brand luiden:

"5.1 Conclusies

Naar aanleiding van de waargenomen bezwijkvorm van de kanaalplaatvloer tijdens de brand in de parkeergarage, waarbij door horizontale scheuren in de lijven binnen een half uur na het ontstaan van de brand bij een deel van de platen de onderste helft van de platen is losgekomen van de bovenste helft en naar beneden is gevallen, is door middel van enkele berekeningen onderzocht of de waargenomen bezwijkvorm en het tijdstip van optreden kunnen worden verklaard. Hierbij is uitsluitend gekeken naar het gedrag van de vloer in de richting dwars op de richting van de overspanning.

Er zijn twee varianten onderzocht, namelijk een plaat zonder druklaag die vrij kan vervormen in de dwarsrichting en een plaat met een druklaag waarvan de horizontale vervorming in dwarsrichting is verhinderd. De eerste variant komt overeen met de situatie van een brandproef op dit type plaat. De tweede variant is meer in overeenstemming met de onderhavige praktijksituatie, waarbij de platen zijn voorzien van een druklaag en in dwarsinrichting horizontaal zijn opgesloten.

De berekeningen leiden tot de volgende conclusies:

1. Zowel bij de onderhavige brandschade waargenomen bezwijkvorm als het vroegtijdig optreden daarvan, kunnen met een rekenmodel worden verklaard.

2. Bij variant 1, overeenkomend met een kanaalplaat in de gangbare brandproef, ontstaan geen horizontale scheuren in de lijven. Wel ontstaan verticale scheuren in onder- en bovenflens vanuit de kanalen. Door deze scheuren, die van buiten af niet direct zichtbaar zijn, scheurt de plaat als het ware in verschillende I-vormige liggers, die echter op zichzelf in staat zijn om belasting te dragen.

3. Bij variant 2, overeenkomend met een kanaalplaat die in dwarsrichting horizontaal is opgesloten en waarop een druklaag aanwezig is, ontstaan binnen een half uur horizontale scheuren in de lijven, waardoor de onderste helft van de plaat los kan komen van de bovenste helft.

4. De berekeningen laten zien dat het gedrag van de kanaalplaat in de vloerconstructie, afhankelijk van de omstandigheden (aanwezigheid druklaag, mate van opsluiting), kan afwijken van het gedrag van een afzonderlijke kanaalplaat zonder druklaag, hetgeen tot voortijdig bezwijken aanleiding kan geven. Met het effect van de aanwezigheid van een druklaag en van horizontale opsluiting wordt in de gangbare beproevingsmethoden (NEN 6069) geen rekening gehouden.

5. Volgens de gangbare berekeningsmethoden (NEN 6071) wordt getoetst op de bezwijkvorm buiging van de kanaalplaat als geheel. De waargenomen bezwijkvorm en het tijdstip van optreden daarvan worden door deze berekeningsmethoden niet voorspeld."

5.2 Aanbevelingen

Aanbevolen wordt de informatie over de onderhavige brandschade en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek voor te leggen aan Nederlandse normcommissies die verantwoordelijk zijn voor NEN 6071 en NEN 6069. De normcommissies zouden moeten nagaan of de gangbare berekeningsmethoden volgens NEN 6071 en de beproevingsmethoden volgens NEN 6069 adequaat zijn voor het bepalen van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken dan wel aanpassing behoeven.

Aandachtspunten voor de normcommissies zijn:

1. De bij dit schadegeval opgetreden bezwijkvorm, waarbij de lijven van de kanaalplaat doorgscheurd zijn en delen van de kanaalplaat naar beneden gevallen zijn, wijkt af van de gangbare berekeningsmethode, waarbij getoetst wordt op bezwijken op buiging van de kanaalplaat als geheel.

2. De brandwerendheid met betrekking tot het bezwijken van de toegepaste kanaalplaten is volgens de projectinformatie 120 minuten. De opgetreden bezwijkvorm werd waargenomen vanaf circa 30 minuten na het ontstaan van de brand.

3. Volgens de uitgevoerde berekeningen kunnen de opgetreden bezwijkvorm en het tijdstip van optreden daarvan worden verklaard uit het effect van de druklaag en de horizontale opsluiting van de kanaalplaatelementen in de vloer. Bij de gangbare brandproeven op afzonderlijke kanaalplaatelementen worden met deze feiten geen rekening gehouden.

4. Om na te gaan of de bezwijkvorm, die is waargenomen bij dit schadegeval, een incident betreft of structureel van karakter is, wordt aanbevolen om te onderzoeken of de in dit geval opgetreden bezwijkvorm vaker is waargenomen, hetzij bij praktijkbranden in het verleden, hetzij bij brandproeven in laboratoria.

5. Mocht de informatie als bedoeld onder punt 4 niet of in onvoldoende mate beschikbaar zijn, dan wordt aanbevolen onderzoek uit te voeren om na te gaan of de hier waargenomen bezwijkvorm (afhankelijk van de omstandigheden) structureel van karakter is.

6. Algemeen gesteld is van belang dat het gedrag van een constructie-element als onderdeel van een constructie bij brand anders en ongunstiger kan zijn dan het gedrag van een afzonderlijk constructie-element.

7. Bij het beoordelen van de brandwerendheid van een constructie zou niet alleen naar de afzonderlijke elementen moeten worden gekeken, maar ook naar de invloed op het gedrag van de constructie als totaal.

8. Als wordt vastgesteld dat de normering aanpassing behoeft, dan zou zo mogelijk ook moeten worden aangegeven hoe moet worden omgegaan met de bestaande voorraad constructies."

Bij brief van 18 januari 2008 heeft TNO Bouw en Ondergrond voornoemd rapport gestuurd aan Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

OBR heeft in 2008 eerder genoemde aanbesteding gehouden.

Paragraaf 1.7 van de Vraagspecificatie luidt - voor zover relevant - :

"Na de gunning dient het Programma van Eisen mede op basis van het gekozen schetsontwerp waar nodig nader uitgewerkt te worden."

Paragraaf 2.1 van de Vraagspecificatie luidt:

"De bouwplannen voor de P+R-garage en Doelgroepenstrook moeten gebaseerd zijn op het PvE, de wettelijke regelingen ter zake, de plaatselijke bouwvoorschriften, bouwverordening, de lokale of regionale brandveiligheidseisen, alsmede alle van toepassing verklaarde normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Een niet-limitatieve lijst met regelgeving met betrekking tot het (ver)bouwen en het gebruik van het gebouw is als bijlage aan het PvE toegevoegd."

Paragraaf 7.4 van de Vraagspecificatie luidt:

"Het ontwerp en de uitwerking van de P+R-garage en Doelgroepenstrook dienen te voldoen aan alle geldende eisen op het gebied van brandveiligheid. Opdrachtnemer dient in een vroeg stadium in contact te treden met de betreffende hulpdiensten om aanvalsroutes, opstelplaatsen, locatie droge blusleidingen...etc. in het plan op te nemen"

Bijlage 8 ("Wettelijke eisen en richtlijnen) bij de Vraagspecificatie luidt - voor zover relevant - :

"Hieronder is een niet-limitatieve lijst opgenomen met regelgeving die van toepassing zijn (vrzr: is) op het ontwerpen, bouwen en gebruik van de P+R-garage Kralingse Zoom:

* (...)

* Bouwbesluit, onder andere:

* diverse regelingen Bouwbesluit;

* aansluitvoorwaarden.

* (...)

* Gemeentelijke bouwverordening, onder andere:

* voorwaarden, indiening en inrichting van een aanvraag om bouwvergunning;

* (...)

* Niet nader gespecificeerde eisen voor garage conform NEN 2443

* De relevante NRP en NEN-normen.

* (...)

Afwijkingen in deze, welke in deze Vraagspecificatie zijn vastgelegd, dan wel door de locale overheden worden geëist en als zodanig verder gaan dan in de normen en/of regelgeving zijn vastgelegd, zullen te allen tijde prevaleren tenzij met de Opdrachtgever schriftelijk anders is overeengekomen."

Vraag 148 en het antwoord daarop in de Nota van Inlichtingen van 20 oktober 2008 luiden:

Nr.DocumentVraag gegadigdeAntwoord Opdrachtgever148PVENavraag bij NEN leert dat NEN 6089 zich nog in een ontwerpstadium bevindt en nog niet vrij is gegeven voor publicatie.

Dat betekent dat inschrijvers niet op de hoogte kunnen zijn van deze norm.

Voor u als opdrachtgever geldt dat de definitieve nomtekst nog kan afwijken van de huidige conceptversie.

Kunt u aangeven hoe hiermee moet worden omgegaan?De huidige conceptversie van de NEN 6089 is van toepassing.

Op 31 oktober 2008 heeft Ballast Nedam ingeschreven op voornoemde aanbesteding met haar aanbieding ad € 29.539.000,- en daarbij behorend schetsontwerp.

Relevante paragrafen in de "Ontwerpvisie en concrete vertaling van eisen" van 31 oktober 2008 van Ballast Nedam zijn:

"3.2.2 Brandwerendheid van de garage

De betonconstructie wordt zo uitgevoerd dat deze, door de juiste keuze van de dekking op de wapening, een brandwerendheid heeft van ten minste 90 minuten. De stalen vakwerken worden voor een groot deel opgenomen in de betonnen vloerconstructie. Waar dat niet het geval is, worden de onderdelen brandwerend bekleed.

(...)

3.2.4 Tweede draagweg

Genomen maatregelen ter voorkoming van 'progressive collapse', zijn als volgt.

* In navolging van NEN6700 worden alle kolommen in de garage ontworpen op de voorgeschreven botsbelastingen;

* Randkolommen en hoekkolommen die buiten de garage kunnen worden aangereden door auto-, bus- en/of metroverkeer, worden ofwel beschermd met een kerende constructie ofwel ontworpen op een verhoogde botsbelasting."

Op 27 april 2009 hebben OBR en Ballast Nedam eerder genoemde overeenkomst gesloten die is gebaseerd op de basisovereenkomst die bij de UAV-GC is gevoegd, maar waar op onderdelen van is afgeweken.

Artikel 2 lid 1 van de overeenkomst luidt:

"De Opdrachtgever draagt hierbij aan de Opdrachtnemer op, die verklaart deze opdracht te aanvaarden, het op basis van de Vraagspecificatie en de Aanbieding door middel van Ontwerp- en Uitvoeringswerkzaamheden ontwerpen en realiseren van de nieuwbouw van de P+R Parkeergarage Kralingse Zoom te Rotterdam, alsmede een Doelgroepenstrook ter ontsluiting van de P+R Parkeergarage, hierna te noemen: het Werk, conform hetgeen in deze Overeenkomst is bepaald."

Lid 5 van voornoemd artikel luidt:

"Het Werk dient met inachtneming van de in een bij de Vraagspecificatie gevoegde annex opgenomen planning door de Opdrachtnemer te worden gerealiseerd, en wel zodanig dat het conform het bepaalde in § 24 UAV-GC 2005 gereed is voor aanvaarding door de Opdrachtgever op 26 augustus 2011 (P+R-garage). Deze datum wordt door partijen aangemerkt als de in de Basisovereenkomst vastgelegde datum van oplevering."

Artikel 3 lid 1 van de overeenkomst luidt - voor zover relevant - :

"De volgende contractdocumenten omschrijven in onderlinge samenhang de rechten en verplichtingen die voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien:

(...)

(e) de Aanbieding;"

Artikel 5 lid 2 van de overeenkomst luidt - voor zover relevant - :

"In het kader van deze Overeenkomst dient de Opdrachtnemer de volgende Ontwerpwerkzaamheden te verrichten:

- P+R Parkeergarage: het uitwerken van het programma van eisen en het in het kader van de Aanbieding aangeleverde schetsontwerp tot een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een uitvoeringsontwerp;"

Artikel 6 lid 1 en 3 van de overeenkomst luiden:

"1. Bij de Vraagspecificatie is door middel van annex een overzicht gevoegd van de vergunningen, ontheffingen, beschikkingen en toestemmingen die de Opdrachtgever verkregen moet hebben voor de opzet en het gebruik van het Werk of die overigens nodig zijn voor het Werk en, indien overeengekomen, voor de realisatie van het Meerjarig Onderhoud.

3. De in § 10 lid 1 UAV-GC 2005 bedoelde vergunningen, ontheffingen, beschikkingen en toestemmingen, die niet vermeld staan in de lid 1 bedoelde annex, moeten uiterlijk op de in door de Opdrachtnemer aangeleverde planning aangegeven data door de Opdrachtnemer zijn verkregen."

Artikel 16 van de overeenkomst luidt:

"1. De in § 36 lid 3 UAV-GC 2005 bedoelde boetebedragen luiden als volgt:

(a) Mijldatum: oplevering 26 augustus 2011 (P+R-garage) 5.000 EURO per dag;"

§ 10 (Vergunningen, ontheffingen, beschikkingen en toestemmingen: verplichtingen van de Opdrachtnemer) van het addendum "Afwijkende c.q. aanvullende voorwaarden bij UAV-GC 2005" behorende bij de overeenkomst luidt:

"Lid 5 vervalt en wordt vervangen door:

5. In geval van tekortschieten van de Opdrachtnemer als bedoeld in het vorige lid, is de Opdrachtgever gerechtigd om per aangetekende brief de Overeenkomst te ontbinden. De Opdrachtnemer is in dat geval verplicht de door Opdrachtgever geleden schade te vergoeden.

Lid 8 vervalt en wordt vervangen door:

8. Opzegging van de Overeenkomst door de Opdrachtgever krachtens lid 6 sub b en ontbinding van de Overeenkomst door de Opdrachtnemer krachtens lid 7 geeft de Opdrachtnemer recht op een vergoeding, waarvan de omvang dient te worden berekend volgens het bepaalde in § 16 lid 10 sub a, met dien verstande dat uitsluitend de kosten worden vergoed welke nog niet door de Opdrachtnemer zijn gedeclareerd en door Opdrachtgever met inachtneming van de Acceptatieprocedure zijn geaccepteerd.

In aanvulling op §10 wordt het volgende artikel toegevoegd:

10. De kosten verbonden aan het verkrijgen van de vergunningen, ontheffingen, beschikkingen en toestemmingen zoals bedoeld in deze paragraaf zijn voor rekening van de Opdrachtnemer."

§ 11 (Wettelijke voorschriften en beschikkingen) van het addendum "Afwijkende c.q. aanvullende voorwaarden bij UAV-GC 2005" behorende bij de overeenkomst luidt:

"Lid 1 vervalt en wordt vervangen door:

1. De Opdrachtnemer wordt geacht bekend te zijn met de voor de Werkzaamheden van belang zijnde wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege, voorzover deze op de dag waarop hij zijn Aanbieding heeft gedaan in werking zijn getreden, alsmede met de voor de Werkzaamheden van belang zijnde wettelijke voorschriften en beschikkingen van overheidswege waarvan de inwerkingtreding op de dag waarop hij zijn Aanbieding heeft gedaan voorzienbaar is. De aan de naleving van deze voorschriften en beschikkingen verbonden gevolgen zijn voor zijn rekening."

§ 45 (Procedure afwikkeling gevolgen Wijzigingen door de Opdrachtgever) van het addendum "Afwijkende c.q. aanvullende voorwaarden bij UAV-GC 2005" behorende bij de overeenkomst luidt:

"De leden 1 t/m 13 vervallen en worden vervangen door:

(...)

9. Indien partijen, het niet eens worden over de prijsaanbieding, eventueel aangevuld met de nadere afspraken die partijen hebben gemaakt tijdens het overleg als bedoeld in lid 5, is er sprake van een geschil als bedoeld in § 47 UAV-GC. Een geschil over de prijsaanbieding geeft Opdrachtnemer geen recht de uitvoering van de Wijziging op te schorten. Na de eerste aanzegging daartoe van de Opdrachtgever dient Opdrachtnemer de Wijziging uit te voeren."

Op 16 november 2009 heeft de Bond van Fabrikanten van Betonproducten in Nederland (hierna: BFBN) een brief doen uitgaan (aan geadresseerde) met daarin - voor zover relevant - het volgende:

"Naar aanleiding van een brand in 2007 en de daarbij ontstane schade aan beton in een parkeergarage onder een appartementencomplex aan de Lloydstraat te Rotterdam zijn vragen gerezen over de brandveiligheid van de daar toegepaste vloerconstructie met kanaalplaten. Om duidelijkheid te krijgen of het in Rotterdam om een incident ging en welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld, dan wel dat er sprake is van een omissie in de geldende voorschriften, heeft BFBN in 2008 een onderzoeksopdracht verstrekt aan een consortium, bestaande uit TNO, Efectis Nederland en Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw. In onze brief van 1 september 2008 hebben wij een groot aantal partijen in de bouw hierover geïnformeerd. In die brief werd de verwachting uitgesproken dat er medio 2009 meer duidelijkheid zou zijn. Met deze brief informeren wij u over de stand van zaken op dit moment.

Het onderzoek

De eerste fase van het door BFBN in gang gezette nadere onderzoek is inmiddels afgerond en gerapporteerd. De eerste fase van het onderzoek heeft bevestigd dat bij het ontwerp en de uitvoering van de vloerconstructie te Rotterdam de geldende voorschriften op de gangbare wijze zijn toegepast. Tevens is gebleken dat het ontstaan van scheurvorming in de kanaalplaten zoals waargenomen te Rotterdam geen incident is, maar vaker voorkomt. De eerste aanbeveling betreft het uitvoeren van het vervolgonderzoek om alles tot in detail te kunnen verklaren. Op initiatief van BFBN is hiermee reeds aangevangen.

Ook is uit een analyse van in het verleden uitgevoerde brandproeven duidelijk geworden dat de gangbare wijze waarop met NEN 6071 in de praktijk voor kanaalplaatvloeren wordt omgegaan (alleen toetsing van de dekking op het voorspanstaal in verband met momentbreuk) in veel gevallen niet toereikend is. Andere bezwijkvormen, zoals dwarskrachtbreuk, kunnen namelijk bij brand ook maatgevend zijn. Er zijn echter geen geschikte rekenmethoden beschikbaar om andere bezwijkvormen adequaat te toetsen. De tweede aanbeveling is daarom de consequenties voor de toepassing van de regelgeving te bezien.

(...)

Internationale ontwikkelingen

De problematiek van brandwerendheid van kanaalplaten is niet louter nationaal. Door CEN/TC229 'Precast Concrete Products' wordt momenteel een wijziging van de productnorm EN 1168 'Hollow core slabs' voorbereid. Deze wijziging heeft onder andere betrekking op het bezwijkmechanisme dwarskrachtbreuk bij kanaalplaatvloeren onder brandcondities. De verwachting is dat deze wijziging in de loop van 2010 Europees zal worden vastgesteld.

Aanpassing in de toetsing van de brandwerendheid voor nieuwe projecten

Op grond van de huidige stand van zaken adviseren VROM-Inspectie, COBc, BFBN, TNO, Efectis Nederland en Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw aan ontwerpers van kanaalplaatvloeren om voor nieuwe projecten de bepaling van de brandwerendheid uit te voeren volgens het als bijlage 2 bijgevoegde schema voor de bepaling van de brandwerendheid van kanaalplaatvloeren. Dit houdt het volgende in:

1. Voor kanaalplaatvloeren met een vereiste brandwerendheid met betrekking tot de scheidende en/of dragende functie tot en met 30 minuten kan worden volstaan met de nu gangbare bepalingsmethoden. Voor de rekenkundige bepalingsmethode is dat NEN 6071.

2. Voor kanaalplaatvloeren met een vereiste brandwerendheid met betrekking tot de scheidende en/of dragende functie van 60 minuten en hoger wordt een aanvullende toetsing op dwarskracht uitgevoerd op basis van de eerder genoemde in voorbereiding zijnde wijziging van EN 1168 en worden aanvullende eisen gesteld aan de detaillering van kanaalplaatvloeren. (...) De procedures zijn in gang gezet om - vooruitlopend op de Europese vaststelling - de komende wijziging van EN 1168 alsmede de aanvullende detailleringseisen via de certificatieregeling in Nederland in januari 2010 van kracht te laten worden.

3. Voor kanaalplaatvloeren in bijzondere situaties wordt aanbevolen om een zwaardere toetsing uit te voeren. De bedoelde bijzondere situaties zijn (...):

A. vloeren die meer dan 70 m. boven het maaiveld liggen;

B. vloeren die meer dan 8 m. onder het maaiveld liggen;

C. gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, met een bezettingsgraad B1;

D. situaties waarin sprake is van een verminderde zelfredzaamheid;

E. bouwwerken die in gevolgklasse CC3 volgens tabel A.1 van NEN-EN 1991-1-7

vallen.

Per 1 april 2010 zal NEN niet langer de TGB-normen ondersteunen, zodat defacto de Eurocodes dan leidend worden. De aanpassing van het Bouwbesluit 2003 zal later volgen, maar het nu al toepassen van de Eurocodes leidt tot het voldoen aan het Bouwbesluit 2003.

Hoewel nog niet alle vragen zijn beantwoord, zijn de hiervoor genoemde partijen van mening dat met de geadviseerde aanpassingen in de bepaling van de brandwerendheid voor nieuwe projecten vooralsnog in voldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de geconstateerde tekortkomingen in de huidige praktijd. Het eerder genoemde door BFBN in gang gezette vervolgonderzoek zal uiteraard worden voortgezet."

Op 27 november 2009 heeft Ballast Nedam een bouwvergunning eerste fase verkregen.

Bij brief van 30 augustus 2010 heeft dS+V van de gemeente Rotterdam (hierna: dS+V) op het verzoek van Ballast Nedam om een bouwvergunning tweede fase aan Ballast Nedam - voor zover relevant - het volgende beslist:

"Het betreft een bouwwerk waarvan de gebruiksoppervlakte groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1. van het bouwbesluit. In uw geval betreft het een bouwwerk van circa 31331 m2.

Het bouwwerk moet daarom voldoen aan afdeling 2.22. (Grote brandcompartimenten) van het bouwbesluit.

U heeft nog niet ten genoegen van Burgemeester en Wethouders kunnen aantonen dat de door u te nemen bouwkundige dan wel installatietechnische maatregelen leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met paragraaf 2.13.1 en 2.14.1 van het bouwbesluit.

Omdat het ontwerp van het bouwplan zich leent om in een later stadium alsnog aanvullende bouwkundige dan wel installatietechnische maatregelen te nemen, geven wij u de mogelijkheid om een brandveiligheidsconcept uit te werken die voldoet aan het bouwbesluit.

Wij verlenen u de bouwvergunning echter uitsluitend onder de voorwaarde dat de parkeergarage gaat voldoen aan de 'Rotterdamse Richtlijn voor mechanisch geventileerde parkeergarages' uitgave februari 2007, waarin tevens expliciet is vermeld dat er geen reductie wordt verleend aan de hoofddraagconstructie op basis van lage permanente vuurbelasting. Deze voorwaarde zullen wij laten vervallen indien u ten genoegen van Burgemeester en Wethouders voldoende heeft aangetoond dat er aanleiding is van deze voorwaarde af te zien (middels uitwerking en goedkeuring brandveiligheidsconcept).

Wegens acceptatie van het bij de aanvraag ontbreken van gegevens en stukken als bedoeld in paragraaf 1.5, onderdeel 2, van hoofdstuk 1 van de bijlage van het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning, vinden wij het noodzakelijk, krachtens artikel 4, lid 3, van dit besluit aan deze beschikking voorwaarden te verbinden.

(...)

3. Teneinde te kunnen beoordelen of bij uitvoering van het bouwwerk wordt voldaan aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen en de aan deze beschikking verbonden voorwaarden, dienen de navolgende constructieve nadere gegevens en bescheiden (zoals berekeningen, tekeningen en (test)rapporten), uiterlijk 3 weken voor aanvang van de desbetreffende onderdelen, ter goedkeuring bij de afdeling Vergunningen te worden aangeboden. Met de uitvoering van de desbetreffende onderdelen mag geen aanvang worden gemaakt alvorens daaraan door de afdeling Vergunningen goedkeuring is gehecht.

Het betreft hier (in 3-VOUD):

(...)

- Robuust bouwen:

Aantonen dat voldaan wordt aan:

Artikel 5.3.3 uit NEN 6700 (inclusief wijzigingsblad NEN 6700:2005/A1:2008)

Bouwconstructies moeten zo zijn ontworpen dat het bezwijken van een onderdeel niet tot onevenredig grote schade leidt. Het systeemgedrag van de constructie moet als geheel beschouwd zijn en zo ontworpen zijn dat:

a. na bezwijken van een onderdeel door welke oorzaak dan ook de instortingsschade beperkt blijft tot de aangrenzende ruimten of aangrenzende dragende onderdelen van de beschouwde constructie (bijvoorbeeld indien een tweede draagweg aanwezig is), of

b. aanwezige essentiële onderdelen van de bouwconstructie (de hoofddraagconstructie) een zeer lage kans op bezwijken krijgen door:

? het nemen van preventieve maatregelen dan wel het creëren van voldoende

weerstand tegen bijzondere belastingen en

? specifieke aandacht in de kwaliteitsborging van het ontwerp- en

uitvoeringsproces.

(...)

- Kanaalplaatvloeren:

Gegevens aanleveren waaruit blijkt dat de constructie, ingeval van brand, gedurende afdoende tijd bestand is tegen bezwijken. Hierbij dient de laatste stand der techniek in acht te worden genomen, met de door de branche geadviseerde aanvullingen.

4. Teneinde te kunnen beoordelen of bij uitvoering van het bouwwerk wordt voldaan aan de in de bouwregelgeving gestelde eisen en de aan deze beschikking verbonden voorwaarden, dienen de navolgende brandpreventieve nadere gegevens en bescheiden (zoals berekeningen, tekeningen en (test)rapporten), uiterlijk 3 weken voor aanvang van de desbetreffende onderdelen, ter goedkeuring bij de afdeling Vergunningen te worden aangeboden. Met de uitvoering van deze onderdelen mag geen aanvang worden gemaakt alvorens daaraan door de afdeling Vergunningen goedkeuring is gehecht.

Het betreft hier (in 4-VOUD):

- a. CFD berekening op basis van Rotterdamse Richtlijn voor mechanisch geventileerde parkeergarages' uitgave februari 2007 of;

- b. brandveiligheidsconcept waaruit blijkt dat het bouwwerk voldoet aan afdeling 2.22 van het Bouwbesluit.

- de brandwerendheid (met betrekking tot bezwijken) van de hoofddraagconstructie, te weten van 90 minuten (op basis van Rotterdamse Richtlijn voor mechanisch geventileerde parkeergarages' uitgave februari 2007);"

Tegen dit besluit heeft Ballast Nedam bezwaar gemaakt.

De Brandpreventiecommissie (hierna: de BPC) heeft in een rapport van 8 februari 2011 haar reactie gegeven op het door Ballast Nedam ingediende rapport van Efectis, 2011-Efectis-R0031 "Beoordeling brandveiligheidsconcept parkeergarage Kralingse Zoom" d.d. 17 januari 2011 en het EXISS CFD rapport, EXE09075C1 CFD04 DO, d.d. 17 oktober 2010. Het advies van de BPC luidt:

"NIET AKKOORD,

met de eindconclusies van Efectis en daarmee met het CFD rapport.

Veilig repressief inzet van de brandweer is NIET aangetoond."

Als oplossingsmogelijkheden heeft de BPC het volgende voorgesteld:

"1). Een variant uit te werken waarbij met behulp van stuwkracht ventilatie zodat een brand op verantwoorde wijze kan worden benaderd en bestreden. Als uitgangspunt geldt de Rotterdamse Praktijkrichtlijn. Conform deze richtlijn wordt uitgegaan van een hoofddraagconstructie van 90 min. (reductie niet mogelijk);

2) Het bouwwerk voorzien van een sprinklerinstallatie. Met dit principe is een reductie op de hoofddraagconstructie mogelijk indien wordt aangetoond dat de permanente vuurbelasting kleiner is dan 500 MJ/m2 of

3) De garage opdelen in brandcompartimenten van max. 1000m2. Met dit principe is een reductie op de hoofddraagconstructie mogelijk indien wordt aangetoond dat de permanente vuurbelasting kleiner is dan 6=500 MJ/m2."

Bij e-mail 16 februari 2011 heeft dS+V - voor zover relevant - het volgende geschreven:

"Hierbij de formele brief en het advies van de brandpreventiecommissie.

Helaas is het traject rondom Brandpreventie niet gelopen zoals we beide gehoopt hadden. Ik hoop dat je met de aangereikte oplossingsrichtingen toch verder kunt.

Ik heb ook een Bijlage 2 waarin alinea voor alinea onze opmerkingen op het rapport staan beschreven (gedetailleerd).

Indien nodig zal ik je deze nog nazenden.

Bovenstaande brief en advies komen ook in hardcopy naar je toe. Ik ben van mening dat Ballast er van zijn kant alles aan gedaan heeft (juiste medewerkers, juiste adviseurs, juiste gesprekken) om tot een juiste uitwerking rondom brandveiligheid te komen."

Bij brief van 21 februari 2011 heeft dS+V aan Ballast Nedam het volgende geschreven:

"Naar aanleiding van constructieve gesprekken die ik op 9 en 16 juli 2010 heb gevoerd met de heer Hienekamp van uw bedrijf is [de onder 2.13. genoemde] bouwvergunning verleend onder de voorwaarde dat na vergunningverlening een nieuw traject zou worden opgestart voor het bereiken van overeenstemming over de belangrijkste knelpunten, te weten:

a) Brandveiligheid (waaronder de cfd-berekening)

b) Brandwerendheid van de hoofddraagconstructie

c) Robuust bouwen

d) Kanaalplaatvloeren

(...)

Ik ga hieronder in op de hierboven genoemde knelpunten met betrekking tot Robuust bouwen, de brandveiligheid, en de brandwerendheid van de hoofddraagconstructie.

Robuust bouwen

Ik ben verheugd u te kunnen berichten dat het inhoudelijke traject rondom het knelpunt Robuust bouwen heeft geleid tot de goedkeuring door mijn afdeling van het constructieve palenplan. Ik wil u en uw adviseurs complimenteren over de wijze van samenwerking met mijn afdeling op dit punt.

Brandveiligheid (cfd-berekening)

Op het punt van de brandveiligheid is het tot mijn spijt niet gelukt een gezamenlijk gedeeld resultaat te bereiken. Ofschoon ook in dit geval de samenwerking tussen partijen goed is verlopen, is er geen sprake van een door beide partijen ondersteunde visie over een brandveiligheidsconcept dat voldoet aan het Bouwbesluit.

(...)

Ik deel u door middel van deze brief formeel mee dat ik het oordeel van de Brandpreventiecommissie overneem om het brandveiligheidsrapport (2011-Efectis-R0031/:EA/TNL + Exis EXE09075C1 CFD04 DO) niet aan te merken als gelijkwaardigheid als bedoeld in afdeling 2.22 van het Bouwbesluit. Kort samengevat wordt in het eerder genoemde rapport niet aangetoond dat het bouwwerk voldoet aan het Bouwbesluit.

(...)

Brandwerendheid van de hoofddraagconstructie.

(...)

Omdat de goedkeuring op uw brandveiligheidsconcept ontbreekt houd ik ook vast aan onze eis op de hoofddraagconstructie, te weten 90 minuten.

(...)

Kanaalplaatvloeren

Ten aanzien van de kanaalplaatvloeren kan ik nog geen voortgang melden. In de bouwvergunning zijn nadere gegevens gevraagd waaruit moet blijken dat de constructie, ingeval van brand, gedurende afdoende tijd bestand is tegen bezwijken. Ik heb deze gegevens nog niet ontvangen.

Ik breng u in herinnering dat ik in mijn e-mail van 16 juli 2010 heb aangekondigd dat er niet begonnen kan worden met de bouw indien geen over[een]stemming is bereikt over Robuust bouwen en dat de bouw zal worden stilgelegd op basis van het aspect Brandveiligheid indien op 1 februari 2011 nog geen akkoord is bereikt over de cfd-berekening. (...)"

Bij brief van 17 maart 2011 heeft Ballast Nedam aan OBR - voor zover relevant - het volgende geschreven:

"11. In deze situatie heeft OBR - op grond van § 10-6 UAV-GC - de keuze: ofwel OBR draagt een zodanige Wijziging op, dat alsnog aan de voorwaarden van de bouwvergunning wordt voldaan, ofwel OBR zegt de Overeenkomst op.

12. Voor wat betreft de bedoelde Wijziging kan worden gedacht aan het toepassen van een droge sprinklerinstallatie. Dat lijkt op dit moment - qua tijd en qua kosten - de eenvoudigste manier om aan de door BoWoTo gestelde eisen te voldoen.

13. Door middel van deze brief stellen wij OBR - conform § 10-7 UAV-GC - in de gelegenheid om uiterlijk tot en met 1 april a.s. de vorenbedoelde keuze te maken."

Op 4 april 2011 is Ballast Nedam gestart met heiwerkzaamheden. Deze werkzaamheden zijn op 20 mei 2011 voltooid.

Bij brief van 28 april 2011 heeft Ballast Nedam aan OBR - voor zover relevant - het volgende geschreven:

"Aldus handhaven wij ons standpunt dat sprake is van een situatie als bedoeld in § 10-6 UAV-GC 2005. Omdat OBR zich er (vóór onze brief van 17 maart jl.) wellicht niet van bewust is geweest dat sprake was van de situatie als beschreven in de inleidende bijzin van § 10-6 UAV-GC 2005, stellen wij hierbij OBR nogmaals in de gelegenheid om - op de voet van § 10-7 UAV-GC 2005 - uiterlijk op 13 mei a.s. een Wijziging op te dragen c.q. de Overeenkomst op te zeggen. Indien OBR van deze gelegenheid wederom geen gebruik maakt, zullen wij de Overeenkomst per aangetekende brief per 20 mei a.s. ontbinden. Per die datum zullen wij dan ook - dat spreekt voor zich - het werk stilleggen en de bouwplaats ontruimen."

Bij brief van 16 mei 2011 aan OBR heeft Ballast Nedam de overeenkomst per 20 mei 2011 buitengerechtelijk ontbonden.

Op 20 mei 2011 heeft Ballast Nedam het werk stilgelegd.

In juni 2011 heeft de BFBN een brief doen uitgaan (aan geadresseerde) met daarin - voor zover relevant - het volgende:

"Op grond van de huidige stand van zaken en het verrichte onderzoek adviseert de Bond van Fabrikanten van Betonproducten in Nederland (BFBN) aan ontwerpers van kanaalplaatvloeren om voor nieuwe projecten de bepaling van de brandwerendheid uit te voeren volgens de bijgevoegde maatregelen. Deze maatregelen vloeien voort uit een door ons geïnitieerd onderzoek naar de krachtwerking in de kanaalplaatvloer onder invloed van temperatuurverhoging door brand. Ons advies is een vervolg op en vervangt het op 16 november 2009 gegeven advies met bijbehorende maatregelen."

Het geschil

OBR vordert - samengevat - Ballast Nedam te veroordelen uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren:

1. om uiterlijk 14 dagen na betekening van dit vonnis de bouw van het werk te hervatten en in een continue bouwstroom voort te zetten, behoudens indien die bouw als gevolg van publiekrechtelijke handhaving (tijdelijk) moet worden gestaakt;

2. om uiterlijk 7 dagen na betekening van dit vonnis haar inspanningen te hervatten en continu voort te zetten om de voorwaarden die aan haar bouwvergunning zijn verbonden zo snel mogelijk in vervulling te laten gaan;

3. tot betaling van een dwangsom van € 50.000,-;

4. tot betaling van de kosten van dit geding.

Ballast Nedam voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De stellingen van partijen

OBR stelt zich op het volgende standpunt.

Op grond van artikel 5 van de overeenkomst dient Ballast Nedam een voorlopig ontwerp, een definitief ontwerp en een uitvoeringsontwerp van het werk op te stellen. Anders dan bij een traditionele werkwijze - waarbij een architect het ontwerp maakt, een ingenieursbureau het bestek opstelt en de aannemer het bestek uitvoert - heeft Ballast Nedam te waarborgen dat zij een deugdelijk ontwerp voor het werk maakt dat voldoet aan de gestelde eisen en waarvoor onder meer alle benodigde vergunningen kunnen worden verkregen. Het ontwerp van Ballast Nedam voldoet daar niet aan.

De tekortkomingen in het ontwerp van Ballast Nedam hebben ertoe geleid dat Ballast Nedam een voorwaardelijke bouwvergunning heeft gekregen. Er is voor Ballast Nedam echter geen publiekrechtelijke belemmering om de bouw voort te zetten en tegelijkertijd haar ontwerp zodanig uit te werken dat alle voorwaarden die aan haar bouwvergunning zijn verbonden in vervulling gaan. Op grond van artikel 6 lid 3 van de overeenkomst in samenhang met § 10 lid 1 UAV-GC moet Ballast Nedam zich daarvoor inspannen. Ballast Nedam heeft daartoe ook de mogelijkheid gekregen van dS+V. De angst van Ballast Nedam dat de aanvullende maatregelen die daartoe moeten worden genomen voor haar rekening en risico zijn, levert geen grond op om de overeenkomst niet meer uit te voeren. De discussie over de financiële gevolgen van deze maatregelen dient na oplevering van het werk - onverhoopt, maar zo nodig in een bodemprocedure - plaats te vinden. Gelet op de systematiek van § 45 van het addendum "Afwijkende c.q. aanvullende voorwaarden bij UAV-GC 2005" behorende bij de overeenkomst, geeft een geschil in dit kader Ballast Nedam geen recht de uitvoering van de wijziging op te schorten. OBR vordert dan ook nakoming van de overeenkomst op grond van § 10 lid 5 UAV-GC.

Ballast Nedam acht zich niet gehouden tot nakoming, stellende dat de overeenkomst met toepassing van § 10 lid 7 UAV-CG buitengerechtelijk is ontbonden. Zij voert daarvoor nog het volgende aan.

Blijkens de tekst van § 10 lid 6 UAV-GC kan indien op het in de overeenkomst vastgelegde tijdstip een voorwaardelijke bouwvergunning is verleend aan welke voorwaarden niet wordt voldaan, van Ballast Nedam niet worden verlangd dat zij doorbouwt, totdat de overheid handhavend optreedt. Wie bouwt zonder bouwvergunning, handelt onrechtmatig en dat kan niet van Ballast Nedam worden gevergd.

OBR heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die § 10 lid 6 UAV-GC biedt om in dat geval een wijziging van de overeenkomst op te dragen of de overeenkomst op te zeggen.

Krachtens § 10 lid 7 UAV-GC heeft Ballast Nedam aan OBR tot twee keer toe een nadere termijn gegeven om alsnog een wijziging op te dragen, dan wel de overeenkomst op te zeggen. OBR heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Aangezien het niet verlenen van de bouwvergunning essentieel is te achten voor de realisatie van het werk en de bezwaren van dS+V niet eenvoudig zijn te ondervangen, is Ballast Nedam gerechtigd de overeenkomst te ontbinden, tenzij het niet verlenen van een onvoorwaardelijke bouwvergunning het gevolg is van een tekortkoming van Ballast Nedam in de zin van § 10 lid 4 UAV-GC. Ballast Nedam is evenwel niet tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, gelet op het volgende.

- Wat betreft de kanaalplaatvloeren stelt Ballast Nedam zich primair op het standpunt dat de eisen, die dS+V heeft gesteld ten aanzien van kanaalplaten, niet zijn gebaseerd op ten tijde van de aanbesteding (31 oktober 2008) bestaande objectief kenbare regelgeving en voor het werk relevante bouwtechnische- en milieutechnische overheidsvoorschriften.

Subsidiair moeten de nadere detailleringseisen die aan de kanaalplaten zijn gesteld worden beschouwd als voorschriften van bijzondere aard als bedoeld in § 11 lid 2 UAV-GC die Ballast Nedam niet behoefde te kennen.

Meer subsidiair gaat het om regelgeving die pas na de dag van aanbesteding in werking is getreden en voor Ballast Nedam niet voorzienbaar was, zodat ook op grond van § 11 lid 3 UAV-GC de gevolgen voor rekening van OBR zijn.

- Ten aanzien van de op basis van het Bouwbesluit toe te passen gelijkwaardigheidstoets met betrekking tot brandveiligheid stelt Ballast Nedam zich primair op het standpunt dat de gemeente ten onrechte de op de Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages gebaseerde CFD-berekening hanteert. De eisen die dS+V heeft gesteld ten aanzien van de CFD-berekening, zijn derhalve niet gebaseerd op objectief kenbare regelgeving en voor het werk relevante bouwtechnische- en milieutechnische overheidsvoorschriften.

Subsidiair meent Ballast Nedam dat de Praktijkrichtlijn valt onder de voorschriften van bijzondere aard als bedoeld in § 11 lid 2 UAV-GC en dat Ballast Nedam die voorschriften (de Praktijkrichtlijn) niet behoefde te kennen. Dat het ontwerp van Ballast Nedam niet voldoet aan de Praktijkrichtlijn, kan derhalve niet aan Ballast Nedam worden toegerekend.

- Ballast Nedam heeft zich voldoende ingespannen tot verkrijging van een onvoorwaardelijke bouwvergunning.

De beoordeling

Voor zover Ballast Nedam betoogt dat de onderhavige zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding, overweegt de voorzieningenrechter dat dit niet het geval is, nu de feiten voldoende helder zijn en de gevolgen van de beslissing te overzien.

Met partijen is de voorzieningenrechter van oordeel dat § 10 UAV-GC voor de beslechting van het geschil leidend is.

Op grond van lid 1 van deze paragraaf dient Ballast Nedam zich in te spannen om, met bekwame spoed en met inachtneming van het tijdstip dat is vastgelegd in de overeenkomst, derhalve uiterlijk op 15 februari 2010, de relevante vergunningen te verkrijgen, voor zover zij nodig zijn voor de opzet en het gebruik van het werk en voor de realisatie van meerjarig onderhoud. OBR is verplicht, voor zover dat in haar vermogen ligt, Ballast Nedam de medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van die vergunningen.

Vast staat dat slechts een voorwaardelijke vergunning is verleend. Zou Ballast Nedam het werk verder uitvoeren conform haar huidige ontwerp, dan bestaat de gerede kans dat het werk door dS+V zal worden stilgelegd - zoals ook door dS+V aangekondigd in een e-mail van 16 juli 2010 - , aangezien Ballast Nedam dan niet aan de voorwaarden heeft voldaan. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter staat het hebben van slechts een voorwaardelijke vergunning voor de beoordeling van dít geschil gelijk met het niet verlenen van de vergunningen als bedoeld in § 10 lid 4.

Op grond van dit lid schiet Ballast Nedam tekort in de nakoming van haar verplichting uit hoofde van lid 1 van § 10, indien het niet verlenen van de vergunningen op het in de overeenkomst vastgelegde tijdstip het gevolg is van:

(a) het niet voldoen van de ontwerpwerkzaamheden aan de voor het werk relevante bouwtechnische- en milieutechnische overheidsvoorschriften, vooropgesteld dat dit aan Ballast Nedam kan worden toegerekend, dan wel

(b) onvoldoende inspanning van Ballast Nedam tot het verkrijgen van de in het eerste lid bedoelde vergunningen.

Kern van het geschil is de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming in het ontwerp van Ballast Nedam. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader als volgt.

Aannemelijk is dat Ballast Nedam zich voldoende heeft ingespannen om een onvoorwaardelijke bouwvergunning te verkrijgen. Immers blijkt uit de brief van dS+V van 21 februari 2011 dat dS+V het heeft over "constructieve gesprekken" en vermeldt dS+V dat "ook in dit geval de samenwerking tussen partijen goed is verlopen". Voorts heeft dS+V in de e-mail van 16 februari 2011 geschreven dat zij van mening is dat Ballast Nedam er alles aan heeft gedaan om tot een juiste uitwerking te komen rondom de brandveiligheid van het werk. Ook ter terechtzitting van 7 juli 2011 heeft OBR zich in dergelijke bewoordingen uitgelaten omtrent de inspanningen van Ballast Nedam om een onvoorwaardelijke bouwvergunning te verkrijgen. Overigens staat vast dat de inspanningen van Ballast Nedam (en van OBR) in die zin tot resultaat hebben geleid, dat duidelijk is geworden welke maatregelen er genomen kunnen worden teneinde een onvoorwaardelijke bouwvergunning te verkrijgen. Partijen verschillen alleen nog van mening voor wiens rekening de te nemen maatregelen moeten komen.

Wat resteert is de vraag of de ontwerpwerkzaamheden van Ballast Nedam voldoen aan de voor het werk relevante overheidsvoorschriften, en, wanneer ze daar niet aan voldoen, of dit aan Ballast Nedam kan worden toegerekend.

kanaalplaatvloeren

Artikelen in het Bouwbesluit 2003 die voor de beoordeling van deze vraag relevant zijn, zijn de volgende:

Artikel 1.1:

"1 Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

(...)

NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

Artikel 1.3:

"Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een in dit besluit genoemde NEN."

Artikel 1.4:

"1. Indien een in dit besluit genoemde NEN wordt vervangen door een NEN-EN als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bouwproducten, treedt die NEN-EN in de plaats van die NEN.

2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een NEN-EN als bedoeld in het eerste lid, waarbij, voorzover nodig, kan worden afgeweken van een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift."

Afdeling 2.2. Sterkte bij brand

Artikel 2.8

"1. Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.8 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften."

Artikel 2.9

"1. Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

2. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.9.1

Hoofddraagconstructietijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minutenindien geen vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau60indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau90indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau120

3. In afwijking van het tweede lid, wordt de in tabel 2.9.1 aangegeven tijdsduur met 30 minuten bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m2 en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.

4. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 90 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

5. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.2 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.9.2

Hoofddraagconstructietijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minutenindien geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau60Indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau90Indien een vloer van een verblijfsgebied van die gebruiksfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau120

6. In afwijking van het vierde en vijfde lid, wordt de tijdsduur van de brandwerendheid met 30 minuten verlaagd, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m2.

7. Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand, gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij brand binnen redelijke tijd kan worden verlaten en kan worden doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie."

Artikel 2.10

"De tijdsduur gedurende welke een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt overschreden, als bedoeld in artikel 2.9, wordt bepaald volgens:

a. NEN 6069,

b. NEN 6071,

c. NEN 6072 of

d. NEN 6073."

Op grond van artikel 2.9 lid 4 van het Bouwbesluit moet de hoofddraagconstructie van het werk een uiterste grenstoestand hebben die bij brand ten minste 90 minuten niet mag worden overschreden. Hoewel Ballast Nedam in haar aanbieding heeft aangegeven dat het werk aan deze eis voldoet en deze aanbieding op grond van artikel 3 lid 1 sub e van de overeenkomst tot de contractstukken behoort, is inmiddels uit onderzoek naar de brand op 1 oktober 2007 in de parkeergarage in de Lloydstraat te Rotterdam gebleken, dat de toepassing van kanaalplaatvloeren in het ontwerp van Ballast Nedam daar niet aan voldoet.

Dat de toepassing van kanaalplaatvloeren in het ontwerp van Ballast Nedam thans niet meer voldoet aan de voor het werk relevante bouwtechnische overheidsvoorschriften, kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter niet aan Ballast Nedam worden toegerekend, gelet op het volgende.

Het gebruik van beton voor de parkeerdekken is voorgeschreven in het PvE. Kanaalplaatvloeren werden - ook volgens OBR - toen Ballast Nedam in oktober 2008 haar aanbieding moest indienen, maar ook nog in de tijd van het tot stand komen van de overeenkomst op 27 april 2009, veelvuldig in parkeergarages toegepast op de manier zoals opgenomen in het ontwerp van Ballast Nedam. Naar de voorzieningenrechter begrijpt werd destijds algemeen aangenomen dat die toepassing afdoende bestand was tegen brand. Hoewel de toepassing van kanaalplaatvloeren niet expliciet door OBR is voorgeschreven, moet voorshands worden aangenomen dat ook OBR de toepassing van kanaalplaatvloeren in de onderhavige parkeergarage een aanvaardbare keuze vond, nu gedurende het ontwerpproces niet is gebleken van enig commentaar hierop van OBR. Nog helemaal niet duidelijk, ook niet voor Ballast Nedam, was, of voornoemde brand op 1 oktober 2007 in de parkeergarage in de Lloydstraat te Rotterdam wel gevolgen zou hebben voor de toepassing van kanaalplaten en wat de financiële consequenties daarvan zouden zijn.

Uit het rapport van TNO d.d. 18 januari 2008 blijkt dat op dat moment nog onbekend was of de bezwijkvorm van de kanaalplaatvloeren bij voornoemde brand in 2007 een incident betrof of structureel was van karakter en aanbevolen in het rapport wordt dan ook om dit te onderzoeken. Uit het rapport blijkt eveneens dat scheurvorming optreedt die met de tot dan toe gehanteerde rekenmethodes niet werd voorspeld, maar wel tot vroegtijdig bezwijken van de vloerconstructie leidt. Eerst bij brief van 16 november 2009, derhalve ruim een jaar na het indienden van de aanbieding van Ballast Nedam en ruim een half jaar na het sluiten van de overeenkomst, schrijft BFBN dat op grond van de huidige stand van zaken, VROM-Inspectie, COBc, BFBV, TNO, Efectis en Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw aan ontwerpers van kanaalplaatvloeren adviseren om - vooruitlopend op de procedures die in gang zijn gezet om de komende wijziging van EN 1168 alsmede het besluit om aanvullende detailleringseisen via de certificatieregeling in Nederland in januari 2010 van kracht te laten worden - voor nieuwe projecten bij een vereiste brandwerendheid van 60 minuten of langer een aanvullende toets uit te voeren op dwarskrachten op basis van de in voorbereiding zijnde wijziging van EN-norm 1168 via de Beoordelingsrichtlijn BRL 0203 en aanvullende eisen te hanteren met betrekking tot de detaillering van kanaalplaatvloeren. Op 11 juni 2011 is BFBV met een nader advies gekomen, voortvloeiend uit nader onderzoek.

Met Ballast Nedam is de voorzieningenrechter dan ook voorlopig van oordeel dat de voorwaarden die dS+V thans ten aanzien van de kanaalplaten heeft gesteld in de voorwaardelijke bouwvergunning niet verankerd liggen in het Bouwbesluit, de NEN- of EN-normen met onderliggende berekeningsmethoden waarnaar is verwezen in de oorspronkelijke Vraagspecificatie, maar voortvloeien uit eisen die Ballast Nedam, toen zij op het werk inschreef, niet kon voorzien. Weliswaar gelden de eisen in het Bouwbesluit al sinds 2003, maar de NEN-norm met onderliggende berekeningsmethode waar thans aan moet worden voldaan is nieuw. OBR dient dan ook op grond van § 10 lid 6 UAV-GC een wijziging op te dragen (of de overeenkomst met Ballast Nedam opzeggen), aangezien zoals hiervoor is geoordeeld, het niet verkrijgen van een onvoorwaardelijke bouwvergunning niet aan Ballast Nedam kan worden toegerekend.

Dit zou anders kunnen zijn indien aannemelijk is dat Ballast Nedam rond de relevante datum in oktober 2008 ermee bekend was, althans had behoren te zijn - onder meer op grond van bevindingen naar aanleiding van de brand in de garage in de Lloydstraat te Rotterdam - dat zij er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat de geldende voorschriften met betrekking tot kanaalplaten nog in overeenstemming waren met de eisen die daaraan ten aanzien van de brandwerendheid op basis van een zich ontwikkelende stand van de wetenschap met betrekking tot dit onderwerp worden gesteld. Dat is niet aannemelijk geworden. OBR heeft in dit verband verwezen naar de onder 2.4 (Efectis) en 2.5 (TNO) geciteerde op haar verzoek uitgevoerde onderzoeken, doch niet aannemelijk is dat de resultaten daarvan vóór het sluiten van de overeenkomst aan Ballast Nedam kenbaar zijn gemaakt, dan wel dat zij daarvan anderszins op de hoogte diende te zijn. In dit verband is van belang dat Ballast Nedam onweersproken heeft gesteld dat zij eerst in 2010 Efectis als adviseur heeft benaderd. Eerst middels de brief van BFBN van 16 november 2009 (zie 2.11) is de branche inhoudelijk geïnformeerd. In die brief wordt nog verwezen naar een brief van 1 september 2008, maar niet is gebleken dat in die brief meer wordt vermeld dan dat een onderzoek wordt gestart.

De conclusie uit het voorgaande is dat een wijziging van de Vraagspecificatie nodig is, niet op grond van ondeugdelijk gebleken ontwerpkeuzes die niet of moeilijk meer ongedaan gemaakt kunnen worden die een wijziging noodzakelijk maken om alsnog een bouwvergunning te verkrijgen, zoals betoogd door OBR, maar als gevolg van een inherente onmogelijkheid de Vraagspecificatie, met daarin verwijzing naar de toen geldende NEN-normen, binnen de kaders van huidige wet- en regelgeving tot een vergunbaar ontwerp te vertalen.

brandveiligheidvoorschriften

Thans is de vraag aan de orde of het werk van Ballast Nedam bij rookvorming de volgens de Vraagspecificatie vereiste mate van brandveiligheid biedt.

Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende artikelen in het Bouwbesluit 2003 relevant:

Artikel 1.5:

"Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift."

Afdeling 2.13. Beperking van uitbreiding van brand

§ 2.13.1. Nieuwbouw

Artikel 2.103:

"1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.103 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften."

Afdeling 2.19. Inrichting van rookvrije vluchtroutes

§ 2.19.1. Nieuwbouw

Artikel 2.169. Rookafvoer in nieuwbouw:

"Een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert, heeft een voorziening voor afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt om te vluchten."

Afdeling 2.20. Voorkoming en beperking van ongevallen bij brand

§ 2.20.1. Nieuwbouw

Artikel 2.189. Capaciteitseis rookafvoer in bestaand bouwwerk:

"1. Een niet-besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute voert heeft een voorziening voor de afvoer van rook met een component voor toevoer van verse lucht en een component voor afvoer van rook, met een zodanige capaciteit dat die ruimte tijdens brand gedurende langere tijd kan worden gebruikt voor het uitvoeren van reddingswerkzaamheden en bluswerkzaamheden.

2. Een bouwwerk geen gebouw zijnde is zodanig ingericht, dat de gebruikers van dat bouwwerk bij brand binnen redelijke tijd door de brandweer kunnen worden gered."

Afdeling 2.22. Grote brandcompartimenten

Artikel 2.200:

"1. Een te bouwen bouwwerk met een brandcompartiment of een subbrandcompartiment, waarvan de gebruiksoppervlakte groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1, is zodanig ingericht dat het brandveilig is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.200 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften."

Artikel 2.201:

"Een brandcompartiment en een subbrandcompartiment met een gebruiksoppervlakte die groter is dan de toelaatbare gebruiksoppervlakte als bedoeld in paragraaf 2.13.1, onderscheidenlijk 2.14.1, zijn zodanig ingericht dat het uitbreiden van brand wordt beperkt op een wijze die leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met die paragrafen."

Artikel 2.202:

"De loopafstand tussen een punt in een brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.201, en het aansluitende terrein is zodanig dat bij brand het aansluitende terrein snel en veilig kan worden bereikt op een wijze als beoogd met de paragrafen 2.16.1, 2.17.1, 2.18.1, 2.19.1 en 2.20.1."

Artikel 2.203:

"Een brandcompartiment als bedoeld in artikel 2.201, heeft zodanige voorzieningen dat een brand kan worden bestreden op een wijze die leidt tot een mate van brandveiligheid als beoogd met paragraaf 2.21.1."

Op grond van artikel 2:200 van het Bouwbesluit moeten brandcompartimenten die groter zijn dan 1.000 m² zodanig zijn ingericht dat sprake is van een mate van brandveiligheid zoals beoogd met de paragrafen 2.13, 2.14, 2.16 tot en met 2.20 en 2.21 van het Bouwbesluit (ten aanzien van beperking van uitbreiding van brand, vluchtroutes en bestrijding van brand).

Volgens het PvE en de Vraagspecificatie moet het ontwerp van Ballast Nedam voorzien in een natuurlijk geventileerde parkeergarage. In het PvE en de Vraagspecificatie wordt daartoe verwezen naar de relevante NEN norm 2443 die van toepassing is op natuurlijk geventileerde parkeergarages. De voorwaarden die op grond van NEN 2443 aan een open parkeergarage worden gesteld zijn opgesomd in het onder 2.4 geciteerde rapport van Efectis. Tussen partijen staat vast dat het ontwerp van Ballast Nedam voldoet aan deze NEN norm. Daarmee is voorshands voldoende gebleken dat de brandcompartimenten van Ballast Nedam in ieder geval voldoen aan de in de PvE en de Vraagspecificatie gevraagde mate van brandveiligheid.

Aangezien het ontwerp van Ballast Nedam brandcompartimenten bevat die groter zijn dan 1000 m² dient, gelet op het tweede lid van artikel 2.200 Bouwbesluit 2003 het werk een gelijkwaardigheidstoets te ondergaan. OBR heeft in dat kader een zekere mate van beoordelingsvrijheid.

Uitgaande van het rapport van Effectis van december 2007 dat is opgesteld naar aanleiding van het in opdracht van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond uitgevoerde onderzoek naar de brand in de Lloydstraat te Rotterdam op 1 oktober 2007, lijkt het werk van Ballast Nedam hiermee reeds de gelijkwaardigheidstoets te doorstaan. Immers staat in dit rapport dat voor het bepalen van gelijkwaardigheid kan worden gekeken naar de mogelijkheid van het toepassen van het begrip "niet besloten ruimte". Door een compartiment in te richten als niet besloten ruimte wordt er op grond van artikel 2.169 en 2.189 van het Bouwbesluit vanuit gegaan dat er gedurende langere tijd reddings- en bluswerkzaamheden verricht kunnen worden.

OBR heeft ervoor gekozen om de gelijkwaardigheidstoets uit te voeren mede aan de hand van normen uit de "Praktijkrichtlijn mechanisch geventileerde garages". De voorzieningenrechter acht echter in de contractuele relatie tussen partijen de "Praktijkrichtlijn mechanische geventileerde garages" niet van toepassing, gelet op het volgende:

- Volgens voornoemd rapport van Efectis zijn dergelijke richtlijnen niet van toepassing op natuurlijk geventileerde garages.

- Toepassing van de "Praktijkrichtlijn mechanische geventileerde garages" ligt niet voor de hand, aangezien de relevante NEN-normen die van toepassing zijn op natuurlijk geventileerde garages andere voorschriften bevatten dan de Praktijkrichtlijn.

- OBR heeft in de Vraagspecificatie niet verwezen naar de "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages", waar zij wel heeft verwezen naar de relevante NEN normen.

- In het PvE wordt evenmin verwezen naar de "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages", waar volgens de tekst van het PvE wel de meest relevante normen en voorschriften staan genoemd.

- De "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages" is niet gepubliceerd.

- De "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages" is niet terug te vinden op de website van OBR.

- Uit de dossierstukken blijkt niet waar toepassing van de "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages" op natuurlijk geventileerde garages uit moet worden opgemaakt.

Weliswaar staat in de Vraagspecificatie, dat de bouwplannen gebaseerd moeten zijn op de lokale of regionale brandveiligheidseisen en stelt OBR dat de "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages" eenvoudig was op te vragen bij de gemeente door "even te bellen", doch de voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat regelgeving - voor zover daar al sprake van is - die alleen op deze manier is te achterhalen niet valt onder objectief kenbare regelgeving, waar Ballast Nedam op bedacht had moeten zijn.

Dit betekent dat de vanuit de "Praktijkrichtlijn voor mechanisch geventileerde garages" voortkomende eis van een gewaarborgd zicht van een hoogte van 2.10 meter buiten beschouwing dient te blijven, althans mag Ballast Nedam zich op het standpunt stellen dat zij aan een dergelijke eis, behoudens wanneer haar door OBR op grond van § 10 lid 6 UAV-GC een wijziging wordt opdragen, niet hoeft te voldoen. Niet ter discussie staat immers dat het ontwerp van Ballast Nedam wel voldoet aan de uit de relevante NEN-normen voortvloeiende eis van een zichthoogte van 1.5 meter.

OBR heeft nog aangevoerd dat, gelet op de strekking van § 45 lid 9 van het addendum bij de overeenkomst, het Ballast Nedam niet vrij staat de bouw van het werk op te schorten hangende de discussie over de financiële afwikkeling van een wijziging. Deze paragraaf is echter niet van toepassing op het onderhavige geschil. Paragraaf 45 ziet op het geval van een door de opdrachtgever opgedragen wijziging. Een dergelijke wijziging is in casu niet aan de orde.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter Ballast Nedam op 16 mei 2011 op rechtens juiste gronden de overeenkomst buitengerechtelijk heeft kunnen ontbinden. De vordering ligt dan ook voor afwijzing gereed.

OBR zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vordering af;

veroordeelt OBR in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Ballast Nedam tot op heden begroot op € 1.384,-

(€ 568,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris voor de advocaat).

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Bouchla, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

615/676