Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR2205

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
368406 / HA ZA 10-3621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationaal wegvervoer. CMR. Aanrijding waardoor de door de afzender ter beschikking gestelde trailer zwaar beschadigd raakt. In conventie vrachtbetaling en in reconventie vergoeding van de schade aan de trailer gevorderd. Verrekening. Toepasselijk recht op verrekeningsafspraak. Anticiperende toepassing art. 17 Rome I-Vo. Accessoire aanknoping. Verjaring ex art. 32 CMR. In de gegeven omstandigheden moet de afzender geacht worden de trailer uitsluitend ter beschikking te hebben gesteld aan de vervoerder als ‘verpakking’ voor de te vervoeren lading. De trailer en de lading gelden dan ook samen als ‘goed’ in de zin van art. 1 lid 1 CMR, zodat dit verdrag materieel van toepassing is. De aansprakelijkheid van de wegvervoerder voor de schade aan de trailer wordt dan ook bestreken door de CMR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 368406 / HA ZA 10-3621

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

de vennootschap naar vreemd recht

PPHU "KAREX" ROSIAK KATARZYNA AGATA,

gevestigd te Turek, Polen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.J.C. van Gog,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KDS LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C.P.A. Nuijten.

Partijen zullen hierna Karex en KDS genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. drie december 2010, met acht producties;

- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met drie producties;

- het tussenvonnis van 2 maart 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 10 mei 2011;

- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, met twee producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Tussen KDS als afzender en Karex als vervoerder is op enig moment in of omstreeks oktober 2008 een overeenkomst gesloten tot het vervoer over de weg van een lading goederen van Nederland naar Duitsland. Deze lading bevond zich op een trailer die KDS voorafgaande aan dit vervoer had gehuurd van T.I.P. Trailer Rental. De trailer is gekoppeld aan de trekker van Karex.

Tijdens vorenbedoeld goederenvervoer is vorenbedoelde vrachtwagencombinatie op 7 januari 2009 betrokken geraakt bij een verkeersongeval in buurt van Hannover in Duitsland. Daarbij is de trailer zwaar beschadigd geraakt.

De verzekeraar Allianz heeft omstreeks begin oktober 2009 ter zake van de schade aan de trailer een bedrag van € 9.111,-- uitgekeerd aan Karex.

Het geschil

in conventie

Karex vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- KDS veroordeelt tot betaling aan Karex tegen behoorlijk bewijs van kwijting van €5.566,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 30 dagen na factuurdatum, althans vanaf de dag van de dagvaarding, tot de dag van de algehele voldoening;

- KDS veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten aan Karex ten bedrage van €700,--, exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening,

met veroordeling van KDS in de kosten van dit geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Karex hieraan de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- KDS heeft zonder protest de vrachtfacturen behouden van in totaal € 14.706,51 die zij van Karex had ontvangen ter zake van de door Karex uitgevoerde goederenvervoerwerkzaamheden;

- KDS heeft Karex medegedeeld dat zij als gevolg van de beschadiging van de trailer schade heeft geleden ten bedrage van € 14.677,85; Karex betwist deze schadeomvang;

- het verkeersongeval is veroorzaakt door (een chauffeur van) het Duitse bedrijf Wifatec;

- het door Allianz, verzekeraar van Wifatec, aan Karex uitgekeerde bedrag van € 9.111,--, dat toekomt aan KDS, kan worden verrekend met de door Karex verschuldigde vrachtbedragen; KDS moet aldus nog een bedrag voldoen van € 5.566,85.

KDS voert verweer.

Tot haar verweer heeft KDS het volgende aangevoerd:

- de facturen van Karex worden door KDS niet betwist; KDS beroept zich echter op een met Karex gemaakte verrekeningsafspraak, op grond waarvan zij de vordering van Karex van

€ 5.566,85 mag verrekenen met het totaalbedrag ad € 14.677,85 van de door KDS aan Karex gezonden facturen voor de kosten die KDS heeft moeten maken en de verdere schade die zij heeft geleden door het verkeersongeval;

- betwist wordt dat Karex buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, althans dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten in een redelijke verhouding staan tot de verrichte werkzaamheden respectievelijk de gevorderde hoofdsom.

in voorwaardelijke reconventie

Indien en voor zover het beroep van KDS op verrekening in conventie wordt afgewezen, vordert KDS dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- Karex veroordeelt tot betaling aan KDS van € 5.661,--;

- Karex veroordeelt tot betaling aan KDS van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 februari 2011 (de dag van de conclusie van eis in reconventie) tot de dag van de algehele voldoening;

- Karex veroordeelt tot betaling aan KDS van de kosten van deze procedure;

- KDS machtigt om hetgeen door haar ingevolge het vonnis in conventie aan Karex betaald moet worden te verrekenen met hetgeen Karex ingevolge het vonnis in reconventie aan KDS dient te betalen.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft KDS naast hetgeen zij heeft aangevoerd in conventie hieraan - samengevat - de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- Karex had als 'goed huisvader' voor de aan haar door KDS ter beschikking gestelde trailer dienen te zorgen; door dit niet te doen, althans door betrokken te raken bij het verkeersongeval, althans door de trailer niet in goede staat te retourneren aan KDS, is Karex aansprakelijk voor de door KDS geleden schade van in totaal € 14.677,85;

- KDS is vanwege de beschadiging van de door haar van T.I.P. Trailer Rental gehuurde trailer door dit bedrijf bij factuur van 21 januari 2009 belast voor een bedrag van € 11.000,-- op basis van het schaderapport van 19 januari 2009, waarin een bedrag wordt genoemd van € 12.516,85;

- KDS heeft Karex in verband met de schade aan de trailer twee facturen gestuurd, de ene voor het genoemde bedrag van

€ 12.516,85, de andere voor een bedrag van € 2.161,-- vanwege diverse, door KDS gemaakte, kosten; deze facturen zijn door Karex als zodanig nimmer betwist;

- KDS heeft pro resto nog een schadebedrag te vorderen van Karex van € 5.661,--.

Karex voert verweer.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Karex naast haar argumenten in conventie hiertoe het volgende aangevoerd - kort samengevat:

- de vordering van KDS is verjaard;

- voor zover de vordering van KDS niet is verjaard, dient deze te worden afgewezen nu Karex niet aansprakelijk is op grond van overmacht aan haar zijde als bedoeld in de CMR;

- voor zover geen sprake is van overmacht, is Karex op grond van de CMR slechts beperkt aansprakelijk.

De beoordeling in conventie en in reconventie

De gevorderde factuurbedragen van de door Karex aan KDS verzonden vrachtfacturen van in totaal

€ 14.706,51 worden door KDS niet betwist, zodat KDS dit bedrag in beginsel verschuldigd is.

Karex vordert in conventie een hoofdsom van € 5.566,85. Aan de hoogte van dit bedrag is in de dagvaarding de volgende berekening ten grondslag gelegd:

€ 5.566,85 = € 14.677,85 - € 9.111,--.

Ondanks dat Karex stelt dat het door haar gevorderde bedrag van € 5.566,85 het gevolg is van verrekening van genoemd, door Karex van Allianz ontvangen, bedrag van € 9.111,-- met het totaalbedrag van de door KDS aan haar verschuldigde vrachtfacturen - zie p. 4 van de dagvaarding -, is door Karex bij de berekening van de hoogte van het gevorderde, nog openstaande, factuurbedrag niet betrokken het totaalbedrag van de door Karex aan KDS verzonden vrachtfacturen,

€ 14.706,51, maar het door KDS gevorderde schadebedrag, €14.677,85. Karex vordert in de onderhavige procedure aldus een bedrag van € 5.566,85 en niet een bedrag van € 5.595,51 (= € 14.706,51 - € 9.111,--).

Aangezien de rechtbank uit dient te gaan van het gevorderde bedrag en niet van een hoger bedrag mag uitgaan, ligt thans ter beoordeling voor het gevorderde bedrag van € 5.566,85. KDS heeft de juistheid van de door Karex uitgevoerde verrekening niet betwist (zie onder 4 van de conclusie van antwoord in conventie/conclusie van eis in reconventie). De rechtbank moet dus als vaststaand aannemen dat het thans gevorderde bedrag van € 5.566,85 het resultaat is van de verrekening van het door Karex van Allianz ontvangen bedrag van

€ 9.111,-- met het totaalbedrag van de door Karex aan KDS verzonden vrachtfacturen.

KDS meent dat zij ter zake van de door haar van Karex ontvangen vrachtfacturen niets meer verschuldigd is aangezien KDS schade heeft geleden ten gevolge van het ongeval waar Karex bij betrokken was met een door KDS aan Karex ter beschikking gestelde trailer. Primair beroept KDS zich op een verrekeningsafspraak die zij met Karex heeft gemaakt aan het begin van hun relatie, welke afspraak inhoudt dat KDS zich het recht voorbehoudt om in geval van schade aan de trailer en/of de lading, bijvoorbeeld ten gevolge van een ongeval, deze schade met de vrachtpenningen te verrekenen. Subsidiair, indien en voor zover het beroep op verrekening in conventie wordt afgewezen vordert KDS in voorwaardelijke reconventie deze schade van Karex terug. Deze schade bedraagt pro resto € 5.661,--, aldus KDS.

Karex bestrijdt dat zij aansprakelijk is voor schade aan de trailer en bestrijdt dat zij met KDS een verrekeningsafspraak heeft gemaakt danwel dat KDS daar een beroep op kan doen.

De rechtbank zal eerst overgaan tot een beoordeling van de vraag of Karex eigenlijk (nog) wel aansprakelijk is jegens KDS voor de schade die laatstgenoemde stelt te hebben geleden wegens de beschadiging van de trailer door het verkeersongeval.

Partijen zijn het er niet over eens of de CMR, het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, van 19 mei 1956, materieel van toepassing is op de aansprakelijkheid van de vervoerder jegens de afzender voor beschadiging van een aan hem door de afzender ter beschikking gestelde trailer waarop zich de eveneens van deze afzender afkomstige te vervoeren lading bevindt. Karex meent dat de CMR wél van toepassing is, KDS is van mening dat ten aanzien van de trailer sprake is van een bruikleenovereenkomst en dat daarop niet de CMR van toepassing is maar Nederlands intern recht.

Aan het gebruik van de trailer door Karex ligt een contractuele relatie tussen Karex en KDS ten grondslag, zo is niet in geschil. Voor toepasselijkheid van de CMR op deze overeenkomst is vereist dat deze overeenkomst op zichzelf kan worden aangemerkt als een overeenkomst tot het vervoer van een goed in de zin van artikel 1 lid 1 CMR of dat deze overeenkomst daar op enigerlei wijze onderdeel van uitmaakt.

Gesteld noch gebleken is dat aan de terbeschikkingstelling door KDS van de trailer aan Karex een aparte schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt. KDS heeft de trailer aan Karex ter beschikking gesteld om daarmee van KDS afkomstige lading te vervoeren en Karex diende de trailer weer terug te geven aan KDS na afloop van dit vervoer. Niet in geschil is bovendien dat van een huurovereenkomst tussen partijen geen sprake is en dat partijen niets hebben afgesproken over het door Karex aan KDS verschuldigd zijn van een vergoeding voor het gebruik van de trailer. Onder deze omstandigheden moet KDS geacht worden de trailer uitsluitend ter beschikking te hebben gesteld aan Karex als 'verpakking' voor de te vervoeren lading. De trailer en de lading gelden dan ook samen als 'goed' in de zin van art. 1 lid 1 CMR, zodat dit verdrag van toepassing is.

Niet in geschil is dat de onderhavige beschadiging van de trailer eerst is opgetreden tijdens het vervoer door Karex. Karex is dan ook in beginsel voor deze beschadiging aansprakelijk op grond van de in artikel 17 lid 1 CMR neergelegde hoofdregel inzake de aansprakelijkheid van de wegvervoerder.

Ter afwering van haar aansprakelijkheid als vervoerder op grond van de CMR beroept Karex zich primair op verjaring van de schadevergoedingsvordering van KDS op grond van de éénjarige verjaringstermijn van artikel 32 CMR. Voordat zij op 2 februari 2011 - de roldatum waarop voor eis is geconcludeerd in reconventie - haar vordering instelde, was meer dan één jaar verstreken sinds - samengevat - de relevante tijdstippen van artikel 32 lid 1 CMR, aldus KDS.

Ingevolge artikel 32 lid 1 CMR verjaren rechtsvorderingen waartoe het aan de CMR onderworpen vervoer aanleiding geeft door verlopen van een jaar behoudens opzet of schuld. In geval van beschadiging loopt de verjaring vanaf de dag waarop de goederen zijn afgeleverd, in geval van volledig verlies vanaf de dertigste dag na afloop van de bedongen termijn of, bij gebreke van zulk een termijn, vanaf de zestigste dag na de inontvangstneming van de goederen door de vervoerder en in alle andere gevallen na afloop van een termijn van drie maanden na de sluiting van de vervoerovereenkomst. In lid 4 van artikel 32 CMR is onder meer bepaald dat een verjaarde vordering ook niet meer in de vorm van een vordering in reconventie geldend kan worden gemaakt.

Genoemd verjaringsverweer van Karex is opgenomen in haar conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie. Ter comparitiezitting heeft de raadsman van Karex dit verweer in heel algemene zin genoemd, namelijk door te verklaren dat Karex een beroep doet op verjaring op grond van artikel 32 CMR. Niet gezegd kan echter worden dat KDS niet reeds op de comparitiezitting in de gelegenheid is geweest het uitgebreidere verjaringsverweer van Karex in de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie gemotiveerd te weerleggen. Immers, weliswaar heeft Karex deze conclusie, overeenkomstig het dictum van het comparitievonnis, eerst ter comparitie op 10 mei 2011 genomen, dat neemt niet weg dat (de tekst van) deze conclusie reeds op of omstreeks 22 april 2011 is gestuurd naar de raadsman van KDS, zoals onweersproken volgt uit het aan de rechtbank gerichte schrijven van de raadsman van Karex d.d. 22 april 2011. KDS was, kortom, op de comparitiezitting op de hoogte van het volledige verjaringsverweer van Karex. Nu KDS bij monde van haar raadsman ter betwisting van het verjaringsverweer niet meer heeft aangevoerd dan dat de CMR toepassing mist, moet geconcludeerd worden dat zij niet betwist dat haar vordering volgens artikel 32 CMR is verjaard op de door Karex aangevoerde gronden. De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 5.661,-- is derhalve verjaard. Een en ander leidt tot afwijzing van de reconventionele vorderingen van KDS.

Vraag is nu of genoemde verjaring ook moet leiden tot afwijzing van het verrekeningsverweer van KDS in conventie.

Verrekening wordt niet in de CMR geregeld. Te rade dient te worden gegaan bij het nationale interne recht dat in het onderhavige geval ingevolge Nederlands internationaal privaatrecht op het verrekeningsverweer van KDS van toepassing is.

Van het Nederlands internationaal privaatrecht inzake contractuele relaties maken deel uit het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980, hierna: EVO, en de opvolger van dat verdrag, de Verordening (EG) Nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, hierna: Rome I-Vo. Aangezien de onderhavige overeenkomst gesloten is vóór 17 december 2009, de inwerkingstredingsdatum van Rome I-Vo, is deze verordening temporeel niet van toepassing, maar het EVO.

Rome I-Vo kent, in tegenstelling tot het EVO, een specifieke conflictregel over verrekening; zie artikel 17 Rome I-Vo. Deze regel luidt als volgt:

Indien de bevoegdheid tot verrekening niet op een overeenkomst tussen de partijen berust, wordt de verrekening beheerst door het recht dat toepasselijk is op de vordering ten aanzien waarvan men zich op verrekening beroept.

Volgens deze conflictregel moet eerst worden onderzocht of de bevoegdheid tot verrekening op een overeenkomst berust. Is dat het geval, dan beheerst het op die overeenkomst toepasselijke recht eveneens de verrekening. Berust de gestelde bevoegdheid tot verrekening, daarentegen, niet op een overeenkomst, dan wordt de verrekening beheerst door het recht dat van toepassing is op de vordering waarvan nakoming wordt gevraagd en die door middel van verrekening wordt voldaan. Weliswaar mist Rome I-Vo, als gezegd, in het onderhavige geval toepassing, dat neemt niet weg dat de conflictregel van artikel 17 Rome I-Vo zich leent voor anticiperende toepassing, aangezien deze conflictregel overeenstemt met de vóór de inwerkingtreding van Rome I-Vo in de rechtspraak en de doctrine overheersende opvatting over het toepasselijk recht op verrekening.

KDS baseert haar verrekeningsverweer op een overeenkomst (afspraak) met Karex in de zin van artikel 17 Rome I-Vo die zou inhouden dat KDS tot verrekening bevoegd is. Toepasselijk op dit verweer is het recht dat van toepassing is op deze 'verrekeningsovereenkomst'. Gesteld noch gebleken is dat het hier om een schriftelijke overeenkomst gaat en dat deze mondelinge overeenkomst een rechtskeuze behelst. Het toepasselijk recht op deze overeenkomst moet derhalve volgen uit artikel 4 EVO, de EVO-conflictregel over het toepasselijk recht op overeenkomsten bij gebreke van een rechtskeuze. In het geval van een verrekeningsovereenkomst ligt een kenmerkende prestatie in de zin van lid 2 van artikel 4 EVO niet voor de hand. Dat betekent dat van toepassing is het recht van het land waarmee deze overeenkomst het nauwst verbonden is (art. 4 lid 5, eerste volzin, jo. lid 1 EVO). De door KDS gestelde verrekeningsovereenkomst is aangegaan om te voorzien in een vorm van betaling door KDS van de vrachtfacturen van Karex. Daarom ligt aanknoping voor de hand aan het recht dat van toepassing is op de vervoerovereenkomst (accessoire aanknoping). Dat is immers de overeenkomst waaruit de verplichting tot vrachtbetaling voortvloeit.

Artikel 4 lid 4 EVO regelt het toepasselijk recht op de vervoerovereenkomst. Wanneer bij deze overeenkomst het land waar de vervoerder zijn hoofdvestiging heeft ten tijde van de sluiting, tevens het land is waar de plaats van inlading of lossing, dan wel de hoofdvestiging van de verzender is gelegen, wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst is verbonden met dat land. In het onderhavige geval doet zich een zodanige samenloop van aanknopingspunten niet voor. Wél is het zo dat twee van deze vier aanknopingspunten verwijzen naar Nederland (plaats van inlading en hoofdvestiging van de verzender), terwijl naar Polen en naar Duitsland slechts één aanknopingspunt verwijst (hoofdvestiging van de vervoerder resp. plaats van lossing). Op de vervoerovereenkomst en daarmee ook op de gestelde verrekeningsovereenkomst is derhalve Nederlands recht van toepassing.

Het Nederlandse recht bepaalt in artikel 6:131 BW dat de bevoegdheid tot verrekening niet door verjaring van de rechtsvordering eindigt. Dat de schadevordering waarmee KDS haar schuld aan Karex zou mogen verrekenen op grond van artikel 32 CMR is verjaard kan derhalve geen afbreuk doen aan de door KDS gestelde verrekeningsafspraak. In conventie dient aldus - niettegenstaande de verjaring van de vordering in reconventie - verder beoordeeld te worden of Karex zich kan beroepen op verrekening. Daarvoor zal de rechtbank eerst beoordelen of KDS aansprakelijk is voor de schade aan de trailer.

Niet gezegd kan worden dat Karex de twee hierboven onder 3.6 genoemde schadefacturen van KDS als zodanig nimmer heeft betwist. Zie immers de brief van 19 augustus 2009 van de raadsman van Karex aan KDS (prod. 5 van Karex).

4.13. Ter afwering van haar aansprakelijkheid als vervoerder op grond van de CMR heeft Karex een beroep gedaan op overmacht in de zin van lid 2 van artikel 17 CMR, dat, aangehaald voor zover relevant, als volgt luidt:

"De vervoerder is ontheven van deze aansprakelijkheid indien [...] de beschadiging [...] is veroorzaakt [...] door omstandigheden die de vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen."

4.14. In haar dagvaarding voert Karex op p. 6 onder het kopje "weerlegging van het verweer van KDS Logistics" aan dat Karex niet aansprakelijk is voor de schade aan de trailer omdat het verkeersongeval niet veroorzaakt is door Karex maar door de chauffeur van de vrachtauto van Wifatec die achterop de trailer is gereden en Karex aan het ongeval evenmin schuld heeft. Hoewel Karex hier niet het woord "overmacht" gebruikt, had, naar het oordeel van de rechtbank, KDS deze opmerkingen moeten begrijpen als een beroep op overmacht. In haar conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie herhaalt Karex genoemde omstandigheden uit de dagvaarding en spreekt zij ook met zoveel woorden van "overmacht". Onder verwijzing naar rov. 4.9 hierboven moet dan ook geoordeeld worden dat, nu KDS ter comparitiezitting niet is overgegaan tot weerlegging van het overmachtverweer van Karex (anders dan haar in haar conclusie van antwoord zeer algemene argument dat Karex als "goed huisvader" voor de door haar ter beschikking gestelde trailer diende te zorgen maar dat niet gedaan heeft), zij de door Karex aangevoerde omstandigheden voor het bestaan van overmacht niet betwist. Waar tussen partijen niet in geschil is dat de chauffeur van de vrachtauto van Wifatec achterop de trailer is gereden, had het op de weg gelegen van KDS om bijvoorbeeld aan te voeren dat Karex niet al het redelijke heeft gedaan om te voorkomen dat Wifatec in botsing kwam met de trailer. KDS heeft echter nagelaten iets in die zin aan te voeren. Overmacht aan de zijde van Karex in de zin van artikel 17 lid 2 CMR is daarmee komen vast te staan.

4.15. Nu het beroep van Karex op overmacht slaagt, faalt het verrekeningsverweer van KDS in conventie. Bij gebreke van andere door KDS in conventie gevoerde verweren betekent dat dat de door Karex gevorderde hoofdsom van

€ 5.566,85 zal worden toegewezen. Datzelfde geldt voor de door Karex gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na factuurdatum, nu daartegen door KDS geen apart verweer is gevoerd.

4.16. Karex vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, welke kosten door haar conform het rapport Voorwerk II worden begroot op een bedrag van € 700,--.

KDS verweert zich tegen de gevorderde buitengerechtelijke invorderingskosten en voert aan dat de incassowerkzaamheden begrepen zijn onder de in artikel 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedoelde kosten.

Vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt niet uitgesloten door artikel 23 lid 4 CMR. Het hangt af van het nationale interne recht dat op de onderhavige vervoerovereenkomst van toepassing is of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 4 EVO is Nederlands recht van toepassing op deze overeenkomst. Zie hierboven in rov. 4.10.

4.17. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als schade voor vergoeding in aanmerking, behoudens voor zover krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn. Ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad over artikel 241 Rv vallen onder het bereik van de in dat artikel genoemde begrippen "kosten ter instructie van de zaak" onder meer de kosten gemoeid met (eerste) kennisname van de zaak en het daartoe relevante recht, het verzamelen van feiten en/of het gereedmaken van het dossier, alsmede het schrijven van een aan de procedure voorafgaande aanmaning of andere eenvoudige brief (zie HR 14 januari 2005, LJN AR 2760 en HR 18 februari 2005, LJN 6164).

Karex stelt dat zij kosten heeft gemaakt vanwege het versturen van aanmaningsbrieven van 13 oktober 2009 en 8 juli 2010. Deze brieven dienen aangemerkt te worden als aan de procedure voorafgaande standaard sommatiebrieven althans een eenvoudige brief, zodat geen sprake is van verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Dit betekent dat de door Karex gevorderde proceskostenveroordeling tevens geacht wordt een vergoeding te bevatten voor deze werkzaamheden, zodat voor een separate vergoeding geen plaats is.

4.18. KDS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie.

4.19. De proceskosten in conventie aan de zijde van Karex worden begroot op € 560,-- aan vast recht, € 87,93 aan overige verschotten en € 768,-- aan salaris advocaat

(2 pnt. x tarief € 384,--). Nu de vordering in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie zullen deze kosten op halve punten worden begroot op € 384,-- aan salaris advocaat (2 pnt. x tarief € 384,-- : 2).

De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt KDS om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Karex te betalen het bedrag van € 5.566,85 (zegge: vijfduizend vijfhonderd en zesenzestig euro en vijfentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW vanaf 30 dagen na aanvang van de dag volgend op de dagtekening van de factuurdata en over de respectievelijke factuurbedragen tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt KDS in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Karex bepaald op € 560,-- aan vast recht,

€ 87,93 aan overige verschotten en € 768,-- aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst af de vordering van KDS;

veroordeelt KDS in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van Karex bepaald op € 384,-- aan salaris advocaat;

verklaart de veroordeling in de vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.

901/1278