Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR2066

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
350121 / HA ZA 10-791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vernietiging arbitrale vonnissen van de Afdeling Arbitrage van het GIW afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 350121 / HA ZA 10-791

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. L.P.J. Krijgsman te Hardinxveld-Giessendam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BM PROJECTONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

gedaagde,

advocaat mr. G.P. Jongeneel te Sliedrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en BM Projectontwikkeling genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 26 februari 2010,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de conclusie van repliek, tevens houdende wijziging eis, met producties,

- de conclusie van dupliek, met producties.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

[eiser] en BM Projectontwikkeling hebben op 15 november 2000 een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning [adres] (hierna: de overeenkomst). De woning is op 27 juni 2001 opgeleverd.

Op de overeenkomst is de GIW-Garantie- en waarborgregeling Eengezinshuizen E.1999 (hierna: de Regeling) van toepassing verklaard. Daarin is bepaald dat tussen partijen gerezen geschillen uitsluitend door middel van arbitrage, met inachtneming van het arbitragereglement van de Stichting Garantie Instituut Woningbouw (hierna: het GIW), kunnen worden beslecht.

Op 1 mei 2003 heeft [eiser] ingevolge de Regeling een verzoek tot arbitrage ingediend bij de Afdeling Arbitrage van het GIW betreffende een drietal klachten.

Op 19 april 2004 heeft de arbiter vonnis gewezen en BM Projectontwikkeling veroordeeld ter zake twee klachten en één klacht van [eiser] afgewezen (hierna: het eerste arbitrale vonnis). Dit vonnis, waarin BM Projectontwikkeling wordt aangeduid als [X], houdt - voor zover thans van belang - het volgende in:

"(...)

klacht 1

(...)

19. Volgens [eiser] is de tuinmuur van inferieure kwaliteit.

(...)

overwegingen en oordeel van arbiter

25. Tussen partijen staat thans niet meer ter discussie dat de gebreken aan de tuinmuur zodanig zijn, dat daardoor sprake is van schending van de garantienormen. Gelet op het inspectierapport van de deskundige, komt ook arbiter tot die conclusie.

26. De vordering is derhalve gegrond. Dit rechtvaardigt een veroordeling tot het verrichten van zodanige herstelwerkzaamheden, dat alsnog wordt voldaan aan het niveau van de garantienormen. Tevens dient [X] alle noodzakelijke, met het herstel samenhangende bijkomende werkzaamheden te verrichten. (...)

27. De deskundige heeft een hersteladvies gegeven. Ondanks de bezwaren die [eiser] heeft tegen de door [X] en de deskundige voorgestelde herstelmethode, overweegt arbiter dat [X] een prestatieverplichting opgelegd krijgt. De tuinmuur zal dus, hoe dan ook, binnen de gestelde termijn moeten voldoen aan het niveau van de garantienormen. Het is echter geheel aan [X] te bepalen welke herstelmethode zij kiest. Of zij al dan niet gebruik maakt van het door de deskundige gegeven hersteladvies, is dus aan [X]. Daar staat arbiter verder buiten. Om die reden gaat arbiter hier niet nader in op de technische aspecten van, c.q. de bezwaren van [eiser] tegen de herstelmethode.

(...)".

Naar aanleiding van het eerste arbitrale vonnis heeft BM Projectontwikkeling een plan van aanpak opgesteld en aan [eiser] voorgelegd. [eiser] kan zich niet met dit plan verenigen en laat BM Projectontwikkeling niet toe om de werkzaamheden uit te voeren en accepteert evenmin een vervangende schadevergoeding.

Op 30 januari 2005 heeft [eiser] een nieuw verzoek tot arbitrage ingediend bij de Afdeling Arbitrage van het GIW betreffende de tuinmuur.

Op 27 november 2009 heeft de arbiter vonnis gewezen en [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht (hierna: het tweede arbitrale vonnis). Dit vonnis, waarin BM Projectontwikkeling wederom wordt aangeduid als [X], houdt - voor zover thans van belang - het volgende in:

"(...)

Klacht

(...)

Schade aan fundering tuinmuur, schade tuinmuur.

(...)

overwegingen en beoordeling arbiter

4.10

Nu door [X] is gesteld dat terzake van de onderhavige klacht reeds bij arbitraal vonnis van 19 april 2004 (...) een veroordeling tot herstel is uitgesproken, dient arbiter zich - voorafgaande aan enig inhoudelijk oordeel - primair uit te spreken over de vraag of [eiser] in zijn huidige vordering ontvangen kan worden.

4.11

Arbiter is van oordeel dat een dergelijke vordering elk belang ontbeert nu [X] reeds (...) veroordeeld is tot herstel, maar dat aan dat herstel nog geen uitvoering is gegeven door omstandigheden die voor rekening van [eiser] komen. Arbiter is voorts van oordeel dat de huidige vordering van [eiser] in strijd met de goede procesorde komt, aangezien deze vordering eruit voortvloeit dat [eiser] zich niet kan vinden in de uitkomst van de eerdere procedure en hij met onderhavige procedure in wezen beoogt hoger beroep in te stellen, hetgeen in de tussen partijen gesloten overeenkomst nu juist is uitgesloten.

4.12

Ten overvloede overweegt arbiter dat in de eerdere procedure (...) de arbiter (...) reeds heeft overwogen dat de wijze van herstel een keuze is welke aan [X] gelaten wordt nu de regeling er immers in voorziet dat [X] een prestatieverplichting opgelegd krijgt die inhoudt dat de muur aan de garantienormen moet voldoen, maar de wijze waarop zij die prestatie verricht de keuze van [X] zelf is.

(...)".

Op 9 oktober 2007 dient [eiser] nogmaals een verzoek tot arbitrage in bij de Afdeling Arbitrage van het GIW ter zake een tiental klachten. De door het GIW benoemde arbiter heeft de heer [Y] tot deskundige benoemd. Deze deskundige heeft zijn bevindingen en conclusies vastgelegd in een rapport d.d. 2 april 2008. Aan [Q] (hierna: [Q]) is verzocht nader onderzoek in te stellen. [Q] heeft haar bevindingen en conclusies vastgelegd in een rapport d.d. 12 maart 2008.

Op 27 november 2009 heeft de arbiter vonnis gewezen en [eiser] niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van zijn klacht 1 en BM Projectontwikkeling veroordeeld ten aanzien van de klachten 2, 3, 4, 6, 7, 8 en 10 om al datgene te doen om alsnog aan de overeengekomen garantienormen te voldoen (hierna: het derde arbitrale vonnis).

Dit arbitrale vonnis, waarin BM Projectontwikkeling wederom wordt aangeduid als [X], luidt - voor zover thans van belang als volgt:

"(...)

Klacht 1

(...)

Arbiter overweegt dat de betreffende klacht in de hiervoor genoemde procedure reeds is afgewezen en [eiser] derhalve thans niet in zijn onderhavige klacht kan worden ontvangen. (...) Arbiter verklaart [eiser] in zijn vordering niet ontvankelijk.

(...)

Klacht 2

(...)

Arbiter stelt vast dat de bevindingen van de deskundige niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. Hij ziet ook overigens geen aanleiding om af te wijken van de bevindingen van de deskundige en neemt deze over als de zijne. Arbiter overweegt dat er terzake niet wordt voldaan aan de garantienormen. Arbiter veroordeelt [X] voorzover dit nog niet heeft plaatsgevonden tot herstel.

(...)

Klacht 3, 4, 7, 8 en 10

(...)

Arbiter begrijpt de klachten van [eiser] zodanig dat deze zien op de aanwezigheid van scheuren en de daar achterliggende problematiek en haar gevolgen in de ruimste zin. Het onderzoek van [Q] heeft zich daarover ook uitgestrekt. Arbiter stelt vast dat de bevindingen van de deskundige niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. Hij ziet ook overigens geen aanleiding om af te wijken van de bevindingen van de deskundige en neemt deze over als de zijne. Arbiter veroordeelt [X] tot herstel.

(...)

Arbiter overweegt ten overvloede dat de heer [Z] van [Q] ter zitting nogmaals heeft verklaard geen aanwijzingen te hebben gevonden dat er sprake is van een gevaarlijke situatie. Arbiter overweegt voorts dat hem niet is gebleken van feiten en omstandigheden welk een tegengestelde conclusie zouden kunnen doen vermoeden of aannemelijk maken. De door [eiser] aangevoerde omstandigheden zijn immers inhoudelijk en afdoende verklaard en door [eiser] zijn geen feiten aangevoerd welke een mogelijk andere conclusie rechtvaardigen. Arbiter ziet derhalve geen grond voor nader onderzoek of verdergaande herstel dan hetgeen waartoe [Q] heeft geadviseerd.

Arbiter wijst [X] er uitdrukkelijk op dat [X] ook zorgt dient te dragen voor herstel van eventuele gevolgschade en wel op een zodanige wijze dat er geen sprake is van aantasting van de bouwkundige en/of esthetische kwaliteit van de woning.

Klacht 5

(...)

Arbiter stelt vast dat de bevindingen van de deskundige niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. Hij ziet ook overigens geen aanleiding om af te wijken van de bevindingen van de deskundige en neemt deze over als de zijne. (...) Arbiter wijst de klacht af.

Klacht 6

(...)

Arbiter stelt vast dat de bevindingen van de deskundige niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. Hij ziet ook overigens geen aanleiding om af te wijken van de bevindingen van de deskundige en neemt deze over als de zijne. Arbiter overweegt dat ter zake niet wordt voldaan aan de garantienormen en veroordeelt [X] tot herstel.

Klacht 9

(...)

Arbiter overweegt dat herstel niet meer aan de orde is en de klacht verder buiten behandeling kan blijven.

Herstel adviezen

(...)

De deskundigen hebben in hun rapportages hersteladviezen gegeven. Arbiter acht deze adviezen in overeenstemming met de garantienormen maar wijst partijen er op, dat het de verantwoordelijkheid van [X] is om al het nodige te doen zodat wordt voldaan aan de garantienormen.

(...)".

Het geschil

[eiser] vordert na wijziging van eis - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- het tweede en het derde arbitrale vonnis te vernietigen,

- te bevelen dat de Raad van Arbitrage met inachtneming van de vernietigingen en de daaraan ten grondslag liggende redenen opnieuw recht doet,

- BM Projectontwikkeling te veroordelen in de proceskosten,

- BM Projectontwikkeling te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 17.500,-.

BM Projectontwikkeling voert gemotiveerd verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

[eiser] heeft zijn eis gewijzigd. BM Projectontwikkeling heeft hiertegen geen bezwaren geuit. Nu de rechtbank de wijziging ook niet in strijd acht met de beginselen van een goede procesorde zal recht worden gedaan op de aldus gewijzigde eis.

BM Projectontwikkeling heeft primair aangevoerd dat [eiser] niet ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering, aangezien de dagvaarding de in artikel 111 lid 2 onder d Rv voorgeschreven gronden van de eis ontbeert. De rechtbank verwerpt dit verweer. Alhoewel summierlijk staan in de dagvaarding de gronden van de eis vermeld. Deze gronden zijn in de conclusie van repliek nader uitgewerkt. BM Projectontwikkeling heeft hierop kunnen reageren en is derhalve niet in haar belangen geschaad.

[eiser] vordert vernietiging van het tweede en derde arbitrale vonnis. Krachtens artikel 1064 lid 1 Rv staat het rechtsmiddel van vernietiging slechts open indien het arbitraal vonnis niet vatbaar is voor arbitraal hoger beroep. Tussen partijen is niet in geschil dat geen hoger beroep mogelijk is tegen de arbitrale vonnissen, zodat [eiser] kan worden ontvangen in zijn vordering tot vernietiging.

[eiser] heeft aan zijn vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen ten grondslag gelegd dat:

1) het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (1065 lid 1 onder c Rv),

2) de arbitrale vonnissen met onvoldoende redenen zijn omkleed (1065 lid 1 onder d Rv),

3) de arbitrale vonnissen en/of de wijze waarop deze tot stand kwamen strijden met de openbare orde of de goede zeden (1065 lid 1 onder e Rv).

Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eiser] een op zijn verzoek opgesteld rapport van [W] (hierna: [W]) d.d. 30 maart 2010 overgelegd.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid geldt dat de burgerlijke rechter bij zijn onderzoek of er grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaat terughoudendheid dient te betrachten. Een vernietigingsgrond mag niet worden gebruik als een verkapt hoger beroep. Bovendien brengt het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. (HR 17 januari 2003, NJ 2004/384 en HR 9 januari 2004, NJ 2005/190). Hierbij heeft voorts te gelden dat de vernietigingsgronden beoordeeld dienen te worden aan de hand van de informatie die de arbiter ten tijde van het wijzen van de arbitrale vonnissen ter beschikking stond. Voor een nadere onderbouwing van in de arbitrale procedure ingenomen stellingen is in een procedure als de onderhavige, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, geen plaats.

Tegen deze achtergrond zal de rechtbank de bezwaren van [eiser] tegen de arbitrale vonnissen beoordelen.

[eiser] heeft ter zake beide arbitrale vonnissen naar voren gebracht dat de arbiter zich niet aan de opdracht heeft gehouden, aangezien een aantal fundamentele door [eiser] naar voren gebrachte zaken in beide arbitrale vonnissen onbesproken zijn gelaten (1065 lid 1 onder c Rv). Hierdoor vertonen deze vonnissen tevens een gebrek in de motivering (1065 lid 1 onder d Rv), aldus [eiser]. Meer subsidiair stelt [eiser] dat beide arbitrale vonnissen hierdoor in strijd met de openbare orde tot stand zijn gekomen. De onderbouwde standpunten van [eiser] zijn immers stelselmatig genegeerd, waardoor is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging (1065 lid 1 onder e Rv). BM Projectontwikkeling heeft deze stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist.

Ter zake het tweede arbitrale vonnis overweegt de rechtbank als volgt. Juist is dat in dit vonnis de stellingen van [eiser] onbesproken zijn gelaten. Dit komt doordat [eiser] in dit vonnis niet-ontvankelijk is verklaard in zijn klacht, waardoor de arbiter niet is toegekomen aan een inhoudelijk oordeel omtrent de klachten van [eiser]. De reden van de niet-ontvankelijk verklaring was gelegen in het feit dat de arbiter van oordeel was dat omtrent de in de tweede arbitrale procedure naar voren gebrachte klacht reeds in het eerste arbitrale vonnis een beslissing was genomen. Nu een niet-ontvankelijkverklaring met zich brengt dat er geen inhoudelijk oordeel wordt gegeven, kan niet gezegd worden dat doordat de arbiter de stellingen van [eiser] onbesproken heeft gelaten, zich één van de door [eiser] voorgedragen vernietigingsgronden voordoet.

[eiser] heeft voorts aangevoerd dat in de tweede procedure nieuwe elementen zijn ingebracht, waardoor de eerste en tweede procedure wezenlijk van elkaar verschilden, ondanks dat beide procedures de tuinmuur tot onderwerp hadden. Het tweede arbitrale vonnis is daarom met onvoldoende redenen omkleed, aldus [eiser].

Aan deze stellingen gaat de rechtbank voorbij. Zoals hiervoor is overwogen kan in onderhavige procedure niet getoetst worden of de beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring juist is geweest. De arbiter heeft zijn beslissing gemotiveerd en deze motivering is niet zodanig gebrekkig dat deze op één lijn gesteld moet worden met een geheel ongemotiveerd vonnis (HR 22 december 2006, NJ 2008, 4).

De rechtbank is overigens van oordeel dat de arbiter in de tweede arbitrale procedure op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat [eiser] niet ontvankelijk was in zijn klacht. In het eerste arbitrale vonnis was immers reeds geoordeeld dat de tuinmuur niet aan de garantienormen voldeed en is BM Projectontwikkeling veroordeeld tot het verrichten van zodanige herstelwerkzaamheden dat alsnog wordt voldaan aan het niveau van de garantienormen. Op het moment dat het tweede arbitrale vonnis werd gewezen, was de tuinmuur nog niet hersteld. [eiser] had daarom geen belang bij de tweede arbitrale procedure, aangezien deze in het voor [eiser] gunstigste geval slechts tot hetzelfde oordeel kon leiden als reeds in het eerste arbitrale vonnis was gegeven, namelijk dat de tuinmuur niet aan de garantienormen voldoet en dat BM Projectontwikkeling een herstelverplichting heeft.

Ter zake het derde arbitrale vonnis overweegt de rechtbank als volgt. [eiser] heeft zijn stellingen onderbouwd met het overleggen van het rapport van [W], waaruit zou blijken dat de conclusies en bevindingen van [Q], welke door de arbiter in het derde arbitrale vonnis zijn overgenomen, onjuist waren. Dit rapport was echter niet beschikbaar ten tijde van het wijzen van het derde arbitrale vonnis. Voor zover uit dit rapport derhalve al zou blijken dat de conclusies en bevindingen van [Q] onjuist waren, kan dit [eiser] niet baten. De arbiter had immers niet de beschikking over het rapport van [W] en heeft derhalve niet met de daarin vervatte conclusies en bevindingen rekening kunnen houden. Indien de rechtbank thans in onderhavige procedure gebruik zou maken van de conclusies en bevindingen van [W], zou dit betekenen dat de rechtbank de aan de arbiter voorgelegde klachten inhoudelijk gaat beoordelen. Zoals hiervoor onder 4.5 reeds is overwogen is voor een inhoudelijke beoordeling van het geschil in onderhavige procedure echter geen plaats. Een vernietigingsprocedure mag niet gebruikt worden als een verkapt hoger beroep.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen naast het rapport van [W] het dossier dat betrekking heeft op de derde arbitrale procedure overgelegd. [eiser] heeft echter noch in de dagvaarding noch in de conclusie van repliek concreet aangegeven welk(e) van zijn in de arbitrale procedure tegen het rapport van [Q] geuite bezwaren door de arbiter ongemotiveerd zijn gepasseerd. [eiser] heeft gesteld dat hij de bevindingen van [Q] voldoende heeft weersproken, doch geeft niet aan op welke wijze hij dit heeft gedaan. Het is niet de taak van de rechtbank om zelf op dit punt het rapport van [W] en het arbitrale dossier door te nemen om te bezien of de arbiter essentiële verweren van [eiser] onbesproken heeft gelaten. Het had van [eiser] verwacht mogen worden dat hij de essentiële verweren die naar zijn mening door de arbiter onbesproken zijn gelaten in onderhavige procedure concreet zou aangeven. Nu hij dit niet heeft gedaan, heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan. Bovendien is BM Projectontwikkeling hierdoor in haar verdediging geschaad, nu zij niet weet op welke door hem in de arbitrale procedure ingenomen stellingen [eiser] thans het oog heeft.

Ditzelfde geldt voor de door [eiser] overgelegde dvd waarop een opname van de volledige zitting in de tweede en derde arbitrale procedure staat. [eiser] stelt dat hieruit blijkt dat de arbiter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. [eiser] verwijst in zijn conclusie van repliek echter slechts naar twee concrete passage uit deze opname. Op basis van deze op zichzelf staande passages kan niet worden geconcludeerd dat de arbiter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Indien dit uit andere passages van de opname wel geconcludeerd zou kunnen worden, had het op de weg van [eiser] gelegen deze passages concreet aan te wijzen.

Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, gaat de rechtbank voorbij aan zijn stellingen.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog als volgt. De bezwaren van [eiser] tegen het rapport van [Q] richten zich kennelijk tegen de daarin opgenomen hersteladviezen. De in het derde arbitrale vonnis genomen beslissing strekt zich echter niet uit tot de wijze van herstel. Ter zake de klachten waarop het rapport van [Q] ziet (klachten 3, 4, 7, 8 en 10) is [eiser] in het gelijk gesteld en ter zake deze klachten is BM Projectontwikkeling veroordeeld tot het (doen) verrichten van zodanige werkzaamheden dat alsnog wordt voldaan aan de garantienormen, alsmede tot het (doen) verrichten van alle hieruit voortvloeiende noodzakelijk bijkomende werkzaamheden.

Kennelijk is [eiser] het niet eens met het in de arbitrale vonnissen gehanteerde uitgangspunt dat de arbiter slechts kan bepalen of de woning aan de garantienormen voldoet, doch indien dit niet het geval blijkt te zijn, niet kan bepalen op welke wijze herstel dient plaats te vinden. Gesteld noch gebleken is echter dat de arbiters zich met het hanteren van dit uitgangspunt niet aan hun opdracht hebben gehouden. De vraag of dit uitgangspunt juist is kan in onderhavige procedure niet getoetst worden.

Uit het voorgaande volgt dat geen van de door [eiser] voorgedragen vernietigingsgronden slagen, zodat de vorderingen van [eiser] reeds om die reden voor afwijzing gereed liggen. De overige verweren kunnen hiermee onbesproken blijven.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BM Projectontwikkeling worden begroot op:

- griffierecht EUR 263,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.167,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van BM Projectontwikkeling tot op heden begroot op EUR 1.167,00,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.

204/106