Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR1640

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
336820 / HA ZA 09-2234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fraudeverzekering. Fraude door werknemer van verzekerde. Verzekeraar keert maximaal verzekerde som uit. Schade is echter meer dan drie keer zo hoog. Polis bevat rangorderegeling in geval verhaal plaatsvindt, waarin - kort gezegd - is bepaald dat verzekerde voorgaat op verzekeraar. Verzekerde treft met bank en accountant schikking tegen finale kwijting. Verzekeraar spreekt vervolgens zelf bank en accountant aan. Verzekeraar wenst in onderhavige procedure verklaring voor recht dat verzekerde, nu zij schikking heeft getroffen, geen beroep kan doen op de rangorderegeling. Vordering wordt afgewezen. Overwegingen over toepasselijk recht op rangorderegeling/Claim Settlement Agreement. Ipr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 336820 / HA ZA 09-2234

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van België

CHUBB INSURANCE COMPANY OF EUROPE SE,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROVIMI HOLDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.R. Kalsbeek te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Chubb en Provimi Holding genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 11 augustus 2009 met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- de conclusie van repliek, met producties,

- de akte overlegging productie aan de zijde van Chubb,

- de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Provimi Holding is een dochtervennootschap van Provimi S.A. Daarnaast is Provimi Holding de holdingvennootschap van de Provimi Groep met deelnemingen in ongeveer 80 vennootschappen, waaronder Provimi B.V. (hierna: Provimi) en Provimi Investment B.V. (hierna: Provimi Investment).

De heer [X] (hierna: [X]) was vanaf 1992 tot omstreeks 15 februari 2001 werkzaam in de functie van 'administrative manager' bij Provimi.

In de periode van 19 april 1996 tot en met 9 februari 2001 zijn door, althans in opdracht van [X] zonder toestemming van Provimi Holding en Provimi Investment veel geldbedragen overgeboekt naar diverse bankrekeningen in het buitenland, onder meer vanaf een door Provimi Holding bij de Rabobank aangehouden bankrekening.

In een rapport van Ernst & Young Forensic Services BV d.d. 18 juli 2001 wordt geconcludeerd dat het gaat om de volgende bedragen:

- ten laste van Provimi Holding voor een totaalbedrag van € 27.980.906,29; en

- ten laste van Provimi Investment voor een totaalbedrag van € 506.553,49.

Bij vonnis van 19 april 2002 is [X] door de rechtbank Rotterdam strafrechtelijk veroordeeld voor verduistering en valsheid in geschrifte.

In december 2000 hebben Chubb en Provimi Holding een "Crime Policy" (fraudeverzekering) met polisnummer 8145-27-31 A afgesloten voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002. Ingevolge artikel 18 van deze verzekering is hierop het recht van Engeland en Wales van toepassing (hierna: Engels recht).

Artikel 14 van deze fraudeverzekering (hierna: de rangorderegeling) luidt als volgt (met 'the Company' wordt Chubb aangeduid en met 'the Policy Holder' Provimi Holding):

"The Company shall be subrogated to all of an Insured's rights of recovery against a person or entity. Upon request, an Insured shall co-operate with the Company in all matters concerning the Company's subrogation rights.

Recoveries, whether effected by the Company or by an Insured, less the cost of recovery, shall be distributed as follows:

(A) first, to the Policyholder for the amount of loss, otherwise covered, but in excess of the Limits of Liability less any Deductible where applicable;

(B) second, to the Company for the amount paid to the Policyholder for covered loss;

(C) third, to the Policyholder for the Deductible; and

(D) fourth, to the Policyholder for loss specifically excluded under this policy

(...)".

Op basis van de fraudeverzekering was Chubb gehouden de schade als gevolg van de fraude door [X] aan Provimi Holding te voldoen. Chubb heeft de schade tot het bedrag van de verzekerde som ad fl. 20.000.000,-

(€ 9.075.604,32) aan Provimi Holding voldaan. Zij hebben hiertoe in september 2001 een "Claim Settlement Agreement" gesloten (hierna: de Claim Settlement Agreement), waarin Provimi Holding wordt aangeduid als Provimi en dat - voor zover thans van belang - het volgende inhoudt:

"(...)

Whereas Provimi has made a Claim of loss suffered by Provimi as the result of fraud, in that monies which are its property have been deliberately and unlawfully taken from Provimi (...), the amount of which loss the Parties have set at NLG 62,599,861

(...)

2. Immediately when the payment (...) has been made, Chubb and Provimi shall each have an independent right of recovery against the person or non-related third parties who have committed or are otherwise liable for the Fraud.

Under this right of recovery Chubb may recoup a sum of up to NLG 20,000,000 and Provimi may recoup a sum equal to

NLG 62,599,861, minus NLG 20,000,000, each to be increased by interest at the statutory rate and the cost of recovery.

3. The Parties shall each on their own behalf seek recourse against the person or non-related third parties who have committed or are otherwise liable for the Fraud (...). If and when the exercise of their right of recovery results in their being awarded and paid damages, the Parties shall observe and act in compliance with article 14 of the policy conditions to which the Insurance Contract is subject.

4. The Parties shall inform each other in advance of their intended recovery action and shall mutually agree which party is best equipped to exercise the recovery action. The parties shall keep each other posted of all progress in their respective Recovery Action and shall inform each other of any other developments relating to the recovery of the loss which may occur after this Agreement has been signed.

5. Neither of the Parties shall make with the person or non-related third parties who have committed or are otherwise liable for the Fraud any arrangement or settlement in which the Parties would give that person or those persons an undertaking of non-disclosure, vis-à-vis Chubb and/or Provimi.

6. This Agreement shall be governed by the law of the Netherlands.

(...)".

Provimi Holding en Provimi Investment hebben bij fax van 20 december 2001 hun accountant (hierna: Deloitte) aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 28.487.459,78, omdat zij tekort is geschoten in haar controlerende taak alsook haar adviesfunctie. Uiteindelijk is er d.d. 20 maart 2002 een "Settlement Agreement" gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst Deloitte). Op grond van deze overeenkomst is ter zake € 2.500.000,- aan Provimi Holding vergoed. Daarnaast is voor € 2.500.000,- een "korting" voor toekomstige diensten verleend aan Provimi S.A., Provimi Holding, Provimi Investment en hun dochtermaatschappijen. Chubb heeft niet ingestemd met deze schikking.

De vaststellingsovereenkomst Deloitte, waarin Provimi S.A., Provimi Holding en Provimi Investment gezamenlijk worden aangeduid als Provimi, houdt - voor zover thans van belang - het volgende in:

"(...)

1. Provimi withdraws all allegations against, and agree that they will not bring any claims against Deloitte, or any partner of employee of Deloitte in connection with, or arising out of, the fraud by Mr [X].

(...)

5. In the event that proceedings are brought by Provimi's fidelity insurers in respect of these present matters against (...) any Deloitte firm or a partner or employee of a Deloitte firm, Provimi undertakes to be as neutral as reasonably can be achieved and expected towards other parties in connection with such a claim.

(...)

9. It is understood that should, despite this agreement, any of the parties bring a claim in court for any reason related to the fraud by Mr [X], the other party is expressly authorized to produce this agreement in court on a confidential basis with a view to constituting an estoppel to proceedings with such claim.

(...)".

Provimi Holding heeft voorts de Rabobank aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 15.535.128,-, omdat zij is tekort geschoten in de verplichtingen die zij jegens Provimi Holding had uit hoofde van de tussen hen bestaande rekeningcourantverhouding. Op 29 juni 2004 zijn Provimi Holding en de Rabobank een vaststellingsovereenkomst aangegaan op grond waarvan de Rabobank ter zake van de door [X] gepleegde fraude aan Provimi Holding een bedrag ad € 8.500.000,- heeft betaald (hierna: de vaststellingsovereenkomst Rabobank). Ook voor het treffen van deze schikking heeft Chubb geen toestemming gegeven.

De vaststellingsovereenkomst Rabobank houdt - voor zover thans van belang - het volgende in:

"(...)

2. Provimi Holding agrees that it will not bring any claim against Rabobank in connection with, or arising out of, the fraud by Mr. [X] except to the extent that it is required to do so by its insurers, Chubb (...);

(...)

4. (...) parties hereby declare and agree that nothing in this Agreement shall prejudice or affect any right that Chubb may have against Rabobank, whether in the exercise of its right of subrogation or otherwise and whether Chubb pursues such rights in its own name or in the name of Provimi Holding. Without prejudice to the generality of the foregoing, the parties hereby declare and agree that this Agreement is not intended to compromise and/or release, nor has the effect of compromising and/or releasing the whole or any part of any subrogated or other claim that Chubb may have against Rabobank or any other third party.

5. If and when Rabobank is legally obliged to pay an amount by court order (...) in excess of this settlement of EUR 8.5 million to Chubb under its right of recovery against Rabobank and Chubb is further obliged to pay this amount to Provimi and this is not subject to appeal, Provimi will - on demand of Rabobank - repay the same amount to Rabobank subject to and after receipt of funds from Chubb. (...)

6. If Provimi Holding recovers any amount or amounts from Mr [X] and/or from any third parties who took advantage of his fraud against Provimi Holding, Provimi Holding will pay to Rabobank 35% of the amount actually recovered by Provimi Holding after deduction of all costs and expenses incurred in connection with such recovery, subject to the obligations of Provimi Holding towards third parties including Chubb.

(...)"

Chubb heeft eveneens Deloitte en de Rabobank aangesproken tot vergoeding van de door haar onder de fraudeverzekering aan Provimi Holding uitgekeerde schade. Beide hebben echter aansprakelijkheid betwist, waarna Chubb hen in rechte heeft betrokken.

Het geschil

Chubb vordert - samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht 1) dat Provimi Holding geen beroep meer toekomt op de rangorderegeling en 2) dat Provimi Holding aansprakelijk is jegens Chubb voor de schadelijke gevolgen indien en voor zover in de verhaalprocedures tegen de Rabobank en Deloitte onherroepelijk komt vast te staan dat Chubb geen belang heeft bij het instellen van die vorderingen, met veroordeling van Provimi Holding in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Chubb de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag gelegd:

De Claim Settlement Agreement bevat een leemte, nu in deze overeenkomst niet is geregeld wat de gevolgen voor de onderlinge verhouding zijn wanneer hetzij Provimi Holding hetzij Chubb met een aansprakelijke partij een schikking treft en daarbij deels van haar vordering afstand doet. Deze leemte in de overeenkomst dient te worden aangevuld met hetgeen door de billijkheid wordt gevorderd. De billijkheid eist dat Provimi Holding door eigenhandig te kiezen voor een deelbetaling door de Rabobank en Deloitte, bij het verdere regres op de Rabobank en Deloitte niet langer voorgaat. Door desondanks een beroep te doen op de rangorderegeling maakt Provimi Holding misbruik van recht althans is het honoreren van dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Provimi Holding voert gemotiveerd verweer en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Chubb in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

Partijen hebben allereerst gedebatteerd over de vraag naar welk recht de rangorderegeling uitgelegd dient te worden. Chubb stelt dat op deze vraag Nederlands recht van toepassing is, nu partijen er bewust voor hebben gekozen de rangorderegeling deel te laten uitmaken van de Claim Settlement Agreement en op die overeenkomst (en daarmee op de rangorderegeling) Nederlands recht van toepassing te laten zijn.

De rechtbank volgt Chubb niet in deze stelling. Provimi Holding heeft er terecht op gewezen dat ingevolge artikel 18 van de fraudeverzekering op deze verzekering en daarmee dus ook op de rangorderegeling Engels recht van toepassing is. Het enkele feit dat in de Claim Settlement Agreement wordt verwezen naar de rangorderegeling, brengt niet met zich dat op deze regeling een ander recht van toepassing wordt dan het recht waarvoor partijen oorspronkelijk hebben gekozen. De Claim Settlement Agreement biedt geen aanwijzingen dat dit de bedoeling van partijen is geweest. Chubb heeft ook geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit een dergelijke bedoeling van partijen kan worden afgeleid of op grond waarvan zij er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat (ook) Provimi Holding dit aannam. Het enkele feit dat beide partijen in Nederland zijn gevestigd is daartoe ook in verband met de Claim Settlement Agreement onvoldoende.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op de rangorderegeling Engels recht van toepassing is.

Chubb heeft haar stellingen enkel gebaseerd op Nederlands recht. Provimi Holding heeft onbetwist gesteld dat voor de werking van redelijkheid en billijkheid geen plaats is naar Engels recht, hetgeen impliceert dat de rechtbank geen ruimte heeft om de rangorderegeling anders uit te leggen dan de tekst van deze regeling met zich brengt. Deze tekst is duidelijk en hieruit volgt dat indien Chubb succesvol verhaal zoekt zij de opbrengsten dient af te dragen aan Provimi Holding totdat deze haar schade geheel vergoed heeft gekregen.

Voormeld oordeel is echter voor onderhavige zaak slechts van beperkt belang, nu

Chubb haar stellingen niet heeft beperkt tot uitleg van de rangorderegeling, doch in breder verband heeft gesteld dat de Claim Settlement Agreement een leemte bevat, welke aangevuld dient te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat op de Claim Settlement Agreement Nederlands recht van toepassing is.

Chubb heeft in dit verband gesteld dat de Claim Settlement Agreement niet voorziet in de situatie dat Provimi Holding derden aansprakelijk stelt voor de volledige schade en er welbewust voor kiest haar regres niet ten volle uit te oefenen c.q. te benutten, maar haar aanspraken op verdere/volledige schadeloosstelling door deze derden prijs te geven. Chubb stelt dat zij bij de totstandkoming van de Claim Settlement Agreement niet aan deze situatie heeft gedacht. Provimi Holding heeft betwist dat de overeenkomst een leemte bevat en heeft in dit verband gewezen op de artikelen 3 en 5 van de Claim Settlement Agreement.

De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 5 van de Claim Settlement Agreement is een bepaling opgenomen die ziet op de situatie waarin één van partijen een schikking aangaat met een aansprakelijke partij. Gezien dit artikel kan moeilijk volgehouden worden dat partijen de mogelijkheid van een schikking niet onder ogen hebben gezien, zoals Chubb stelt. Het mag voorts van Chubb verwacht worden dat zij zich er hierbij van bewust was dat een schikking met zich kon brengen dat Provimi Holding afstand zou doen van een deel van haar aanspraken jegens de partij met wie zij de schikking zou treffen. Dit is een alleszins gebruikelijke situatie. Bovendien is Chubb een professionele partij die - naar Provimi Holding onbetwist heeft gesteld - bij het opstellen van de Claim Settlement Agreement werd bijgestaan door juridisch adviseurs. Chubb stelt dat zij bij het opstellen geen rekening heeft gehouden met een situatie waarin de volledige schade verhaald zou kunnen worden. Indien dit inderdaad het geval is geweest, dient dit voor haar eigen rekening te blijven. Provimi Holding hoefde dat immers niet te begrijpen.

Uit het voorgaande volgt dat de Claim Settlement Agreement niet de door Chubb gestelde leemte bevat die aangevuld dient te worden.

Chubb heeft voorts met een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW gesteld dat toepassing van de rangorderegeling in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Een andersluidend oordeel zou tot consequentie hebben dat een verzekerde geen rekening hoeft te houden met de gerechtvaardigde belangen van de verzekeraar, aangezien deze toch is achtergesteld, aldus Chubb. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat doordat Provimi Holding een schikking heeft getroffen, de subrogatiemogelijkheden van Chubb worden gefrustreerd. Voorts heeft zij, onder verwijzing naar artikel 7:962 lid 2 BW, betoogd dat de rangorderegeling niet is geschreven voor de situatie dat de verzekerde er zelf voor kiest met minder genoegen te nemen dan waar hij recht op heeft.

Provimi Holding heeft gemotiveerd verweer gevoerd en onder meer gesteld dat het standpunt van Chubb met zich brengt dat partijen niet zouden mogen schikken zonder aanspraken onder een rangorderegeling prijs te geven, hetgeen niet de bedoeling van partijen kan zijn geweest en juist tot een onbillijke en onredelijke uitkomst zou leiden. Er is voorts geen aanleiding om bij de uitleg van de overeengekomen rangorderegeling aansluiting te zoeken bij de strekking van artikel 7:962 lid 2 BW.

De rechtbank is van oordeel dat Chubb tevergeefs een beroep heeft gedaan op artikel 6:248 lid BW, nu haar stellingen zijn gestoeld op een onjuist uitgangspunt. De schikkingen die Provimi Holding heeft getroffen hebben - in tegenstelling tot hetgeen Chubb heeft aangevoerd - de verhaalsrechten van Chubb niet aangetast. Chubb heeft gesteld dat haar in de procedures tegen Rabobank en Deloitte wordt tegengeworpen dat zij geen belang heeft bij haar vordering omdat zij het bedrag dat zij eventueel van Rabobank en Deloitte zou dienen te ontvangen toch dient door te betalen aan Provimi Holding. Dit is echter niet het gevolg van de schikkingen die Provimi Holding heeft getroffen met Rabobank en Deloitte, doch een gevolg van de rangorderegeling die partijen zijn overeengekomen en die door Chubb zelf is opgesteld. Ook indien Provimi Holding geen schikkingen had getroffen, had dit verweer gevoerd kunnen worden. Uit de door Provimi Holding met de Rabobank en Deloitte aangegane vaststellingsovereenkomsten blijkt ook dat daarin de verhaalsrechten van Chubb worden gerespecteerd.

Chubb heeft voorts in dit verband ten onrechte verwezen naar artikel 7:962 lid 2 BW. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is immers op de rangorderegeling Engels recht van toepassing. Bovendien is de tekst van de rangorderegeling, welke door Chubb is opgesteld, geheel afwijkend van de tekst van artikel 7:962 lid 2 BW, dat bovendien van latere datum en van regelend recht is.

Chubb heeft verder aangevoerd dat zij op grond van de uitlatingen en gedragingen van Provimi Holding erop mocht vertrouwen dat Provimi Holding afstand deed van haar aanspraak op de rangorderegeling. De tussen Provimi Holding en de Rabobank en Deloitte gesloten schikkingsovereenkomsten kunnen niet anders worden gezien dan als een afstand van het recht om via door Chubb te entameren regresacties nog aanspraak te maken op gelden van de betreffende partijen, aldus Chubb. Provimi Holding deed afstand van haar aanspraken op volledige schadevergoeding door genoegen te nemen met het schikkingsbedrag. Daarvan heeft zij Chubb in kennis gesteld, terwijl zij zich tot december 2005 dienovereenkomstig heeft gedragen. Met het uitdrukkelijk doen van afstand van elke aanspraak op schadevergoeding van de Rabobank en Deloitte in de met hen gesloten overeenkomsten strookt het niet om toch via een omweg - namelijk via Chubb - gelden van de Rabobank en/of Deloitte binnen te krijgen, aldus nog steeds Chubb. Provimi Holding heeft gemotiveerd betwist dat haar verklaringen en gedragingen gekwalificeerd kunnen worden als een tot Chubb geuite wil tot afstand van haar recht een beroep te doen op de rangorderegeling.

De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen gaan er kennelijk van uit dat naar Nederlands recht geoordeeld dient te worden of er sprake is van afstand van recht. De rechtbank zal hier ook van uit gaan. Van afstand van recht kan pas sprake zijn als blijkt van uitlatingen en gedragingen van Provimi Holding jegens Chubb. De uitlatingen en gedragingen die Provimi Holding heeft gedaan/verricht in het kader van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomsten zijn gericht geweest jegens Deloitte en Rabobank en niet jegens Chubb. Weliswaar heeft Provimi Holding Chubb op de hoogte gehouden van de schikkingsonderhandelingen, doch dit deed zij in het kader van haar informatieverplichting zoals opgenomen in artikel 4 van de Claim Settlement Agreement, zodat niet is in te zien hoe Chubb uit betreffende mededelingen zou hebben kunnen afleiden dat Provimi Holding afstand deed van haar aanspraken uit hoofde van de rangorderegeling.

Het feit dat in de vaststellingsovereenkomsten een finale kwijting is overeengekomen, heeft betrekking op het rechtstreekse vorderingsrecht dat Provimi Holding had op Deloitte en Rabobank. Hiervan heeft zij met het aangaan van bedoelde overeenkomsten afstand gedaan. Hiermee heeft zij echter geen afstand gedaan van de rangorderegeling en de aanspraken die zij uit dien hoofde eventueel op Chubb zou hebben. Dit lag ook niet in de rede omdat Deloitte en Rabobank geen partij waren bij de rangorderegeling en zij er geen belang bij hadden dat Provimi Holding jegens Chubb afstand zou doen van haar eventuele aanspraken uit de rangorderegeling.

Chubb kon en mocht uit het enkele feit dat Provimi Holding de vaststellingsovereenkomsten met Deloitte en Rabobank was aangegaan ook niet afleiden dat Provimi Holding hiermee afstand deed van haar aanspraken uit hoofde van de rangorderegeling. In de vaststellingsovereenkomst Deloitte wordt de rangorderegeling niet genoemd en in de vaststellingsovereenkomst Rabobank is zelfs een speciale regeling opgenomen voor het geval Chubb succesvol is in haar regres op Rabobank en Provimi Holding (vervolgens) met succes een beroep doet op de rangorderegeling.

Chubb heeft in dit verband nog gewezen op de brief van Provimi Holding van 24 mei 2002 (productie 9 bij dagvaarding), waarin staat vermeld dat Provimi Holding afstand doet van alle vorderingen die zij op Deloitte inzake de onderhavige fraude meent te hebben. Ook uit deze brief kon Chubb geen afstand van recht afleiden, nu afstand van een vordering op Deloitte niet impliceert dat Provimi Holding ook afstand deed van een vordering op Chubb uit hoofde van de rangorderegeling. Chubb mocht die uitlating in redelijkheid ook niet zo opvatten.

Chubb heeft er voorts op gewezen dat in voormelde brief van Provimi Holding van 24 mei 2002 staat vermeld dat het verhaalsrecht van Chubb onverlet wordt gelaten en daarnaast gewezen op een verslag van een telefoongesprek van 2 december 2003 (productie 13 bij dagvaarding) waarin staat vermeld dat er gesproken is over een eigen regresactie van Chubb. De rechtbank is van oordeel dat ook hieruit geen afstand van recht afgeleid kan worden. Het verhaals/regresrecht van Chubb en de rangorderegeling zijn twee afzonderlijke onderwerpen. Dit betekent dat aan uitlatingen van Provimi Holding over het verhaals/regresrecht van Chubb geen consequenties verbonden kunnen worden omtrent de vraag of Provimi Holding al dan niet een beroep op de rangorderegeling zal doen.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Provimi Holding geen afstand heeft gedaan van haar aanspraak op de rangorderegeling en dat Chubb er ook niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat dit wel het geval was.

Chubb heeft voorts nog gesteld dat Provimi Holding misbruik maakt van recht. Zij heeft deze grondslag echter slechts onderbouwd met de hiervoor reeds besproken stellingen, zodat aan deze grondslag geen zelfstandige betekenis toekomt.

Tot slot heeft Chubb gesteld dat Provimi Holding geen belang heeft bij haar beroep op de rangorderegeling omdat zij alle bedragen die zij uit hoofde van deze regeling ontvangt, gezien de vaststellingsovereenkomst Rabobank, (deels) dient door te betalen aan de Rabobank.

De rechtbank gaat ook aan deze stelling voorbij. Uit de vaststellingsovereenkomst Rabobank volgt dat Provimi Holding niet integraal alle bedragen die zij uit hoofde van de rangorderegeling ontvangt aan Rabobank behoeft door te betalen, zodat zij alleen al om die reden belang heeft bij een beroep op de rangorderegeling.

Uit het voorgaande volgt dat de eerste vordering niet toewijsbaar is. Aan haar tweede vordering heeft Chubb geen andere dan de reeds besproken stellingen ten grondslag gelegd; ook als beide vorderingen worden beschouwd als alternatief en elkaar uitsluitend, zoals Provimi Holding heeft gesteld, kunnen die stellingen, gelet op het voorgaande, niet leiden tot toewijzing van de tweede vordering.

De vorderingen van Chubb zullen worden afgewezen. Chubb zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De kosten aan de zijde van Provimi Holding worden begroot op:

- griffierecht € 262,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 6.684,00

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Chubb in de proceskosten, aan de zijde van Provimi Holding tot op heden begroot op

€ 6.684,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. M. Fiege en mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.

204/106/1729