Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR1052

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/730267-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaak 1e IJzerstraat. Zie voor vonnissen medeverdachten LJ-nummers BR0804 en BR0805.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/730267-10

Datum uitspraak: 8 juli 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1982 te [plaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres]

raadsvrouw: mr. C. van Oort, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 en 28 juni 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van het feit als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officieren van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. Boender en Woei-A-Tsoi hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaar.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 16 juli 2010 tot en met 23 juli 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [slachtoffer] geboren op [datum in 1997],

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit

het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en houden van een penis in de vagina van die

[slachtoffer] en

- brengen en houden van een penis in de mond van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage II, die deel uitmaakt van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Leeftijd

[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) is geboren op [datum in 1997]. Ten tijde van het bewezen verklaarde feit had zij derhalve de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren bereikt.

De in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) genoemde leeftijden zijn geobjectiveerd, zodat opzet of schuld daaromtrent niet is vereist. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is daarom rechtens niet relevant of de verdachte wist of kon weten dat het slachtoffer ten tijde van de seksuele handelingen nog geen zestien jaren oud was. Voldoende is dat wordt bewezen dat het slachtoffer die leeftijd nog niet had bereikt.

Buiten echt

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de processtukken wordt als vaststaand aangenomen dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit niet met [slachtoffer] was getrouwd. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen dat de ontuchtige handelingen buiten echt hebben plaatsgevonden.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Medeplegen van met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte feitelijk heeft gedwaald omtrent de daadwerkelijke leeftijd van [slachtoffer]. Naar het oordeel van de raadsvrouw is deze feitelijke dwaling verontschuldigbaar geweest nu:

- [slachtoffer] doelbewust tegen de verdachte over haar leeftijd heeft gelogen: [slachtoffer] heeft hem verteld dat zij 18 jaar oud was;

- de uiterlijke kenmerken van [slachtoffer] geen aanleiding gaven om te veronderstellen dat zij jonger dan 16 jaar oud was;

- niet alleen de verdachte, maar ook anderen zich schromelijk in de leeftijd van [slachtoffer] hebben vergist, aangezien zij er veel ouder dan 12 jaar uitziet en ook veel ouder overkomt, zodat haar ook nooit wordt gevraagd om een legitimatie als zij alcohol wil kopen in een supermarkt.

De verdachte moet daarom vanwege afwezigheid van alle schuld worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Vooropgesteld wordt dat een beroep op dwaling omtrent leeftijd ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 januari 1959, NJ 1959, 102 en 103) slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Voor een geslaagd beroep op feitelijke dwaling - en derhalve op afwezigheid van alle schuld - is noodzakelijk dat de verdachte op de misleidende informatie van het slachtoffer betreffende haar leeftijd mocht vertrouwen. Uit de wettelijke omschrijving van artikel 245 Sr blijkt dat is beoogd aan personen beneden de leeftijd van zestien jaren ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te bieden. Hieruit volgt dat deze strafbepaling ook de strekking heeft jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Dit betekent dat een verdachte een vergaande onderzoeksplicht heeft om achter de (werkelijke) leeftijd van de betrokken minderjarige te komen.

Het gegeven dat de verdachte [slachtoffer] naar haar leeftijd heeft gevraagd en dat zij hem daarover doelbewust heeft voorgelogen ontslaat de verdachte niet van een verdere onderzoeksverplichting. Daarnaast acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat uiterlijke kenmerken nooit absolute zekerheid omtrent een leeftijd kunnen verschaffen. Het had op de weg van de verdachte gelegen, daar waar hij er voor gekozen heeft om bij de eerste ontmoeting seks te hebben met [slachtoffer], een meisje dat hij niet kende en van wie hij in ieder geval wist dat zij aanzienlijk jonger was dan hijzelf, meer onderzoek te verrichten naar haar werkelijke leeftijd. Het verweer dat sprake is van een verschoonbare dwaling omtrent de leeftijd van het slachtoffer wordt daarom verworpen.

Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte – toen 28 jaar oud – heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje, dat twaalf jaar oud was. Hoewel het meisje vrijwillig met hem en zijn vrienden is meegegaan naar een woning, draaide het daar vrijwel direct uit op geslachtsgemeenschap en orale seks. Het meisje heeft met meerdere volwassen mannen, onder wie de verdachte, geslachtsgemeenschap gehad.

Op deze leeftijd moeten meisjes nog worden beschermd tegen zichzelf, maar zeker ook tegen personen die - op seksueel gebied - misbruik van hen dreigen te maken. De verdachte heeft zich echter, zonder hier ook maar enig moment bij stil te staan, laten leiden door zijn lustgevoelens. Hij heeft de bevrediging van zijn eigen gevoelens vooropgesteld ten koste van dit minderjarige meisje. De ervaring leert dat seksueel misbruik van kinderen kan leiden tot grote psychische schade, waaronder verstoring van de seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. De wetgever heeft daarom het plegen van seksuele handelingen met kinderen tussen twaalf en zestien jaren strafbaar gesteld, ook wanneer dit met wederzijdse goedkeuring gebeurt.

De verdachte heeft de keuze gemaakt om seks te hebben met een meisje dat hij kort daarvoor had leren kennen en van wie hij in ieder geval wist dat zij aanzienlijk jonger was dan hijzelf. De rechtbank heeft kennisgenomen van delen van de videoverhoren van [slachtoffer]. Begrijpelijk is [slachtoffer] door de verdachte voor duidelijk ouder dan twaalf jaar werd gehouden en dat de verdachte schrok toen hij naderhand hoorde wat de leeftijd van [slachtoffer] was. Hoewel verder ook aannemelijk is geworden dat zij heeft gelogen over haar leeftijd en hoewel zij de uiterlijke kenmerken had en het gedrag vertoonde van een ouder meisje, ontsloeg dit alles de verdachte niet van zijn plicht ten minste haar daadwerkelijke leeftijd verder te onderzoeken, alvorens seksuele handelingen met het meisje te verrichten. De verdachte wordt dan ook aangerekend dat hij dat heeft nagelaten.

Op een feit als het onderhavige kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2011 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsadvies betreffende de verdachte van Reclassering Nederland d.d. 19 november 2011. De rechtbank heeft ten slotte gelet op een rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie d.d. 20 mei 2011, waarin forensisch psychiater dr. D.J. Vinkers concludeert dat de verdachte niet verder behoeft te worden onderzocht.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. Aangezien de verdachte deze straf reeds in voorarrest heeft uitgezeten, dient het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte te worden opgeheven. Gelet hierop is er geen plaats meer voor een beslissing op de vordering van de officieren van justitie, strekkende tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak.

De op te leggen straf is aanzienlijk lager dan de geëiste straf, mede nu de rechtbank acht heeft geslagen op straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 5.500,-, bij wijze van voorschot op de totale schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op de algemene ervaringsregels worden vastgesteld op een voorschot van € 800,- zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de verzwarende omstandigheid dat het feit is gepleegd door drie daders. Anderzijds is rekening gehouden met de omstandigheid dat het feit geen element van dwang bevat. De omstandigheid dat [slachtoffer] thans onder behandeling staat, kan niet worden betrokken in de bepaling van de hoogte van het bedrag. De informatie die over deze behandeling is gegeven is summier en, mede in het licht van de omstandigheid dat [slachtoffer] ook voor juli 2010 al was geplaatst in een jeugdinrichting, zonder nadere toelichting onvoldoende om te kunnen vaststellen in hoeverre deze behandeling noodzakelijk is ten het gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, de benadeelde partij zal derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 150, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 47 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 800,- (zegge: ACHTHONDERD EURO) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, te betalen;

verklaart de benadeelde partij voornoemd niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij voornoemd gemaakt, tot op heden begroot op € 150,- (zegge: HONDERDVIJFTIG EURO), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 800,- (zegge: ACHTHONDERD EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Van Essen en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Balk en Schut, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2011.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 8 juli 2011:

TEKST NADER OMSCHREVEN TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2010 tot en met 23 juli 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [slachtoffer](geboren op [datum in 1997]),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

meermalen, althans eenmaal

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die

[slachtoffer] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer]

(artikel 245 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

(zaak 2 Park)

Bijlage II bij vonnis van 8 juli 2011:

OPGAVE BEWIJSMIDDELEN

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17CO 2010240115-7, d.d. 27 juli 2010, inhoudende de op 27 juli 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer] (zaak Park, p. 6)

3. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer], opgemaakt door de rechter-commissaris in deze rechtbank d.d. 14 april 2011.

4. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17P0 2010201946-43, d.d. 4 augustus 2010, inhoudende de op 4 augustus 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] (zaak Park, p. 81)

5. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17P0 2010240115-97, d.d. 25 augustus 2010, inhoudende de op 25 augustus 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] (zaak Park, p. 306).