Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR0804

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/730212-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zedenzaak 1e IJzerstraat. Geen niet-ontvankelijkheid OM vanwege verzuimen in het voorbereidend onderzoek (discrepanties tussen audiovisuele verklaringen slachtoffers en verslaglegging hiervan). Ondervragingsrecht voldoende geeffectueerd. Niet gehandeld in strijd met artikel 167a Sv. Beroep op AVAS vanwege feitelijke dwaling omtrent leeftijd wordt verworpen. Vrijspraak verkrachting. Vrijspraak onttrekking aan het wettelijk gezag. Veroordeling wegens het plegen van ontucht met drie minderjarige meisjes. Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/730212-10

Datum uitspraak: 8 juli 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1984 te [plaats]

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet te Hoogvliet,

raadsman: mr. J. van Riet, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 22, 23 en 28 juni 2011.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officieren van justitie is gewijzigd en hetgeen is vermeld in de afzonderlijk uitgebrachte parallel¬dagvaarding d.d. 23 mei 2011(eveneens onder bovenvermeld parketnummer). De tekst van de tenlastelegging, zoals deze luidt na de nadere omschrijving en de voeging, is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De rechtbank heeft de feiten die in de tenlastelegging zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. De rechtbank zal die nummering in dit vonnis en in de bijlagen aanhouden.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. Boender en Woei-A-Tsoi hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaar en 6 (zes) maanden met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Algemeen

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging aangezien er sprake is van zodanige verzuimen in het voorbereidend onderzoek, dat de behandeling van de zaak niet aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

De raadsman heeft hiertoe - kort gezegd - aangevoerd dat er discrepanties bestaan tussen de audiovisuele registraties van de verhoren van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en de verslaglegging hiervan. Gebleken is dat een aantal voor de verdediging belangrijke gegevens en onderdelen van verklaringen niet in de processen-verbaal zijn gerelateerd. Daarbij is de verdediging - in strijd met het beginsel van “equality of arms” - niet in de gelegenheid geweest om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] rechtstreeks te ondervragen, terwijl de politie hen veelvuldig aan langdurige verhoren heeft onderworpen. Voorts is aangevoerd dat het openbaar ministerie met betrekking tot de onderhavige zaak van meet af aan veelvuldig met de media heeft gecommuniceerd en ten onrechte het nieuws heeft verspreid dat [slachtoffer 2] op één dag zeventien keer door verschillende mannen zou zijn verkracht. Aldus is met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

De rechtbank heeft met de raadsman geconstateerd dat er discrepanties bestaan tussen de audiovisuele registraties van de verhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de verslaglegging hiervan. Voor zover er met betrekking tot de wijze van verslaglegging van de verhoren al sprake is van enig vormverzuim, moet worden geconcludeerd dat dit is hersteld. Het openbaar ministerie heeft de integrale audiovisuele registraties van de verhoren aan de verdediging ter beschikking gesteld. Voorts zijn die gedeelten van de verhoren die volgens de verdediging onjuist dan wel onvolledig in de processen-verbaal zijn weergegeven woordelijk uitgewerkt. Van een onherstelbaar vormverzuim zoals door de raadsman gesteld is derhalve geen sprake.

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn meermalen en langdurig verhoord door de politie. Dit is echter niet op ontoelaatbare wijze gebeurd. Voor zover er tijdens de verhoren fouten zijn gemaakt, is niet gebleken dat dit is gedaan met de bedoeling om de verdachte te benadelen. Voorts is het ondervragingsrecht van de verdediging, gelet op de omstandigheden van het geval, in voldoende mate geëffectueerd. Het openbaar ministerie heeft, vooruitlopend op het verzoek van de verdediging om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuige te horen bij de rechter-commissaris – maar dus nadat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bij de politie aan langdurige verhoren waren onderworpen – een deskundige geraadpleegd, waarna de rechtbank heeft besloten om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door een daartoe opgeleide zedenrechercheur in een verhoorstudio te doen horen, onder supervisie van de rechter-commissaris. De verdediging heeft voor dit verhoor schriftelijke vragen kunnen indienen. De verdediging heeft deze verhoren ook kunnen bijwonen en naar aanleiding van de daarbij afgelegde verklaring nadere vragen kunnen stellen aan deze getuigen.

Voor zover het verweer ziet op de wijze waarop het openbaar ministerie met betrekking tot de onderhavige zaak met de media heeft gecommuniceerd, moet worden geconcludeerd dat de zaak niet op een onaanvaardbare wijze naar buiten is gebracht. De door de raadsman aangehaalde uitlating van de officier van justitie is ongelukkig geweest, doch dit kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging. Van niet-ontvankelijkheid kan immers slechts sprake zijn als er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Hiervan is geen sprake. Wel zal bij een eventuele strafoplegging rekening worden gehouden met de media-aandacht in deze zaak.

Voornoemde punten kunnen, ook in onderlinge samenhang bezien, derhalve niet leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging.

Het verweer wordt verworpen.

Feit 5

Namens de verdachte is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, voor zover het feit 5 betreft, dat - kort gezegd - ziet op ontucht als bedoeld in artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) met [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]). Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Artikel 167a Sv schrijft voor dat het openbaar ministerie onder meer in zaken over ontucht als bedoeld in artikel 245 Sr de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid stelt zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.

Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [slachtoffer 3] op enig moment door de officier in de gelegenheid is gesteld haar mening te geven over het strafrechtelijk verwijt aan de verdachte voor zover dat haarzelf betreft. Wel volgt uit het dossier dat de paralleldagvaarding ter zake van dat feit 5 eerst is uitgebracht op 23 mei 2011, nadat [slachtoffer 3] al op 9 februari 2011 in aanwezigheid van de officier van justitie als getuige bij de rechter-commissaris te kennen had gegeven dat de verdachte wat haar betreft niet gestraft hoefde te worden.

Niet-naleving van artikel 167a Sv leidt niet zonder meer tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Getoetst moet worden of de minderjarige door niet-naleving van artikel 167a Sv zo ernstig in zijn of haar belang is geschaad dat dat, afgewogen tegen andere met de vervolging gemoeide belangen, moet leiden tot het oordeel dat vervolging achterwege had moeten blijven.

Hoewel artikel 167a Sv in deze zaak naar de letter niet is nageleefd, heeft dat onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank geen gevolg voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Immers, de officier van justitie heeft, voordat de betreffende dagvaarding is uitgebracht, bij gelegenheid van dat getuigenverhoor rechtstreeks [slachtoffer 3]’s mening vernomen omtrent het strafbare feit, zodat materieel wel voldaan is aan de strekking van artikel 167a Sv.

Daar komt bij dat er geen grond is om te oordelen dat de hiervoor omschreven afweging van belangen tot de slotsom behoort te leiden dat vervolging achterwege had moeten blijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de betreffende strafbepaling ten doel heeft de seksuele integriteit van de minderjarige te beschermen, waarbij het zelfbeschikkingsrecht van de minderjarige niet doorslaggevend hoeft te zijn. Verder is het bij die afweging van belang dat er sprake is van een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de verdachte (toen 26 jaar oud) en de minderjarige (destijds 14 jaar oud) en dat van bijzondere belangen van [slachtoffer 3] om desondanks niet tot vervolging over te gaan niet is gebleken.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Conclusie

Het openbaar ministerie is voor alle feiten ontvankelijk in de vervolging.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Feit 1

De verdachte heeft erkend dat hij samen met anderen seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 1]. Hij heeft echter ontkend dat daarbij sprake is geweest van enige dwang, zoals ten laste gelegd. De officier van justitie acht dwang en daarmee verkrachting wel bewezen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

In de avond van 19 juni 2010 heeft [slachtoffer 1] de verdachte ontmoet bij uitgaansgelegenheid [naam] aan de [adres] te Rotterdam. Buiten op straat hebben zij met elkaar staan zoenen en daarbij heeft de verdachte zijn hand in de broek van [slachtoffer 1] gedaan en met zijn vingers op en mogelijk in haar vagina gezeten. Aangenomen moet worden dat dit met instemming van [slachtoffer 1] was; zij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij het wel leuk, wel spannend vond wat er gebeurde.

Vervolgens is [slachtoffer 1] samen met een vriendin, de verdachte en de twee medeverdachten in een auto gestapt. Nadat de vriendin thuis was afgezet is [slachtoffer 1] in de auto blijven zitten. Onderweg naar de woning van de verdachte in de 1e IJzerstraat te Rotterdam heeft [slachtoffer 1] op de achterbank van de auto de penis van de verdachte in haar mond genomen en hebben de verdachte en een van de medeverdachten een vinger in haar vagina gestoken. [slachtoffer 1] heeft hierover in haar aangifte verklaard dat zij het allemaal gewoon liet gebeuren. In ieder geval is niet gebleken dat een en ander tegen de wil van [slachtoffer 1] was.

In de woning heeft [slachtoffer 1] op meerdere manieren seks gehad met de drie verdachten, waarbij sprake is geweest van vaginaal en oraal binnendringen. Nadat de twee mede¬verdachten waren vertrokken is zij met de verdachten in de woning achtergebleven en heeft daar overnacht. Ze heeft opnieuw seks gehad met de verdachte. Zij is de volgende dag, in het begin van de middag, samen met de verdachte vertrokken. Op camerabeelden is te zien dat [slachtoffer 1] en de verdachte bij het afscheid op een metrostation elkaar tweemaal op de mond hebben gezoend.

Om te beginnen moet worden vastgesteld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat er tegenover [slachtoffer 1] fysiek geweld is gebruikt om haar te dwingen tot seks. Evenmin is gebleken dat [slachtoffer 1] als gevolg van alcohol- of drugsgebruik niet meer in staat was om weerstand te bieden tegen dingen die zij niet wilde. Verder moet geconstateerd worden dat [slachtoffer 1] bij de verschillende verhoren die hebben plaatsgevonden niet steeds eenduidig heeft verklaard over de vraag of en hoe ze heeft aangegeven dat ze geen seks wilde. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij heeft toegelaten dat de verdachte haar uitkleedde omdat zij haar grenzen niet durfde aan te geven. Op de vraag hoe ze heeft laten merken aan de verdachten dat zij niet wilde was haar antwoord dat ze zachtjes “nee” heeft gezegd. Volgens haar zouden de verdachten uit haar gezichtsuitdrukking hebben kunnen merken dat het tegen haar wil was. Zowel [slachtoffer 1] zelf als de verdachten hebben verklaard, dat [slachtoffer 1] tijdens de seks kenbaar heeft gemaakt dat ze pijn had en “au” heeft geroepen. Uit die omstandigheid kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat er sprake moet zijn geweest van gedwongen seks. In gelijke zin moet worden geoordeeld over de vaststelling van geringe letsels bij [slachtoffer 1] door de forensisch arts. Voorts is van belang dat – gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] zelf en van haar moeder – rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] uit vrees voor de reactie van haar moeder en andere leden van de familie op de mededeling dat zij seks met drie mannen had gehad, niet geheel naar waarheid heeft verklaard over de vraag in hoeverre die seks een vrijwillig karakter had. Alles overziend heeft de rechtbank te veel twijfels over de verdenking dat [slachtoffer 1] tot de in geding zijnde seksuele handelingen is gedwongen om tot een bewezenverklaring daarvan te kunnen komen. Dit betekent dat de verdachte van de onder 1 ten laste gelegde verkrachting moet worden vrijgesproken.

Feit 4

Het onder 4 ten laste gelegde - kort gezegd: opzettelijke onttrekking van [slachtoffer 2] aan het gezag of opzicht dat over haar was gesteld - is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Vaststaat dat de eerste ontmoeting van de verdachte en zijn medeverdachten met [slachtoffer 2] in Rotterdam een volstrekt toevallige was, nadat [slachtoffer 2] eerder die dag was weggelopen uit de inrichting te [plaats] waar zij toen verbleef, en dat zij elkaar tot dat moment niet kenden. [slachtoffer 2] is met de verdachte en zijn medeverdachten meegegaan naar diens woning en de verdachte heeft haar daar inderdaad enkele dagen onderdak verschaft, waarna [slachtoffer 2] daar in stilte is vertrokken met achterlating van een afscheidsbriefje voor de verdachte. De verdachte heeft, volgens een van zijn bij de politie afgelegde verklaringen, in het begin al van [slachtoffer 2] gehoord dat zij regelmatig wegliep.

Voor bewezenverklaring van opzettelijke onttrekking aan het gezag of opzicht over een minderjarige, als bedoeld in het bepaalde in artikel 279 Sr, is onder meer vereist dat de verdachte beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of het opzicht over die minderjarige uitoefent, althans dat hij in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding van de minderjarige van degene die met gezag of opzicht over hem of haar was belast, dat de minderjarige daardoor buiten dat gezag of opzicht kwam te verkeren.

Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken kan niet worden vastgesteld dat de verdachte een dergelijke invloed heeft uitgeoefend of in relevante mate heeft bijgedragen aan de scheiding van [slachtoffer 2] van degene wie dat dan ook was die met opzicht of gezag was belast. Immers, als gezegd: de eerste ontmoeting en kennismaking tussen de verdachte in Rotterdam en de die dag opnieuw uit [plaats] weggelopen [slachtoffer 2] berustte slechts op louter toeval.

Op deze grond kan niet worden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzettelijke onttrekking van [slachtoffer 2] aan enig gezag of opzicht, zodat vrijspraak van dit feit dient te volgen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij in de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen, en alleen,met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had

bereikt, te weten met [slachtoffer 1] geboren op [datum in 1995], buiten echt

ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit

het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

-brengen en houden van een penis in de vagina van die [slachtoffer 1]

en-brengen en houden van een penis in de mond van die [slachtoffer 1]

en

- brengen en houden van (een) vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer 1].

3.

hij in de periode van 16 juli 2010 tot en met 23 juli 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen, en alleen,met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [slachtoffer 2] geboren op [datum in 1997],

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

- brengen en houden van een penis in de vagina van die

[slachtoffer 2] en- brengen en houden van een penis in de mond van die [slachtoffer 2].

5.

hij in de periode van 1 april 2010 tot 1 juni 2010 te Rotterdam

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had

bereikt, te weten met [slachtoffer 3] geboren op [datum in 1995], buiten

echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het - brengen en houden van zijn verdachtes, vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer 3].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, zoals vermeld op de aangehechte bijlage II, die deel uitmaakt van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Feiten 2, 3 en 5 - leeftijd

[slachtoffer 1] is geboren op [datum in 1995], [slachtoffer 2] is geboren op [datum in 1997] en [slachtoffer 3] is geboren op [datum in 1995]. Ten tijde van de bewezen verklaarde feiten hadden zij derhalve de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren bereikt.

De in artikel 245 Sr genoemde leeftijden zijn geobjectiveerd, zodat opzet of schuld daaromtrent niet is vereist. Voor een bewezenverklaring van de onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten is daarom rechtens niet relevant of de verdachte wist of kon weten dat de slachtoffers ten tijde van de seksuele handelingen nog geen zestien jaren oud waren. Voldoende is dat wordt bewezen dat de slachtoffers die leeftijd nog niet hadden bereikt.

Feiten 2, 3 en 5 - buiten echt

Op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de processtukken wordt als vaststaand aangenomen dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde feit niet met [slachtoffer 1], respectievelijk [slachtoffer 2], respectievelijk [slachtoffer 3] was getrouwd. Derhalve is wettig en overtuigend bewezen dat de ontuchtige handelingen buiten echt hebben plaatsgevonden.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

2.

Medeplegen van met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

en

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

3.

Medeplegen van met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

en

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5.

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Feiten 2, 3 en 5 - leeftijd

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte feitelijk heeft gedwaald omtrent de daadwerkelijke leeftijd van zowel [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] als [slachtoffer 3]. Naar het oordeel van de raadsman is deze feitelijke dwaling verontschuldigbaar geweest nu:

- de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar hun leeftijd heeft gevraagd;

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doelbewust tegen de verdachte over hun leeftijd hebben gelogen: [slachtoffer 1] heeft hem verteld dat zij 16 jaar oud was, [slachtoffer 2] heeft hem verteld dat zij 17 jaar oud was;

- in de zaak [slachtoffer 3] weliswaar niet over haar leeftijd is gesproken, maar ook [slachtoffer 3] wel eens heeft gezegd dat zij 16 of 17 jaar oud was;

- de uiterlijke kenmerken van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geen aanleiding gaven om te veronderstellen dat zij jonger dan 16 jaar oud waren;

- niet alleen de verdachte, maar ook anderen [slachtoffer 2] aanzienlijk ouder hebben geschat.

Naar het oordeel van de raadsman had de verdachte slechts achter de werkelijke leeftijd van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] kunnen komen door hen naar een identiteitsbewijs te vragen en dat kon - gezien het feit dat sprake is van een jeugdcultuur met een evident vrije seksuele moraal - redelijkerwijze niet van hem worden gevergd. De verdachte moet daarom vanwege afwezigheid van alle schuld worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Vooropgesteld wordt dat een beroep op dwaling omtrent leeftijd ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 20 januari 1959, NJ 1959, 102 en 103) slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gehonoreerd. Voor een geslaagd beroep op feitelijke dwaling - en derhalve op afwezigheid van alle schuld - is noodzakelijk dat de verdachte op de misleidende informatie van het slachtoffer betreffende haar leeftijd mocht vertrouwen. Uit de wettelijke omschrijving van artikel 245 Sr blijkt dat is beoogd aan personen beneden de leeftijd van zestien jaren ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te bieden. Hieruit volgt dat deze strafbepaling ook de strekking heeft jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Dit betekent dat een verdachte een vergaande onderzoeksplicht heeft om achter de (werkelijke) leeftijd van de betrokken minderjarige te komen.

In de zaak [slachtoffer 3] is niet over haar leeftijd gesproken. Het gegeven dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar hun leeftijd heeft gevraagd en dat zij hem daarover doelbewust hebben voorgelogen ontslaat de verdachte niet van een verdere onderzoeksverplichting. Daarnaast acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat uiterlijke kenmerken nooit absolute zekerheid omtrent een leeftijd kunnen verschaffen. Het had op de weg van de verdachte gelegen, daar waar hij er voor gekozen heeft om bij de eerste ontmoeting seks te hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], meisjes die hij niet kende en van wie hij in ieder geval wist dat zij aanzienlijk jonger waren dan hijzelf, meer onderzoek te verrichten naar hun werkelijke leeftijd. Het verweer dat sprake is van een verschoonbare dwaling omtrent de leeftijd van de slachtoffers wordt daarom verworpen.

Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte – toen 26 jaar oud – heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met drie minderjarige meisjes, van wie er een nog maar twaalf jaar en de andere twee veertien en vijftien jaar oud waren. Twee van de meisjes zijn, nadat zij de verdachte voor het eerst hadden ontmoet, vrijwillig met hem meegegaan naar zijn woning, waar het vrijwel direct uitdraaide op geslachtsgemeenschap en orale seks. In die gevallen heeft de verdachte ook tegelijkertijd met zijn medeverdachten seks met hen gehad.

Ook heeft de verdachte een ander meisje van toen veertien jaar oud gevingerd.

Op deze leeftijd moeten meisjes nog worden beschermd tegen zichzelf, maar zeker ook tegen personen die - op seksueel gebied - misbruik van hen dreigen te maken. De verdachte heeft zich echter, zonder hier ook maar enig moment bij stil te staan, laten leiden door zijn lustgevoelens. Hij heeft de bevrediging van zijn eigen gevoelens vooropgesteld ten koste van deze minderjarige meisjes. De ervaring leert dat seksueel misbruik van kinderen kan leiden tot grote psychische schade, waaronder verstoring van de seksuele ontwikkeling van de slachtoffers. De wetgever heeft daarom het plegen van seksuele handelingen met kinderen tussen twaalf en zestien jaren strafbaar gesteld, ook wanneer dit met wederzijdse goedkeuring gebeurt.

De verdachte heeft de keuze gemaakt om direct bij de eerste ontmoeting seks te hebben met meisjes die hij niet kende, maar van wie hij in ieder geval wist dat zij aanzienlijk jonger waren dan hijzelf. De rechtbank heeft kennisgenomen van delen van de videoverhoren van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Begrijpelijk is dat in het bijzonder [slachtoffer 2] door de verdachte voor duidelijk ouder dan twaalf jaar werd gehouden en dat de verdachte schrok toen hij naderhand hoorde wat de leeftijd van [slachtoffer 2] was. Hoewel verder ook aannemelijk is geworden dat twee van de drie meisjes tegen de verdachte hebben gelogen over hun leeftijd - het derde meisje is niet naar haar leeftijd gevraagd - en hoewel zij de uiterlijke kenmerken hadden en het gedrag vertoonden van oudere meisjes, ontsloeg dit alles de verdachte niet van zijn plicht ten minste hun daadwerkelijke leeftijd verder te onderzoeken, alvorens seksuele handelingen met de meisjes te verrichten. De verdachte wordt dan ook aangerekend dat hij dat heeft nagelaten.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf rekening gehouden met een psychologisch rapport over verdachte van drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog, d.d. 3 februari 2011 en een psychiatrisch rapport over verdachte van dr. Blansjaar, psychiater, d.d. 6 januari 2011.

De conclusie van zowel de psycholoog als de psychiater is dat de verdachte niet lijdt aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt die tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een begeleidingsplan d.d. 31 mei 2011 van de Gemeente Rotterdam, Bureau Frontlijn, een jeugdinterventieteam dat de verdachte wil helpen in het regelen van huisvesting, een inkomen en vermindering van zijn schulden¬problematiek.

Een zekere matiging van de op te leggen straf ligt in de rede nu de artiestennaam van de verdachte als gevolg van de media-aandacht in deze zaak in de openbaarheid is gekomen. Niet valt uit te sluiten dat de verdachte hiervan nadelige gevolgen zal ondervinden. Ook is enige matiging op zijn plaats in verband met de hiervoor genoemde ongelukkige uitlatingen van het Openbaar Ministerie in de media.

Ten slotte is rekening gehouden met het feit dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2011 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. De op te leggen straf is aanzienlijk lager dan de geëiste straf, mede nu de rechtbank acht heeft geslagen op straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

De vordering van [slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, ter zake van feiten 1 en 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 5.500,-, bij wijze van voorschot op de totale schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit 2 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op de algemene ervaringsregels worden vastgesteld op een voorschot van € 800,- zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de verzwarende omstandigheid dat het feit (deels) is gepleegd door drie daders. Anderzijds is ook rekening gehouden met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde feit 2 geen element van dwang bevat.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, de benadeelde partij zal derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 150, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

De vordering van [slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 2], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, ter zake van feit 3. De benadeelde partij vordert vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 5.500,-, bij wijze van voorschot op de totale schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit 3 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid en gelet op de algemene ervaringsregels worden vastgesteld op een voorschot van € 800,- zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank met name rekening gehouden met de verzwarende omstandigheid dat het feit (deels) is gepleegd door drie daders. Anderzijds is rekening gehouden met de omstandigheid dat feit 3 geen element van dwang bevat.

De omstandigheid dat [slachtoffer 2] thans onder behandeling staat, kan niet worden betrokken in de bepaling van de hoogte van het bedrag. De informatie die over deze behandeling is gegeven is summier en, mede in het licht van de omstandigheid dat [slachtoffer 2] ook voor juli 2010 al was geplaatst in een jeugdinrichting, zonder nadere toelichting onvoldoende om te kunnen vaststellen in hoeverre deze behandeling noodzakelijk is ten het gevolg van het bewezen verklaarde feit.

De behandeling van het overige deel van de vordering van de benadeelde partij levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, de benadeelde partij zal derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 150, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 47, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 800,- (zegge: ACHTHONDERD EURO) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 1], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, te betalen;

verklaart de benadeelde partij voornoemd niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij voornoemd gemaakt, tot op heden begroot op € 150,- (zegge: HONDERDVIJFTIG EURO), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 800,- (zegge: ACHTHONDERD EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 800,- (zegge: ACHTHONDERD EURO) en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [slachtoffer 2], domicilie kiezende ten kantore van haar advocaat, mr. D. Koeslan-van Walsum, Simon de la Valléestraat 15, 3067 XR Rotterdam, te betalen;

verklaart de benadeelde partij voornoemd niet-ontvankelijk in het overige deel van de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij voornoemd gemaakt, tot op heden begroot op € 150,- (zegge: HONDERDVIJFTIG EURO), en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 800,- (zegge: ACHTHONDERD EURO), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. Van Essen en Van den Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. Balk en Schut, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 juli 2011.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I bij vonnis van 8 juli 2011:

TEKST (NADER OMSCHREVEN) TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten

[slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

het meermalen, althans eenmaal

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die

[slachtoffer 1] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 1]

en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1]

en/of

- brengen en/of houden van zijn verdachtes, vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer 1]

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met

geweld en/of de bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben

bestaan uit het meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- uitkleden van die [slachtoffer 1] en/of

- bij de nek pakken van die [slachtoffer 1] en/of in de rug duwen van die [slachtoffer 1] en/of

- tegen die [slachtoffer 1] zeggen: "Bukken" en/of dat zij, [slachtoffer 1] ([medeverdachte]) moest

pijpen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- bij de armen (vast)pakken van die [slachtoffer 1] en/of (daarna) die [slachtoffer 1] op een

bed duwen en/of leggen en/of

- uit elkaar duwen van de benen van die [slachtoffer 1] en/of

- bij de haren vastpakken van die [slachtoffer 1] en/of

- bij de dijen vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of

- gebruik/misbruik maken van het, uit de gelijktijdige aanwezigheid van

verdachte en zijn mededader(s) in de (slaap)kamer(s)/ruimte(s) voortvloeiende,

overwicht op die [slachtoffer 1], althans het verschil in getal/aantal en/of

- door gebruik/misbruik te maken van het uit de feitelijke verhoudingen

voortvloeiend overwicht op die [slachtoffer 1] (te weten dat die [slachtoffer 1] onder invloed

was van alcohol en/of drugs) en/of

-(aldus) doen ontstaan van een (bedreigende) situatie waar die [slachtoffer 1] geen

weerstand aan kon bieden;

(artikelen 242 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

(zaak 1 [adres])

2.

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had

bereikt, te weten met [slachtoffer 1] (geboren op [datum in 1995]), buiten echt

ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit

het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

-brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1]

en/of

-brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer 1]

en/of

-brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 1]

en/of

- brengen en/of houden van zijn verdachtes, vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer 1]

(artikel 245 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

(zaak 1 [adres])

3.

hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2010 tot en met 23 juli 2010

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien

jaren had bereikt, te weten met [slachtoffer 2] (geboren op [datum in 1997]),

buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het

meermalen, althans eenmaal

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die

[slachtoffer 2] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer 2] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer 2]

(artikel 245 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

(zaak 2 Park)

4.

hij op of omstreeks de periode van 16 juli 2010 tot en met 23 juli 2010

te Rotterdam,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2],

geboren op [datum in 1997], heeft onttrokken aan het wettig over die

minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag

desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte daar toen

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

- die [slachtoffer 2] meegenomen naar een/zijn woning en/of

- die [slachtoffer 2] onderdak verschaft

(artikel 279 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

(zaak 2 Park)

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot 1 juni 2010 te Rotterdam

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had

bereikt, te weten met [slachtoffer 3] (geboren op [datum in 1995]), buiten

echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden

uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het meermalen,

althans eenmaal

- brengen en/of houden van zijn verdachtes, vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer 3] en/of

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes tong in de vagina van die [slachtoffer 3];

(artikel 245 Wetboek van Strafrecht)

(zaak 5 [slachtoffer 3])

Bijlage II bij vonnis van 8 juli 2011:

OPGAVE BEWIJSMIDDELEN

Feit 2

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17CO 2010201946-3, d.d. 25 juni 2010, inhoudende de op 23 juni 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 1] (zaak [adres], p. 62).

3. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17CO 2010201946-22, d.d. 6 juli 2010, inhoudende de op 6 juli 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 1] (zaak [adres], p. 130).

Feit 3

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17CO 2010240115-7, d.d. 27 juli 2010, inhoudende de op 27 juli 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 2] (zaak Park, p. 6)

3. Een ambtsedig proces-verbaal nr PL17CO 2010240115-26, d.d. 29 juli 2010, inhoudende de op 28 juli 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de getuige [slachtoffer 2] (zaak Park, p. 148).

Feit 5

1. De bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting.

2. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 3], opgemaakt door de rechter-commissaris in deze rechtbank d.d. 9 februari 2011.