Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BR0106

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
10/2712
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende concreet heeft onderbouwd dat eiser blijk geeft van een instelling die niet past bij de bijzondere functie van een politieambtenaar. Van een dergelijke functionaris moet en kan namelijk verwacht worden dat de integriteit boven elke twijfel verheven is. Nu eiser zich door zijn handelwijze daarvan onvoldoende rekenschap heeft gegeven, heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor een politieambtenaar, zodat sprake is van ongeschiktheid in de zin van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. De ontslagbevoegdheid voor verweerder is daarmee gegeven.

Een ontslag wegens ongeschiktheid is in het algemeen niet mogelijk als de ambtenaar niet in de gelegenheid is gesteld het functioneren te verbeteren. Dit is naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep anders indien de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat gesteld kan worden dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat een verbeterkans niet zinvol was, omdat bij eiser de grondhouding ontbreekt om de functie op de gewenste wijze te vervullen. Dat eiser een goede en lange staat van dienst heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich met zijn gedragingen definitief heeft gediskwalificeerd voor het op een geloofwaardige en betrouwbare wijze vervullen van welke functie dan ook binnen het gezagsbereik van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/2712

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: drs. G.N.R. Priem,

en

de korpsbeheerder van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

1 Bij brief van 27 juli 2009 heeft verweerder eiser bericht dat hij voornemens is eiser te ontslaan wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij brief van 24 augustus 2009 heeft eiser zijn zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 28 september 2009 heeft verweerder eiser ontslag verleend, met ingang van 1 november 2009.

2 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 oktober 2009 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

3 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 6 juli 2010 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 2 september 2010 een verweerschrift ingediend. Partijen hebben bij brieven van 7 april 2011 respectievelijk 3 mei 2011 nadere stukken ingediend.

4 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011. Aanwezig waren eiser, zijn gemachtigde en de door eiser meegebrachte informant [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, A.J.T. Heessen en N.V. van der Linde.

2 Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), voor zover thans van belang, kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

2 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is ruim 20 jaar in dienst van verweerder. Met ingang van 27 november 2004 is hij door verweerder geplaatst in de functie van hoofdmedewerker Toezicht Bijzondere Wetten-EXO. Omstreeks november 2007 heeft het hoofd Bureau Interne Zaken (BIZ) in opdracht van verweerder een oriënterend onderzoek ingesteld naar mogelijk dubieuze contacten van eiser. Voorts is op 18 maart 2008 op last van de officier van Justitie een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar een mogelijk door eiser gepleegde schending van zijn ambtsgeheim. Dit onderzoek is op 16 mei 2008 afgesloten. Eiser is niet strafrechtelijk vervolgd. Op 26 mei 2008 is door BIZ een disciplinair onderzoek naar eiser gestart naar vermeend plichtsverzuim. Dit onderzoek is omstreeks maart 2009 afgerond. Er is onderzoek gedaan naar bevragingen door eiser van de bedrijfsprocessensystemen, eisers gebruik van zijn (mobiele) diensttelefoon, het verstrekken van politiespecifieke informatie aan derden, verstrengeling van zakelijke en privébelangen, betrokkenheid bij een incident waarbij illegaal werd gecrosst met motoren en quads en eisers aanwezigheid op een Free Fightgala. Hierbij zijn eiser, een vriend van eiser - de heer [naam] - met wie hij in gezelschap is gezien, diverse collega’s van eiser en diverse particuliere beveiligers gehoord.

3 Verweerder stelt zich op basis van de resultaten van het onderzoek op het volgende standpunt. Eiser heeft veelvuldig om niet werkgerelateerde redenen de bedrijfsprocessensystemen geraadpleegd, gegevens aan privépersonen verstrekt en misbruik gemaakt van zijn positie als politieambtenaar. Daarnaast is hij niet in staat om zakelijke en privébelangen te scheiden, door met enige regelmaat in privétijd contacten te onderhouden met personen met criminele antecedenten. Verder heeft met betrekking tot eiser nog een drietal onderzoeken plaatsgevonden, te weten naar het onbevoegd opmaken van een proces-verbaal door een collega van eiser, mevrouw [naam], eisers aanwezigheid en gedrag op een Free Fightgala en eisers aanwezigheid en gedrag bij een illegale cross. Eisers gedrag in dezen past niet bij hetgeen van een politieambtenaar wordt verwacht. Uit eisers reactie kan opgemaakt worden dat hij de aard en ernst van zijn gedragingen niet onderkent. Gelet op de aard en ernst van de gedragingen, zeker in onderlinge samenhang bezien, en de aard van eisers reactie, ligt een verbetering niet in de rede en kan niet van verweerder verwacht worden dat hij eiser een verbeterkans biedt. Andere maatregelen dan ontslag, zoals overplaatsing, zouden gelet op de aard van de ongeschiktheid en de omstandigheden van dit geval niet adequaat zijn. Ten slotte kunnen de persoonlijke gevolgen voor eiser niet afdoen aan zijn ongeschiktheid.

4 Eiser stelt zich op het standpunt dat de meeste bevragingen werkgerelateerd waren. Een enkele bevraging heeft hij uit nieuwsgierigheid of in het kader van zijn werkzaamheden als coach gedaan. De wijze van informatieverstrekking aan het beveiligingsbedrijf past binnen de werkwijze bij de afdeling Bijzondere Wetten. Nadat een onderzoek is verricht is een en ander netjes teruggekoppeld. Er is op generlei wijze sprake van verboden informatieverstrekking. Het is voorts pertinent onjuist dat het ongebruikelijk is om namen van collega’s aan burgers te verstrekken. De mutatie met betrekking tot de verkeersovertreding is gemaakt door eisers collega, de heer [naam]. Deze mutatie is dagen later gemaakt en eiser heeft deze nooit gezien. Er bestaan zeer veel onduidelijkheden naar aanleiding van de verklaring van de heer [naam] en een deel van die verklaring is zichtbaar verwijderd. Twee van de personen met criminele antecedenten kent eiser door zijn politiewerkzaamheden. Met betrekking tot de derde persoon, een vriend van eiser, heeft verweerder hem nooit gedwongen om te kiezen tussen zijn baan en de vriendschap. Eiser had niets met het crossincident te maken, is hieromtrent nooit gehoord en heeft over en weer grappen gemaakt met de verbalisant. Dat is niet gebruikelijk als sprake is geweest van asociaal gedrag. Het was eiser niet bekend dat hij tijdens het onderzoek tegen hem geen evenement als een Free Fightgala mocht bezoeken. Eiser was zich er niet van bewust dat mevrouw [naam] geen proces-verbaal van bevindingen mocht opmaken. Zij had zelf beter moeten weten en heeft hem hier niet op gewezen. Het ontslag is niet proportioneel. Verweerder had dienen te volstaan met een schriftelijke berisping. Ten slotte beroept eiser zich op de verzachtende omstandigheid dat het onderzoek naar zijn gedragingen te lang heeft geduurd.

5 De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1 Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, onder meer de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2010 (LJN: BM3447), moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

5.2 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd aangegeven welke gradatie hij aanbrengt in de aan eiser verweten gedragingen. Verweerder rekent eiser het zwaarst aan dat hij informatie afkomstig uit de politiesystemen heeft doorgegeven aan een beveiligingsbedrijf. Direct daarop volgt het niet werkgerelateerd bevragen van de bedrijfsprocessensystemen en daarna het laten opmaken van de valse mutatie. Voorts verwijt verweerder eiser de omgang met personen met criminele antecedenten en daarna het oncollegiale gedrag van eiser bij het crossincident. Ten slotte heeft verweerder het onbevoegd opmaken van een proces-verbaal door mevrouw [naam] genoemd.

De rechtbank zal de verwijten aan eiser en de daartegen aangedragen beroepgronden in bovenstaande volgorde behandelen.

5.2.1 Ten aanzien van het verwijt dat eiser informatie afkomstig uit de politiesystemen heeft doorgegeven aan de algemeen directeur van een beveiligingsbedrijf overweegt de rechtbank als volgt. Van een politieambtenaar mag worden verwacht dat hij vertrouwelijke informatie niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie hij volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht is. Systemen die de politie ter beschikking staan ter uitoefening van de dienst mogen dan ook niet worden aangewend voor privézaken of derden.

Uit de stukken, die in het dossier worden aangeduid als “zaak 3”, blijkt dat eiser op 15 september 2007 aan de algemeen directeur van een beveiligingsbedrijf over één van diens medewerkers politiespecifieke en privacygevoelige informatie heeft verstrekt. Deze medewerker is vervolgens ontslagen.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet ontkent dat hij bedoelde informatie heeft verstrekt. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfscultuur waarop eiser een beroep doet niet bestaat. Verweerder heeft daartoe verwezen naar gesprekken die zijn gevoerd met medewerkers van de afdeling Toezicht Bijzondere Wetten, op onder andere 2 april 2009. Tijdens dat gesprek is onder andere naar voren gekomen dat eisers collega’s verkregen informatie, van welke bron dan ook afkomstig, altijd vertrouwelijk behandelen, uitzetten en onderzoeken. Eisers collega’s delen de informatie afkomstig van beveiligingsbedrijven niet met andere bedrijven.

Het vorenstaande in ogenschouw nemende, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gedraging aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en aan het ontslag mede ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.2.2 Ten aanzien van het verwijt dat eiser niet werkgerelateerd de bedrijfsprocessensystemen heeft bevraagd overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep in voormelde uitspraak van 3 mei 2010 heeft overwogen, mogen systemen die de politie ter beschikking staan ter uitoefening van de dienst niet worden aangewend voor privézaken of derden. Gezien het proces-verbaal van bevindingen van 1 april 2008, dat deel uitmaakt van het disciplinaire onderzoek door BIZ, is komen vast te staan dat verzoeker veelvuldig de bedrijfsprocessensystemen Xpol en NSIS voor privédoeleinden heeft aangewend. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de bevragingen als niet werkgerelateerd zijn te beschouwen, gezien frequentie en aard van de in het voornemen vermelde omstandigheden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser had dienen te beseffen dat hij de niet werkgerelateerde bevragingen helemaal niet had mogen doen. Dat hij de informatie afkomstig van de bevragingen met betrekking tot [naam] en [naam] niet heeft doorgegeven en deze bevragingen (deels) uit nieuwsgierigheid waren, doet daaraan niet af. Een politieambtenaar behoort dit soort bevragingen na te laten. Daarbij heeft verweerder betekenis kunnen toekennen aan het feit dat er binnen het korps veel aandacht is besteed aan het niet werkgerelateerd bevragen van politiesystemen naar aanleiding van de zaak Van Persie.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gedraging aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en aan het ontslag mede ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.2.3 Ten aanzien van het verwijt dat eiser een valse mutatie heeft laten opmaken overweegt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 december 2008 blijkt dat getuige en collega van eiser, de heer [naam], heeft verklaard dat eiser en hij op 15 september 2007 om 00.30 uur zijn geflitst omdat ze door rood reden en dat eiser voorstelde om op het bureau te gaan muteren dat zij door rood reden omdat zij iemand wilden controleren, terwijl dat niet zo was. De heer [naam] heeft deze mutatie op 15 september 2007 te 1.12 uur doorgevoerd. Anders dan eiser stelt, bevat deze verklaring geen onduidelijkheden. Ook ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het weggelakte deel van de verklaring afbreuk doet aan de verklaring, zoals die naar voren is gebracht. Derhalve valt niet in te zien waarom verweerder niet zou kunnen uitgaan van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat voldoende aannemelijk is dat eiser misbruik heeft gemaakt van zijn positie als politieambtenaar, door in strijd met de waarheid een mutatie op te laten maken om een verkeersovertreding te rechtvaardigen. Eiser heeft dit bij de eerste confrontatie niet direct ontkend, maar heeft gesteld dat hij het zich niet kon herinneren. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de heer [naam], omdat hij zichzelf met deze verklaring heeft belast. De stelling van eiser dat deze mutatie kennelijk geen gevolgen heeft gehad voor collega [naam] kan aan het vorenstaande niet afdoen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gedraging aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en aan het ontslag mede ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.2.4 Ten aanzien van het verwijt dat eiser privé omgaat met personen met criminele antecedenten overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij in privétijd, na de start van het disciplinair onderzoek tegen hem, een Free Fightgala heeft bezocht waarbij hij direct contact heeft gehad met twee personen met antecedenten en dat eiser niet beseft dat hij moet voorkomen dat hij in privétijd met deze mensen omgaat. Hetgeen eiser heeft gesteld, te weten dat hij deze personen destijds heeft leren kennen in de uitvoering van politietaken, doet niet af aan zijn verantwoordelijkheid om de schijn van verstrengeling van privé en zakelijke belangen te voorkomen.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gedraging aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en aan het ontslag mede ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.2.5 Ten aanzien van het verwijt dat eiser zich oncollegiaal heeft gedragen bij het crossincident overweegt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 juni 2008 blijkt dat getuige [naam] heeft verklaard dat eiser, toen hij werd aangesproken omdat ter plaatse een crossverbod gold, zich tegenover collega’s vervelend heeft gedragen. Het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 juli 2008, waarin de verklaring van een andere collega van eiser, [naam], is opgetekend bevestigt dit beeld. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat van eiser mag worden verlangd dat hij zich, ook buiten diensttijd, tegenover collega’s collegiaal gedraagt, dat hij niet crosst waar dat niet is toegestaan, dat hij de aanwijzingen van zijn collega’s om daarmee te stoppen direct opvolgt en zich onthoudt van het maken van vervelende opmerkingen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd en hetgeen informant [naam] ter zitting heeft verklaard, bestaan geen aanknopingspunten om te twijfelen aan voormelde getuigenverklaringen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gedraging aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en aan het ontslag mede ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.2.6 Ten aanzien van het verwijt omtrent de handelwijze van eiser bij het onbevoegd opmaken van een proces-verbaal door mevrouw [naam] overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat van eiser, als coach, verlangd mocht worden dat hij had geverifieerd of mevrouw [naam] wel bevoegd was om een proces-verbaal te ondertekenen en dat dit nalaten ernstig doet twijfelen aan zijn geschiktheid. Gezien zijn ervaring moet eiser weten dat het onbevoegd ambtsedig opmaken van een proces-verbaal zeer ernstig is en van hem had meer alertheid mogen worden verwacht. Eisers stelling, dat het voor het onderzoek niets zou hebben uitgemaakt of er een proces-verbaal van bevindingen of een rapportage - waartoe mevrouw [naam] wel bevoegd was - was opgemaakt, doet daar niet aan af.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gedraging aan eiser heeft kunnen tegenwerpen en aan het ontslag mede ten grondslag heeft kunnen leggen.

5.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde gedragingen, voldoende concreet heeft onderbouwd dat eiser blijk geeft van een instelling die niet past bij de bijzondere functie van een politieambtenaar. Van een dergelijke functionaris moet en kan namelijk verwacht worden dat de integriteit boven elke twijfel verheven is. Nu eiser zich door zijn handelwijze daarvan onvoldoende rekenschap heeft gegeven, heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die nodig zijn voor een politieambtenaar, zodat sprake is van ongeschiktheid in de zin van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. De ontslagbevoegdheid voor verweerder is daarmee gegeven.

5.4 Een ontslag wegens ongeschiktheid is in het algemeen niet mogelijk als de ambtenaar niet in de gelegenheid is gesteld het functioneren te verbeteren. Dit is naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, onder meer voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2010, anders indien de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat gesteld kan worden dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat gelet op voornoemde feiten en omstandigheden een verbeterkans niet zinvol was, omdat bij eiser de grondhouding ontbreekt om de functie op de gewenste wijze te vervullen. Dat eiser een goede en lange staat van dienst heeft, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zich met zijn gedragingen definitief heeft gediskwalificeerd voor het op een geloofwaardige en betrouwbare wijze vervullen van welke functie dan ook binnen het gezagsbereik van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

5.5 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

6 Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mr. E.R. Houweling en mr. A. van ’t Laar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 30 juni 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: