Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ9956

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
AWB 10/2998 BESLUI - T1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3881, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzing leerwegondersteunend onderwijs. Plaatsing op bepaalde locatie van scholengemeenschap valt niet onder die aanwijzing. Reikwijdte van overlegverplichting met ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2011/311
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/2998 BESLUI - T1

Uitspraak in het geding tussen

B.E. Guechati, wonende te Rotterdam, eiser, vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger F. Zaiz, wonende te Rotterdam,

gemachtigde mr. P.H.A. de Boer, advocaat te Rotterdam,

en

de Regionale Verwijzingscommissie VO Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 10 november 2009 heeft verweerder aan de directeur van het Thorbecke Voortgezet Onderwijs OPDC De Rotonde te Rotterdam (hierna: het bevoegd gezag) meegedeeld dat eiser aangewezen wordt geacht op Leerwegondersteunend Onderwijs (hierna: lwoo).

Tegen dit besluit (hierna: het primaire besluit) is door eisers wettelijk vertegenwoordiger bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 juni 2010 heeft de voorzitter van verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 21 juli 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 6 september 2010 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn wettelijk vertegenwoordiger, vergezeld door L. Guechati (die werd bijgestaan door M. El Amiri, tolk) en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.W. Posthoorn en drs. I.W. Volker.

2 Overwegingen

Eiser rondde in 2009 de basisschool af. Bij formulier, gedateerd 17 september 2009, heeft het bevoegd gezag aan verweerder verzocht een beschikking af te geven dat eiser is aangewezen op lwoo, met de motivering dat eisers intelligentiequotiënt op het niveau van praktijkgericht onderwijs is, maar dat hij didactisch gezien twee leerachterstanden op VMBO-niveau heeft en twee leerachterstanden op LWOO-niveau. De school heeft op de locatie “De Rotonde” de expertise om eiser met zijn specifieke problemen te helpen, aldus het bevoegd gezag. Op dit verzoek is door verweerder positief beslist.

Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is door de voorzitter van verweerder ongegrond verklaard onder de overweging dat het bezwaar zich richt tegen de plaatsing van eiser op een specifieke locatie van een school en dat de wettelijk vertegenwoordiger erkent dat eiser extra hulp en zorg in de vorm van lwoo nodig heeft. Verweerder heeft gehandeld conform de wettelijke criteria en op basis daarvan een beschikking verstrekt aan de aanvragende school voor voortgezet onderwijs. Verweerder is niet bevoegd een uitspraak te doen over de plaatsing van leerlingen op een school.

Gebleken is dat het bestreden besluit is ondertekend door de ambtelijk secretaris van verweerder namens de voorzitter van verweerder. De voorzitter heeft niet de bevoegdheid om namens verweerder bezwaarschriften tegen besluiten van verweerder ongegrond verklaren. Het bestreden besluit is derhalve onbevoegd genomen en zal om die reden door de rechtbank worden vernietigd. Bij besluit van 26 april 2011 heeft verweerder het bestreden besluit bekrachtigd. Uit een oogpunt van proceseconomie is het geraden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Eiser stelt in beroep dat het bevoegd gezag zonder het op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) verplichte overleg met zijn wettelijk vertegenwoordigers een aanvraag voor lwoo voor hem heeft ingediend bij verweerder. Verweerder heeft eiser aangewezen voor lwoo, zonder dat verweerder het op grond van de wet verplichte overleg met de wettelijk vertegenwoordigers heeft gevoerd en zonder dat de aan verweerder ter beschikking gestelde gegevens over eiser aan zijn wettelijk vertegenwoordigers zijn overgelegd of zijn besproken. Daarnaast stelt eiser dat hij, gelet op zijn CITO-advies, is aangewezen op het regulier onderwijs, in casu het VMBO kader onderwijs. Daarbij past niet dat hij wordt geplaatst op de locatie “De Rotonde” van het Thorbecke Voortgezet Onderwijs, waar uitsluitend praktijkonderwijs wordt gegeven. Eiser zou, op grond van de behaalde resultaten op school en op basis van de door zijn ouders ingebrachte resultaten van een IQ-test juist op de locatie “De Tattistraat” van het Thorbecke Voortgezet Onderwijs geplaatst moeten worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 10g, achtste lid, in samenhang met artikel 10e, vierde lid, van de WVO, staat tegen een besluit van een regionale verwijzingscommissie over de vraag of een leerling is aangewezen op lwoo, de bezwaar- en beroepsprocedure van de Awb open.

Ingevolge artikel 10e, eerste lid, van de WVO wordt lwoo verzorgd ter voorbereiding op of gedurende het volgen van onderwijs in een van de leerwegen, genoemd in de artikelen 10, 10b en 10d, ten behoeve van de leerling voor wie vaststaat dat een orthopedagogische en orthodidactische benadering is geboden met het oog op het afsluiten van het onderwijs in een van deze leerwegen. Lwoo wordt zodanig in het onderwijs geïntegreerd en ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces, gericht op het afsluiten als bedoeld in de eerste volzin, kan volgen.

Ingevolge het derde lid beslist het bevoegd gezag na overleg met de ouders van de leerling of aan de leerling lwoo wordt aangeboden.

Ingevolge het vierde lid beslist de in artikel 10g bedoelde regionale verwijzingscommissie op aanvraag van het bevoegd gezag of de leerling op lwoo is aangewezen. Het bevoegd gezag voegt bij de aanvraag na overleg met de ouders een op de desbetreffende leerling betrekking hebbend onderwijskundig rapport. Artikel 10g, derde en vierde lid, zevende lid, eerste volzin, en achtste tot en met elfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit RVC's en regionaal zorgbudget dient het bevoegd gezag de aanvraag voor indicatiestelling voor een leerling die rechtstreeks afkomstig is van een school of instelling als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs in bij de regionale verwijzingscommissie die werkzaam is voor het samenwerkingsverband waarvan de school deel uitmaakt.

Op grond van het derde lid verstrekt het bevoegd gezag een afschrift van het bij de regionale verwijzingscommissie ingediende aanmeldingsformulier en geeft het daarover een mondelinge toelichting aan de ouders van de leerling.

Krachtens het negende lid verstrekt het bevoegd gezag onverwijld een afschrift van de beschikking, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, eerste volzin, en vijfde lid, eerste volzin, en artikel 10g, tweede lid, eerste volzin, en zevende lid, tweede volzin, van de wet en het advies, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, derde volzin, juncto artikel 10g, zevende lid, eerste volzin, van de wet, alsmede een mondelinge toelichting op de beschikking en het advies aan de ouders van de leerling.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit RVC's en regionaal zorgbudget baseert een regionale verwijzingscommissie per aanvraag, als bedoeld in artikel 3, de beschikking over de indicatiestelling uitsluitend op:

a. de door het bevoegd gezag gegeven motivering die gebaseerd is op ervaringen met de leerling in het onderwijsleerproces, zoals die onder meer blijken uit het onderwijskundig rapport, bedoeld in artikel 10e, vierde lid, en 10g, tweede lid, van de wet,

b. de leerachterstand van de leerling,

c. het intelligentiequotiënt van de leerling, en

d. indien dat noodzakelijk is voor het vormen van een oordeel, de resultaten van een of meer persoonlijkheidsonderzoeken met betrekking tot prestatiemotivatie, faalangst en emotionele instabiliteit die een beeld geven van de sociaal-emotionele problematiek van de leerling in relatie tot de leerprestaties, en

e. indien het een aanvraag voor praktijkonderwijs betreft: de zienswijze van de ouders

Ingevolge het vierde lid wijst een regionale verwijzingscommissie de aanvraag voor leerwegondersteunend onderwijs uitsluitend toe, indien de leerling

a. 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 75 tot en met 90, en

2°. een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, of

b. 1°. een intelligentiequotiënt heeft binnen de bandbreedte 91 tot en met 120, en

2°. een leerachterstand heeft op tenminste twee van de vier domeinen inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spellen, ten minste één van deze twee domeinen inzichtelijk rekenen of begrijpend lezen betreft en deze leerachterstand is gelegen binnen de bandbreedte van 0,25 tot 0,5, en

3°.een sociaal-emotionele problematiek heeft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

Aan de orde is de vraag of verweerder eiser bezwaar tegen het positieve besluit op de aanvraag voor lwoo voor eiser terecht ongegrond heeft verklaard. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft een aanvraag als de onderhavige tot aanwijzing van een leerling op lwoo tot gevolg dat de aanvragende school extra geld krijgt om hiermee de specifiek voor die leerling nodige extra ondersteuning te kunnen geven.

Voor het al dan niet toewijzen van lwoo is niet uitsluitend de hoogte van eisers intelligentie quotiënt van belang, maar ook de bij hem bestaande leerachterstand. De resultaten van de intelligentietest waarop verweerder zich heeft gebaseerd, en de door eiser gestelde resultaten van een intelligentietest van 6 januari 2010 bieden steun voor de toewijzing van de aanvraag lwoo. Ook de geconstateerde leerachterstanden bieden daarvoor steun. Niet gesteld of gebleken is dat de uit het drempelonderzoek leerachterstanden van april 2009 voorvloeiende conclusie dat er bij eiser wordt voldaan aan de leerachterstandscriteria voor het verkrijgen van een beschikking, onjuist is of anderszins niet aan het bestreden besluit ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank kan verweerder volgen in het oordeel dat eiser op grond van de in artikel 4, eerste lid, van het Besluit RVC's en regionaal zorgbudget genoemde criteria in aanmerking komt voor lwoo. Uit het dossier blijkt dat verweerder de wettelijk vertegenwoordiger van eiser op 23 juni 2010 heeft gehoord, zodat eisers betoog dat verweerder in strijd met de wet niet heeft overlegd met de ouders, niet slaagt. De rechtbank wijst er verder op dat alleen wanneer een aanvraag voor praktijkonderwijs wordt gedaan, de beschikking over indicatiestelling gebaseerd dient te zijn op de zienswijze van de ouders (artikel 4, eerste lid, onder e van het Besluit RVC's en regionaal zorgbudget). Dit is bij eiser niet aan de orde.

Ter zitting is indringend aan de orde geweest dat van de zijde van eiser het probleem is dat hij is geplaatst op de locatie “De Rotonde” van het Thorbecke Voortgezet Onderwijs, waar uitsluitend praktijkonderwijs wordt gegeven. De wettelijk vertegenwoordiger van eiser wil dat eiser wordt geplaatst op de locatie “De Tattistraat”, waar een VMBO is gevestigd. Zij acht deze laatste locatie meer passend voor eiser. De toelating tot (de locatie van) een school is echter een zaak van de school die het leerwegondersteunend onderwijs verzorgt en staat los van het door verweerder genomen besluit dat eiser is aangewezen op lwoo. Het betoog dat eiser moet worden geplaatst op de locatie “De Tattistraat” kan daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Ook het beroep op artikel 10e, derde en vierde lid, van de WVO, kan niet leiden tot plaatsing op de gewenste locatie.

Onder deze omstandigheden kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 874, - aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150, - vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874, - en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. J.D.M. Nouwen en

mr. A.C. Hendriks, leden, in tegenwoordigheid van J. van Mazijk, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: