Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ9937

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
268033 / HA ZA 06-2415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kostenverhaal bestuursdwang ex artikel 5:25 Awb. Wie is aan te merken als overtreder in de zin van dit artikel? Welke kosten kunnen verhaald worden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 268033 / HA ZA 06-2415

Vonnis van 22 juni 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.R. Kleij te Spijkenisse,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. N. Lagerweij te Rotterdam.

Partijen blijven hierna aangeduid als de Gemeente, respectievelijk [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3].

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 september 2008 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken,

- conclusie na tussenvonnis, tevens houdende een wijziging van eis, aan de zijde van de Gemeente, met producties,

- antwoordconclusie na tussenvonnis, tevens uitlating wijziging van eis, aan de zijde van [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3].

Ten slotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

in conventie

De Gemeente heeft haar eis gewijzigd. [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. Nu de rechtbank deze wijziging ook niet in strijd acht met de beginselen van een goede procesorde zal recht worden gedaan op de aldus gewijzigde eis. De vordering luidt thans - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.708,81 te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [gedagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 74.753,73, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 80.796,34, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

In onderhavige zaak draait het - kort weergegeven - om de vraag of de Gemeente de kosten van de door haar op 19 november 2003 uitgeoefende bestuursdwang, waarbij twee percelen grond die eigendom waren van [gedaagde 1] en [gedagde 2] en in gebruik waren bij [gedaagde 3] zijn ontruimd, op grond van artikel 5:25 Awb kan verhalen op [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3].

Krachtens artikel 5:25 Awb is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] als overtreder in de zin van dit artikel aangemerkt kunnen worden. Uit hetgeen partijen in hun conclusies na tussenvonnis naar voren hebben gebracht, blijkt dat tussen hen niet in geschil is dat [gedaagde 3] aangemerkt kan worden als overtreder. [gedaagde 3] heeft nog wel naar voren gebracht dat de Gemeente onterecht tot bestuursdwang is overgegaan, nu hij had voldaan aan de aanschrijvingen. De rechtbank gaat echter aan hetgeen [gedaagde 3] in dit verband heeft gesteld voorbij, nu in voormeld tussenvonnis de rechtbank dit verweer onder 5.4 reeds heeft verworpen. Dit betreft een bindende eindbeslissing, waarop slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden teruggekomen. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

Hierna zal de rechtbank bespreken of ook [gedaagde 1] en [gedagde 2] als overtreder in de zin van artikel 5:25 Awb aangemerkt kunnen worden.

De Gemeente heeft zich primair op het standpunt gesteld dat zij in haar beslissingen van 7 oktober 2003 (in voormeld tussenvonnis vermeld onder 2.17, 2.18 en 2.19, waarbij per abuis telkens het jaartaal 2002 is vermeld) [gedaagde 1] en [gedagde 2] als overtreder heeft aangemerkt en dat nu deze beslissingen formele rechtskracht hebben, dit in onderhavige procedure vaststaat. Subsidiair heeft de Gemeente aangevoerd dat [gedaagde 1] en [gedagde 2] als overtreder zijn aan te merken, omdat zij de percelen hebben laten gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het bestemmingsplan en voorschriften, en hiertegen niets hebben ondernomen. Ten aanzien van [gedagde 2] heeft zij voorts aangevoerd dat zij op grond van het overtreden van artikel 20 Woningwet (oud) juncto artikel 5.1.1 van de Bouwverordening is aan te merken als overtreder.

[gedaagde 1] heeft primair aangevoerd dat hij in de beslissing van 7 oktober 2003 niet als overtreder is aangemerkt. Hij is destijds slechts aangeschreven als rechthebbende op het perceel. [gedagde 2] heeft ditzelfde aangevoerd ten aanzien van de haar gezonden beslissing van 7 oktober 2003 die ziet op overtreding van het bestemmingsplan (2.18 in voormeld tussenvonnis). [gedaagde 1] en [gedagde 2] hebben subsidiair aangevoerd dat zij niet als overtreders kunnen worden aangemerkt omdat zij niet hebben bijgedragen aan de ongewenste toestand die de aangezegde bestuursdwang beoogde te beëindigen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de [gedaagde 1] en [gedagde 2] toegezonden beslissingen van 7 oktober 2003 die zien op overtreding van het bestemmingsplan (2.17 en 2.18 in voormeld tussenvonnis) volgt dat deze tot hen als overtreder waren gericht, hetgeen voor hen ook duidelijk moet zijn geweest. Hierin wordt immers [gedaagde 1] respectievelijk [gedagde 2] gelast het gebruik van het betreffende perceel in overeenstemming te laten brengen met de bestemming en het huidige gebruik te laten staken. Voorts wordt [gedaagde 1] respectievelijk [gedagde 2] gelast alle op het perceel aanwezige goederen inclusief alle daarop aanwezige bouwwerken te laten verwijderen. Tot slot staat hierin vermeld dat [gedaagde 1] respectievelijk [gedagde 2] tijdig aan het besluit gehoor dient te geven. Voor zover de rechtbank thans, gezien de formele rechtskracht van deze beslissingen, de ruimte heeft om tot een andersluidend oordeel te komen, ziet zij hiertoe geen aanleiding. De Gemeente heeft onbetwist gesteld dat in het bestemmingsplan een verbod op het "laten gebruiken" is opgenomen, zodat ook de eigenaar als overtreder kan worden aangemerkt, nu de geschonden norm zich ook tot hem richt. [gedagde 2] heeft voorts niet betwist dat de haar toegezonden beslissing van 7 oktober 2003 die ziet op overtreding van de Woningwet (2.19 in voormeld tussenvonnis) tot haar als overtreder was gericht.

De vraag of de eigenaar zelf heeft bijgedragen tot de ongewenste toestand die de aangezegde bestuursdwang heeft beoogd te beëindigen, doet ten aanzien van de vraag wie als overtreder kan worden aangemerkt niet ter zake, zodat ook het subsidiair gevoerde verweer [gedaagde 1] en [gedagde 2] niet kan baten.

[gedaagde 1] en [gedagde 2] hebben nog aangevoerd dat de Gemeente hen een nieuwe termijn hadden moeten stellen toen duidelijk werd dat [gedaagde 3] niet aan de aanschrijvingen had voldaan. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [gedaagde 1] en [gedagde 2] zijn rechtstreeks als overtreders aangeschreven en dienden er mitsdien (ook) zelf voor zorg te dragen dat tijdig aan de aanschrijving(en) werd voldaan.

Uit het voorgaande volgt dat de Gemeente de kosten van bestuursdwang op [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] als overtreders kan verhalen. De Gemeente stelt dat deze kosten in totaal € 70.257,69 inclusief BTW hebben bedragen en heeft deze kosten als volgt gespecificeerd:

Ecoloss Project B.V. (bodemsanering) € 22.083,20

Ecoloss Project B.V. (overige kosten) € 31.305,05

Dierenambulance Den Haag € 4.435,88

Dierenkliniek Kralingen € 115,84

R.J.J. van Es Gerechtsdeurwaarders € 579,30

[X] Dierenpension € 11.643,25

[Y] Dierenartsenpraktijk € 95,17

[gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] hebben betwist dat de kosten van de bodemsanering ex artikel 5:25 Awb op hen kunnen worden verhaald. In voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank onder 5.7 overwogen dat naar haar voorlopig oordeel de kosten van de bodemsanering niet rechtstreeks voortvloeiden uit de beslissingen tot toepassing van bestuursdwang, zodat de kosten die hiermee gepaard zijn gegaan niet verhaald kunnen worden. De Gemeente heeft betoogd dat dit voorlopig oordeel onjuist is.

Zij heeft er allereerst op gewezen dat in de beslissing d.d. 7 oktober 2003 die ziet op de milieuvergunning (2.14 in voormeld tussenvonnis) staat vermeld dat de afvalstoffen die zich op en in de bodem bevinden verwijderd en afgevoerd dienen te worden. De rechtbank is echter van oordeel dat op basis hiervan de uiteindelijk uitgevoerde bodemsanering niet verwacht behoefde te worden, nu als voorbeeld van de afvalstoffen worden genoemd hout, ijzer, glas, puin, bouw- en sloopafval. Uit het rapport van Ecoloss Project B.V. (hierna Ecoloss) blijkt dat de bodemsanering noodzakelijk was omdat onder de vloerdelen los, poedervormig, niet hechtgebonden asbesthoudend materiaal werd aangetroffen (productie 25 bij dagvaarding). De rechtbank is van oordeel dat niet hechtgebonden asbest in poedervorm niet kan worden begrepen onder de in de beslissing genoemde afvalstoffen 'puin' en 'bouw- en sloopafval'. Hieronder valt slechts hechtgebonden asbest, zoals bijvoorbeeld (delen van) asbesthoudende (bouw)materialen.

De Gemeente heeft er voorts op gewezen dat in de beslissingen d.d. 7 oktober 2003 die zien op het bestemmingsplan (2.15, 2.17 en 2.18 in voormeld tussenvonnis) wordt gesproken over 'grof vuil'. De rechtbank is van oordeel dat niet hechtgebonden asbest in poedervorm evenmin kan worden begrepen onder de benaming 'grof vuil'.

De Gemeente heeft er tot slot op gewezen dat in de beslissingen d.d. 7 oktober 2003 die zien op de Woningwet (2.16 en 2.19 in voormeld tussenvonnis) gesproken wordt over 'verontreiniging van de percelen'. Nu echter direct daarachter staat vermeld dat dit 'leidt tot het aantrekken van schadelijk of hinderlijk ongedierte' is de rechtbank van oordeel dat ook op grond hiervan niet de uiteindelijk uitgevoerde bodemsanering verwacht behoefde te worden.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van haar voorlopig oordeel zoals in het tussenvonnis onder 5.7 gegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat dit oordeel niet ziet op de verwijdering van de losliggende asbesthoudende materialen, doch slechts op de bodemsanering waarbij over een oppervlak van 250 m2 de asbesthoudende toplaag is verwijderd en aangeboden bij een erkend afvalverwerkend bedrijf. De rechtbank blijft voorts bij haar voorlopig oordeel dat, nu de afbraak van de schuur van 12 x 12 meter het gevolg is geweest van genoemde bodemsanering, de kosten die verband houden met deze afbraak evenmin door de Gemeente krachtens artikel 5:25 Awb verhaald kunnen worden.

De Gemeente heeft in haar conclusie na tussenvonnis ten aanzien van voormelde kosten nog een subsidiaire grondslag aangevoerd, te weten artikel 6:162 BW. Zij heeft hiertoe gesteld dat het handelen dan wel nalaten van [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] jegens de Gemeente onrechtmatig is geweest, aangezien vast staat dat zij de voor hen geldende wettelijke regels en voorschriften met voeten hebben getreden. De Gemeente heeft deze stelling verder niet uitgewerkt. Zij heeft niet gesteld welke regels en voorschriften die specifiek zien op de bodemvervuiling die de sanering noodzakelijk maakte zijn overtreden. De enkele aanwezigheid van asbesthoudend materiaal is niet zo evident onrechtmatig jegens de Gemeente dat de Gemeente kon volstaan met deze stelling.

De rechtbank gaat mitsdien aan de subsidiaire grondslag als zijnde onvoldoende onderbouwd voorbij.

Volgens de hiervoor onder 2.7 opgenomen specificatie van de Gemeente heeft een bedrag ad € 22.083,20 betrekking op de bodemsanering. De rechtbank zal dit bedrag buiten beschouwing laten bij het vaststellen van de hoogte van de kosten die verhaald kunnen worden.

[gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] hebben aangevoerd dat ook de in de specificatie opgenomen overige kosten van Ecoloss deels zien op de bodemsanering en de afbraak van bedoelde schuur. Zij hebben hierbij verwezen naar factuur 04-0153, welke vermeld staat op de door de Gemeente bij haar conclusie na tussenvonnis overgelegde nadere specificatie (productie 33). Voor zover dit verweer ziet op de afvoer van gevaarlijke stoffen uit de opstallen gaat de rechtbank aan dit verweer voorbij. Zoals hiervoor onder 2.8 is overwogen, dienen de kosten van verwijdering van de asbesthoudende materialen wel meegenomen te worden. De rechtbank constateert echter dat de drie facturen die ten grondslag liggen aan het door de Gemeente vermelde bedrag ad € 22.083,20 (04-0110, 04-0337 en 04-0219) slechts zien op de bodemsanering en niet op de afbraak van de schuur. Factuur 04-0153 ziet wel deels op de afbraak van deze schuur, te weten de post 'asbestsanering en sloopwerkzaamheden van de opstallen perceel I en II' ad € 16.062,66. De bewuste schuur stond op het perceel dat in het rapport van Ecoloss wordt aangeduid als perceel I. Uit de specificatie blijkt dat van het bedrag ad

€ 16.962,66 een bedrag ad € 14.938,76 (zijnde € 17.777,12 inclusief BTW) ziet op perceel I. Nu nadere gegevens ontbreken, kan de rechtbank niet anders dan dit laatste bedrag geheel toerekenen aan de afbraak van de schuur van 12 x 12 meter, zodat dit bedrag buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de berekening van de hoogte van de kosten van de uitgeoefende bestuursdwang.

[gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] hebben voorts betwist dat de Gemeente de kosten die betrekking hebben op de van de percelen verwijderde dieren op hen kan verhalen. Zij hebben daartoe gesteld dat in de beslissingen tot toepassing van bestuursdwang niet is vermeld dat deze dieren niet langer op de percelen mochten worden gehouden. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. Indien de beslissingen van 7 oktober 2003 worden bezien, kan niet anders dan geconcludeerd worden dat de Gemeente tot een algehele ontruiming van de percelen zou overgaan. Gezien de hoeveelheid aanwezige dieren en de slechte toestand van een aantal van deze dieren (gezien ook de verklaring van de dierenarts d.d. 27 november 2003 dat "de dieren schandelijk zijn verwaarloosd", productie 26 bij dagvaarding), had het [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] duidelijk moeten zijn dat deze algehele ontruiming zich ook zou uitstrekken tot alle dieren.

Uit het voorgaande volgt dat de totale kosten van de uitgeoefende bestuursdwang als volgt dienen te worden berekend

Ecoloss Project B.V. € 13.527,92

Dierenambulance Den Haag € 4.435,88

Dierenkliniek Kralingen € 115,84

R.J.J. van Es Gerechtsdeurwaarders € 579,30

[X] Dierenpension € 11.643,25

[Y] Dierenartsenpraktijk € 95,17

Zijnde in totaal een bedrag ad € 30.397,36 inclusief BTW.

Dit gehele bedrag kan op [gedaagde 3] verhaald worden, nu hij de feitelijke gebruiker van beide percelen was. De wettelijke rente over dit bedrag is verschuldigd vanaf de dag waarop de bestuursdwang is uitgeoefend, zijnde 19 november 2003.

Zoals in voormeld tussenvonnis onder 5.8 is overwogen zijn [gedaagde 1] en [gedagde 2] slechts die kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang ten aanzien van het perceel waarvan zij eigenaar zijn. Op de door de Gemeente bij haar conclusie na tussenvonnis overgelegde nadere specificatie van de facturen van Ecoloss (productie 33) staan de kosten van Ecoloss per perceel uitgesplitst. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen, dient aan het perceel van [gedaagde 1] een bedrag ad € 2.780,89 exclusief BTW, zijnde een bedrag ad

€ 3.309,26 inclusief BTW, te worden toegerekend en aan het perceel van [gedagde 2] een bedrag ad € 8.587,11 exclusief BTW, zijnde € 10.218,66 inclusief BTW. Nu deze kosten voortvloeien uit overtreding van het bestemmingsplan en [gedaagde 1] en [gedagde 2] het als eigenaar van de percelen in hun macht hadden om de illegale bebouwing te beëindigen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat deze kosten redelijkerwijze niet (geheel) te hunnen laste dienen te komen.

Dit ligt anders ten aanzien van de kosten die verband houden met de verwijderde dieren. De Gemeente heeft betoogd dat deze kosten tevens op [gedagde 2] verhaald kunnen worden, nu deze dieren zich alle bevonden op het haar toebehorende perceel. Nu echter vast staat dat deze dieren niet haar eigendom waren, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten redelijkerwijze niet ten laste van [gedagde 2] behoren te komen. De Gemeente kan deze kosten derhalve niet op haar verhalen.

De kosten van de deurwaarder ad € 579,30 kunnen wel op [gedaagde 1] en [gedagde 2] worden verhaald, nu de Gemeente op goede gronden ook jegens hen bestuursdwang heeft uitgeoefend. [gedaagde 1] en [gedagde 2] zijn ter zake deze kosten samen met [gedaagde 3] hoofdelijk aansprakelijk. Ter zake het overige jegens hen toegewezen bedrag zijn zij niet hoofdelijk met elkaar verbonden, nu deze bedragen op andere kosten zien. Zij zijn ieder ter zake deze kosten wel hoofdelijk met [gedaagde 3] verbonden.

Met betrekking tot de door de Gemeente gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt de rechtbank als volgt. Bij voormeld tussenvonnis is de Gemeente in de gelegenheid gesteld dit onderdeel van haar vordering nader te onderbouwen middels het overleggen van een specificatie. De Gemeente heeft bij haar conclusie na tussenvonnis echter geen specificatie overgelegd. Hierdoor heeft de Gemeente het verweer van [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] dat zij niet daadwerkelijk kosten heeft gemaakt ter zake van verrichtingen die niet onder de proceskostenveroordeling vallen onvoldoende gemotiveerd weersproken. Aan bewijslevering komt de rechtbank mitsdien niet toe. De rechtbank begrijpt de antwoordconclusie van [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] aldus dat zij erkennen dat de Gemeente wel tot een bedrag ad

€ 1.000,- aan buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Dit onderdeel van de vordering ligt derhalve tot dat bedrag voor toewijzing gereed. Nu niet duidelijk is wanneer de Gemeente deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, zal de wettelijke rente over dit bedrag worden toegewezen vanaf de dag der dagvaarding.

[gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag.

[gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 84,87

- griffierecht 3.570,00

- salaris advocaat 2.026,50 (3,5 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 5.681,37

in reconventie

Onder verwijzing naar hetgeen in voormeld tussenvonnis in reconventie is overwogen, zal de reconventionele vordering worden toegewezen als hierna vermeld.

De Gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde 3] worden begroot op een bedrag ad € 579,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 579,00) ter zake het salaris van de advocaat.

De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 3.309,26 (drieduizend driehonderdnegen Euro en zesentwintig Eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf 19 november 2003 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 10.218,66 (tienduizend tweehonderdachttien Euro en zesenzestig Eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf 19 november 2003 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde 3] om naast voormelde bedragen aan de Gemeente te betalen een bedrag van

€ 16.290,14 (zestienduizend tweehonderdnegentig Euro en veertien Eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf 19 november 2003 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] om naast voormelde bedragen hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 1.579,30 (duizend vijfhonderdnegenenzeventig Euro en dertig Eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:199 BW over een bedrag van € 579,30 vanaf 19 november 2003 en over een bedrag van € 1.000,- vanaf 14 augustus 2006 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde 1], [gedagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente tot op heden begroot op € 5.681,37,

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

verklaart voor recht dat de Gemeente niet gerechtigd was de bij [gedaagde 3] in gebruik zijnde schuur van

12 x 12 meter op het perceel van [gedagde 2] (geheel dan wel gedeeltelijk) af te breken, en dat die afbraak derhalve onrechtmatig is jegens de gerechtigden op (het gebruik van) die schuur;

veroordeelt Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 3] tot op heden begroot op € 579,00,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.

204/106