Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8784

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
10/661404-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is binnen de bebouwde kom met een zeer hoge snelheid weggereden nadat hij een stopteken van de politie had gekregen. Hij was onder invloed van alcohol en de weersomstandigheden ter plaatse geboden extra voorzichtigheid. De verdachte is met zijn voertuig op de weghelft voor bestemd voor tegemoetkomend verkeer terecht gekomen. Daar is het voertuig in een slip geraakt en tegen een boom gebotst. Tengevolge hiervan is een inzittende overleden en hebben twee andere inzittenden zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Rijgedrag verdachte is als roekeloos aan te merken. De aanrijding is aan zijn schuld te wijten. Verdachte heeft welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en is daar op zeer lichtzinnige wijze mee omgegaan. Gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op voor de duur van 5 jaar past. Bij de bepaling van de straf is nadrukkelijk meegewogen dat de verdachte al meerdere malen veroordeeld is voor overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte laat zich klaarblijkelijk weinig gelegen liggen aan de verkeersregels.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/67
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/661404-10

Datum uitspraak: 07 juni 2011

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren in 1987,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [ADRES],

raadsman [NAAM RAADSMAN].

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011.

TENLASTELEGGING

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes (6) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf (5) jaar.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 24 december 2010 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto van het merk BMW, type 320), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, welk roekeloos rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard en

- hij, verdachte, kwam uit de richting van de Schiedamsedijk en reed in de richting van de Abraham van Rijckevorselweg/Capelle aan den IJssel en

- de ter plaatse maximaal toegestane snelheid voor motorrijtuigen 50 kilometer per uur bedroeg en

- de duisternis was ingevallen en/ de buitentemperatuur toen en daar rondom of nabij het vriespunt was,

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en

- hij, verdachte door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voordurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) dat motorrijtuig is gaan besturen en is blijven besturen en nadat hem, verdachte, door de politie (op de Schiedamsedijk) een stopteken was gegeven – door middel van een politietransparant met de tekst “STOP POLITIE” in combinatie met lichtsignalen - zijn snelheid juist heeft verhoogd en met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan heeft gereden, waarbij hij op enig moment op de Maasboulevard met een gelet op bovengenoemde weersomstandigheid in combinatie met duisternis veel te hoge snelheid heeft gereden en vervolgens op die Maasboulevard een doorgetrokken streep heeft overschreden en tegen het verkeer is ingereden (zogenaamd “spookrijden”) en vervolgens tegen een boom op de middenberm van die Maasboulevard is gebotst of aangereden;

als gevolg waarvan de inzittenden in het door verdachte bestuurde motorrijtuig het volgende is overkomen:

- [BENADEELDE 1] werd gedood;

- [BENADEELDE 2] werd zwaar lichamelijk letsel (te weten inwendige bloedingen en een bekkenbreuk) toegebracht;

- [BENADEELDE 3] werd zwaar lichamelijk letsel (te weten een gescheurde blaas, een beenbreuk, (sterk) afgenomen werkingen van diens (enige) nier en inwendige bloedingen) toegebracht;

2.

hij op 24 december 2010 te Rotterdam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Deze bewijsmiddelen en de redengevende inhoud van deze bewijsmiddelen zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is uitgegaan van het volgende.

Verdachte heeft op 24 december 2010 omstreeks 5.17 uur als bestuurder van een personenauto merk BMW type 320 na een achtervolging gereden op de Maasboulevard te Rotterdam, gaande in de richting van Capelle aan den IJssel en is kort voor het kruispunt met de Honingerdijk op de verkeerde weghelft terecht gekomen en vervolgens zijdelings schuivend in de middenberm tegen een boom gebotst. Drie inzittenden van de BMW hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Één van de inzittenden is enkele dagen later ten gevolge van het bij het ongeval opgelopen letsel in het ziekenhuis overleden.

Verdachte heeft bij het ongeval eveneens letsel opgelopen. Verdachte kan zich van het ongeval en de periode kort daarvoor en daarna (totdat hij uit het ziekenhuis werd ontslagen) niets meer herinneren.

Alcohol

Bij verdachte is op 24 december 2010 om 08.42 uur bloed afgenomen. Uit analyse hiervan bleek dat verdachte 0,98 milligram ethanol per milliliter in zijn bloed had. De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte, die beginnend bestuurder is, meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed had. Daarbij wordt opgemerkt dat de bloedafname circa 3,5 uur na het ongeval heeft plaatsgevonden, zodat het promillage alcohol in het bloed ten tijde van het ongeval hoger zal zijn geweest, aangezien alcohol in het bloed door het lichaam wordt afgebroken.

Snelheid

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat op de route Schiedamsedijk, via de Boompjes en de Maasboulevard de snelheid van het politievoertuig, waarmee verdachte werd achtervolgd, tussen de 95 en 125 km/uur bedroeg en dat verdachte desondanks reeds op de Boompjes uit het zicht van de verbalisanten in de achtervolgende politieauto was geraakt. Verdachte is op de Maasboulevard nimmer weer in het zicht is geraakt, terwijl uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat op het moment dat het politievoertuig de achtervolging op de Maasboulevard staakte, de snelheid van het voertuig ongeveer 129 km/uur bedroeg. Hoe hard de verdachte aldaar precies heeft gereden kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld. De verkeersongevallenanalyse vermeldt in dit verband ook dat door het ontbreken van relevante sporen en de aanwezige sneeuw in de middenberm op de plaats van het ongeval, het niet mogelijk was om een snelheidsberekening uit te voeren. De door de politieauto afgelegde afstand en de tijdsspanne tussen het staken van de achtervolging en het aantreffen van de verongelukte auto door de verbalisanten is zeer kort. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat het politievoertuig 505 meter na het moment van het staken van de achtervolging op de plaats van het ongeval kwam. Mede gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen is het geenszins aannemelijk dat de verdachte zoals zijn raadsman heeft gesteld, snelheid heeft verminderd. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte krachtig geremd zou hebben. Bovendien heeft een inzittende verklaard dat de verdachte alleen maar harder is gaan rijden en niet reageerde toen hij hem zei rustiger te gaan rijden en te stoppen voor de politie. Uit het voorgaande volgt dat de BMW van verdachte op de Maasboulevard de maximumsnelheid van 50 km/uur in zeer aanzienlijke mate heeft overschreden, waarbij niet is uit te sluiten dat pieksnelheden van (ver) boven de 160 km/uur zijn behaald.

Spookrijden

Uit schuifsporen in de sneeuw op de groenstrook, welke aanvingen vanaf de noordelijke rijbaan aan de rand van de verhoogde middenberm, is af te leiden dat de BMW tegen de op de noordelijke rijbaan geldende rijrichting heeft gereden. Aannemelijk is dat de BMW ter hoogte van het Shell station aan de Maasboulevard (door een doorgetrokken streep te overschrijden) op deze rijbaan is terechtgekomen, omdat de Maasboulevard daar niet is voorzien van een betonnen verhoogde rand tussen de noordelijke en zuidelijke rijbaan.

Rijbewijs

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft bij besluit d.d. 19 november 2010 het rijbewijs van verdachte ongeldig verklaard, omdat verdachte de kosten voor het onderzoek naar de geschiktheid ex artikel 132 WVW94 niet tijdig heeft voldaan. Dit besluit is per brief van gelijke datum aangetekend en per gewone post aan verdachte verzonden. De aangetekende brief is retour gekomen met de mededeling niet afgehaald en de niet-aangetekend verzonden brief is niet retour gekomen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bedoelde brief niet heeft ontvangen. Anderzijds heeft hij ook verklaard dat hij een brommerrijbewijs zou kunnen aanvragen, hetgeen er op duidt dat hij kennis had genomen van de inhoud van de brieven van het CBR. De rechtbank ziet in de laatste verklaring aanleiding om aan te nemen dat verdachte wel degelijk wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en dat hij aldus bewust heeft gereden zonder geldig rijbewijs.

Beoordeling rijgedrag

De rechtbank concludeert, op basis van verdachtes rijgedrag kort voor het ongeval, de gemaakte verkeersfouten, het aangetroffen promillage alcohol in het bloed van verdachte, dat verdachte dusdanig heeft gereden dat het aan zijn schuld, die bestaat uit roekeloosheid, is te wijten dat een verkeersongeval is veroorzaakt, waardoor een slachtoffer werd gedood en twee anderen zwaar lichamelijk letsel opliepen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank verwijst voor de nadere bewijsmotivering naar hetgeen hiervoor is opgemerkt

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet, en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden

en

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid, en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet, en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, meermalen gepleegd;

2.

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder het de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft door roekeloos rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt waardoor een persoon is komen te overlijden en twee anderen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Door binnen de bebouwde kom met zeer hoge snelheid onder invloed van alcohol te rijden, heeft de verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s genomen en is daar op zeer lichtzinnige wijze mee omgegaan. De manier waarop deze risico’s zich verwezenlijkt hebben, heeft een langdurige en diepe impact op de slachtoffers en op de nabestaanden.

Door zo te handelen heeft de verdachte niet alleen het onheil over zichzelf en de inzittenden van zijn motorrijtuig afgeroepen, maar ook in aanzienlijke mate de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Tevens heeft de verdachte zich niet gehouden aan besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 19 november 2010 waarbij zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, door desondanks onder die omstandigheden een personenauto te besturen. Hij heeft hierbij zijn eigen belang laten prevaleren boven het algemeen belang van de verkeersveiligheid.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2010 meermalen is veroordeeld voor verkeersdelicten, waaronder dronken rijden. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte kennelijk niet weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast is verdachte in relatief korte tijd veelvuldig op andere wijze met justitie in aanraking gekomen vanwege verkeersovertredingen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte zich zeer weinig gelegen laat liggen aan de verkeersregels en zich blijkbaar weinig bekommert om de verkeersveiligheid die met naleving van de regels gediend is.

Verdachte heeft geweigerd zich psychologisch en psychiatrisch te laten onderzoeken. Hiermee (ook) aan zichzelf de mogelijkheid ontnemend om (enig) inzicht te verkrijgen in eventuele oorzaken die aan zijn terugkerende onverantwoordelijke gedrag in het verkeer ten grondslag zouden kunnen liggen. De rechtbank betreurt dit omdat dit onderzoek had kunnen leiden tot een plan van aanpak gericht op vermindering van de kans op herhaling.

Wel heeft Reclassering Nederland gerapporteerd over verdachte. In dit rapport wordt een deels voorwaardelijke straf geadviseerd, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en dat hij zich zal laten behandelen voor zijn alcoholgebruik. De rechtbank ziet in dit advies aanleiding een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk op te leggen, onder de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd en komt daarbij tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist. Naast de zeer ernstige gevolgen van rijgedrag van de verdachte, heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld dat de verdachte niets heeft geleerd van zijn eerdere veroordelingen.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJEN

Als benadeelde partijen hebben zich in het geding gevoegd:

- [NABESTAANDE 1 VAN BENADEELDE 1],wonende te Delft, terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.243,--;

- [NABESTAANDE 2 VAN BENADEELDE 1], wonende te Delft, terzake van feit 1. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 93,10.

Aan de benadeelde partijen is als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit schade toegebracht. Nu de verdachte op de zitting aansprakelijkheid voor de schade heeft erkend en de hoogte van de vorderingen niet door de verdachte wordt betwist, zullen de vorderingen worden toegewezen.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 6, 8, 9, 175, 177, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 42 (tweeënveertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of nalaat een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarde: dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, hetgeen inhoudt dat de verdachte zich zo vaak en zo lang als de instelling dat noodzakelijk acht meldt, terwijl de aanwijzingen ook kunnen inhouden behandeling van de alcoholproblematiek van de veroordeelde bij Bouman GGZ of een soortgelijke instelling;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarde;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 5 (vijf) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [NABESTAANDE 1 VAN BENADEELDE 1] ter zake feit 1 toe tot een bedrag van € 2.243,-- en veroordeelt de verdachte dit bedrag aan [NABESTAANDE 1 VAN BENADEELDE 1], wonende te Delft, tegen kwijting te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de benadeelde partij deze kosten verschuldigd is tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij [NABESTAANDE 2 VAN BENADEELDE 1]ter zake feit 1 toe tot een bedrag van € 93,10 en veroordeelt de verdachte dit bedrag aan [NABESTAANDE 2 VAN BENADEELDE 1] wonende te Delft, tegen kwijting te betalen;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de [NABESTAANDE 1 VAN BENADEELDE 1] voornoemd te betalen € 2.243,-- (zegge: tweeduizendtweehonderddrieenveertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tweeendertig (32) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de [NABESTAANDE 2 VAN BENADEELDE 1] voornoemd te betalen € 93,10 (zegge: drieënnegentig euro en tien eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van een (1) dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Peeck, voorzitter,

en mrs. van den Bos en Stalenberg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Schols, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juni 2011.

Bijlage I bij vonnis van 07 juni 2011 :

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 24 december 2010 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto van het merk BMW, type 320), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, welk roekeloos, onvoorzichtig, onoplettend, onachtzaam en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

- het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard en/of

- hij, verdachte, kwam uit de richting van de Schiedamsedijk en reed in de richting van de Abraham van Rijckevorselweg/Capelle aan den IJssel en/of

- de ter plaatse maximaal toegestane snelheid voor motorrijtuigen 50 kilometer per uur bedroeg en/of

- de duisternis was ingevallen en/of de weg besneeuwd was en/of het ijzelde, althans de buitentemperatuur toen en daar rondom of nabij het vriespunt was,

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

- hij, verdachte (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voordurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

ondanks voornoemde toestand (als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994) dat motorrijtuig is gaan besturen en is blijven besturen en/of nadat hem, verdachte, door de politie (op de Schiedamsedijk) een stopteken was gegeven – door middel van een politietransparant met de tekst “STOP POLITIE” in combinatie met lichtsignalen - zijn snelheid (juist) heeft verhoogd en/of met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan heeft gereden, waarbij op enig moment op de Maasboulevard een snelheid van ten minste 160 km/uur werd gehaald en/of (bovendien) met een gelet op bovengenoemde weersomstandigheid in combinatie met duisternis veel te hoge snelheid heeft gereden en/of (vervolgens) op die Maasboulevard een doorgetrokken streep heeft overschreden en tegen het verkeer is ingereden (zogenaamd “spookrijden”) en/of (vervolgens) tegen een boom op de middenberm van die Maasboulevard is gebotst of aangereden;

als gevolg waarvan de inzittenden in het door verdachte bestuurde motorrijtuig:

- [BENADEELDE 1] werd gedood;

- [BENADEELDE 2] zwaar lichamelijk letsel (te weten inwendige bloedingen en/of een bekkenbreuk) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

- [BENADEELDE 3] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gescheurde blaas, een beenbreuk, (sterk) afgenomen werkingen van diens (enige) nier en inwendige bloedingen) of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(artikelen 6 en 8 jo. 175 jo. 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 december 2010 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto van het merk BMW, type 320), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

- hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, en/of

- hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

nadat hem, verdachte, door de politie (op de Schiedamsedijk) een stopteken was gegeven – door middel van een politietransparant met de tekst “STOP POLITIE” in combinatie met lichtsignalen – zijn snelheid (juist) heeft verhoogd en/of met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan heeft gereden, waarbij op enig moment op de Maasboulevard een snelheid van ten minste 160 km/uur werd gehaald en/of (bovendien) met een gelet op bovengenoemde weersomstandigheid in combinatie met duisternis veel te hoge snelheid heeft gereden en/of (vervolgens) op die Maasboulevard een doorgetrokken streep heeft overschreden en tegen het verkeer is ingereden (zogenaamd “spookrijden”) en/of (vervolgens) tegen een boom op de middenberm van die Maasboulevard is gebotst of aangereden;

(artikel 5 juncto 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

2.

hij op of omstreeks 24 december 2010 te Rotterdam.terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Maasboulevard, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd;

(artikel 9, lid 2, jo artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Bijlage II bij het vonnis van 07 juni 2011:

BEWIJSMIDDELEN:

De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven:

Ten aanzien van feit 1:

1.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-2, d.d. 24 december 2010:

Ter controle van de naleving van de WVW gaven wij, verbalisanten, de bestuurder van de personenauto (BMW) met het kenteken [kentekennummer] een teken tot stoppen. De bestuurder voldeed daar niet aan en reed richting het Vasteland. Onze snelheidsmeter gaf ongeveer 80 km/u aan. De bestuurder reed de Boompjes op en negeerde hierbij een rood verkeerslicht. De bestuurder richting de Maasboulevard reed en zijn snelheid verhoogde. Onze snelheidsmeter gaf ongeveer 150 km/u aan. Hierop verloren wij zicht op de bestuurder. Gezien zijn snelheid en de weersgesteldheid besloten wij dat het niet meer verantwoord was om de achtervolging voort te zetten. Toen wij bij de kruising Maasboulevard/Honingerdijk aankwamen zagen wij dat voornoemde BMW met zijn linkerzijde tegen een boom aldaar was geknald.

2.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-18, d.d. 26 december 2010, betreffende de geluidsopnames van het contact tussen de verbalisanten die op 24 december 2010 de BMW met het kenteken [kentekennummer] achtervolgden en de meldkamer van de politie Rotterdam Rijnmond:

MK: kenteken [kentekennummer] is BMW uit Den Haag

RM0502: die gozer rijdt als een malloot. 160 op de teller.

RM0502: hij rijdt nu 200 bijna.

RM0502: tegen een boom, Maasboulevard net voorbij het Shell station.

RM0502: zwaargewonden

3.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-28, d.d. 29 december 2010 van verhoor van de verdachte:

Ik weet dat ik bij een aanrijding betrokken ben geweest en dat ik een behoorlijke smakker heb gemaakt. Ik weet dat ik in de auto ben gestapt en onder invloed van alcohol een aanrijding heb veroorzaakt.

4.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-17, d.d. 25 december 2010 van verhoor van getuige:

Toen we naar huis gingen vroeg [VERDACHTE] aan mij zijn autosleutel. Hij wilde kennelijk rijden. Ik heb toen de auto gehaald maar [VERDACHTE] wilde per se rijden. Omdat hij zo aandrong, heb ik hem laten rijden. Het is immers zijn auto. Verder stapten er nog drie jongens in de auto. We zaten dus met vijf man in de auto. [VERDACHTE] reed in het begin wel fatsoenlijk. Op een gegeven moment reden we op een recht stuk en daar trapte hij het gas behoorlijk in. Ik heb toen nog meerdere keren tegen hem gezegd dat hij rustig moest gaan rijden. Er kwam een politiebus achter ons rijden. Deze deed zijn stopbord aan. Toen is [VERDACHTE] wel tegen de 100 km/u gaan rijden. Ik hoorde de sirene en zag de zwaailichten. Ik heb [VERDACHTE] meerdere malen duidelijk gemaakt dat hij moest stoppen voor de politie. Ik zei dat al toen ik het stopbord van de politieauto zag. Ik heb [VERDACHTE] toen ook niks meer horen zeggen. Hij was denk ik alleen maar bezig met de politie zoek te rijden.

5.

Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 december 2010:

In het bloed van [VERDACHTE] werd 0,98 milligram ethanol per milliliter bloed aangetroffen.

6.

Een ambtsedig proces-verbaal van de verkeersongevallendienst van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-4, d.d. 29 december 2010:

Toedracht/Eindhypothese: bestuurder BMW is op de Maasboulevard, vermoedelijk ter hoogte van het Shell station, op de noordelijke rijbaan van de Maasboulevard gaan rijden, zijnde de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer. De bestuurder van de BMW is op de noordelijke rijbaan de controle over zijn voertuig verloren en is zijdelings op de verhoogde grasberm gegleden. De BMW is met de linkerzijde, ter hoogte van het achterportier tegen een boom in de middenberm gebotst.

7.

Een ambtedig proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-39, d.d. 01 januari 2011:

[BENADEELDE 1] is op vrijdag 24 december 2010 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de Maasboulevard te Rotterdam. Hij heeft bij dit ongeval meerdere in- en uitwendige verwondingen opgelopen, waaronder diverse botbreuken aan de benen. Hij is vervolgens opgenomen in het Maasstad ziekenhuis, locatie Zuider, te Rotterdam waar hij op zaterdag 1 januari 2011 omstreeks 17.50 uur is overleden.

Conclusie patholoog NFI: [BENADEELDE 1] is 24 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verwikkelingen na hoog energetisch trauma.

8.

FARR verklaring d.d. 22 maart 2011 inzake letsel [BENADEELDE 3]:

Gebroken rib, gescheurde blaas, gebroken bovenbeen met los fragment, operatie aan blaas, metalen pen in bovenbeen. Genezingsduur van maanden.

9.

Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam Rijnmond, nummer 2010410907-14, d.d. 24 december 2010, van verhoor [BENADEELDE 2]:

Ik heb mijn bekken gebroken en een flinke hersenschudding. Ook heb ik een inwendige bloeding gehad.

Ten aanzien van feit 2:

1.

Een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 30 december 2010:

Ik wist niet dat mijn rijbewijs al ongeldig was, wel dat ik het moest inleveren en dat ik dat een bromfietscertificaat zou krijgen. Ik had het rijbewijs nog niet ingeleverd.

2.

Een geschrift, te weten een brief van het CBR gericht aan [VERDACHTE] d.d. 19 november 2010:

Wij hebben uw rijbewijs ongeldig verklaard. Dat betekent dat uw rijbewijs ongeldig is vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.

3.

Een geschrift, te weten een brief van het CBR gericht aan het parket van de officier van justitie te Rotterdam d.d. 28 december 2010:

De onaangetekende brief gericht aan [VERDACHTE] (inzake het besluit ongeldigverklaring van het rijbewijs), is niet retour gekomen.