Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8299

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
372358 / HA ZA 11-379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Reikwijdte en separabiliteit arbitraal beding. Art. 1053 Rv. Redelijkheid en billijkheid.

Bij dagvaarding hebben Cui c.s. zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zij subsidiair ontbinding van de vof vorderen op grond van artikrl 7A:1684 BW. Primair vorderen Cui c.s. immers vernietiging van overeenkomst II ogv dwaling en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden en daarnaast hebben zij ook vorderingen ingesteld voor het geval overeenkomst II niet wordt vernietigd of ontbonden. Ten aanzien van die vorderingen is arbitrage overeengekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 1053 Rv doet daaraan niet af dat de vordering tot vernietiging – als zij slaagt – ertoe leidt dat overeenkomst II niet langer bestaat. Vanwege de wijze waarop Cui c.s. de vordering hebben ingekleed, komt de vraag naar de vernietigbaarheid van overeenkomst II logischerwijs het eerste aan de orde. De rechtbank behoort zich daarom onbevoegd te verklaren. Het is te zijner tijd aan de arbiter een oordeel te geven over zijn bevoegdheid ten aanzien van de subsidiaire vordering gebaseerd op artikel 7A:1684 BW, zo hij aan die vordering toekomt. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat een deel van de vorderingen van Cui c.s. betrekking heeft op overeenkomst I en dat de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van die vorderingen niet ter discussie staat. Uit de stellingen bij dagvaarding moet worden afgeleid dat de vorderingen uit hoofde van beide overeenkomsten zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Dat is echter op zichzelf onvoldoende om het arbitragebeding te passeren en de rechtbank ten aanzien van het geheel bevoegd te achten. Daarvoor zou alleen grond zijn als het beroep op (gedeeltelijke) onbevoegdheid van de rechtbank in de gegeven omstandigheden geacht moet worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te zijn. Het lag op de weg van Cui c.s. daartoe (desgewenst) de nodige feiten te stellen. Dat hebben zij niet gedaan. Van onaanvaardbaarheid in de hier bedoelde zin is dus niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 372358 / HA ZA 11-379

Vonnis in incident van 1 juni 2011

in de zaak van

1. [eiser 1]

2. [eiser 2],

beiden wonende te Rotterdam,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in reconventie,

verweerders in het incident,

advocaat mr. P.F.Y. Yuen,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden wonende te Rotterdam,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in reconventie.

eisers in het incident,

advocaat mr. Ch.M. van Beuningen.

Partijen zullen hierna [[eiser 1]ers]. en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 7 januari 2011 en de door [[eiser 1]ers]. in het geding gebrachte producties;

- de akte overlegging producties tevens wijziging van eis (hierna: de akte);

- de akte houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens conclusies van antwoord in conventie en eis in reconventie;

- het antwoord in incident.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in de hoofdzaak

in conventie

2.1. [[eiser 1]ers]. vorderen – verkort weergegeven – voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. te vernietigen, voor zover nodig, de koopovereenkomst d.d. 19 oktober 2010 (hierna: overeenkomst I);

2[gedaagde 1]gden] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [[eiser 1]ers]. te voldoen een bedrag van € 44.000,-- te vermeerderen met rente;

3. te vernietigen, danwel te ontbinden, voor zover nodig, de vof-overeenkomst (hierna: overeenkomst II);

4. [gedaagde 1] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser 1] te voldoen zijn investering in de vof ter waarde van een bedrag van € 53.250,-- te vermeerderen met rente;

5. subsidiair, indien de overeenkomst niet wordt vernietigd of ontbonden, [gedaagde 1] te bevelen om:

- binnen 5 dagen na betekening van het vonnis de gehele administratie van de voormalige vof aan [eiser 1] te verstrekken;

- binnen 5 dagen na betekening van het vonnis over te gaan verrekening en verdeling van de ontbonden vof op basis van overeenkomst II;

- een en ander onder een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor iedere dag dat [gedaagde 1] hiermee in gebreke blijft;

- te bepalen dat artikel 14 van overeenkomst II niet van toepassing is.

6. Voor zover artikel 14 van overeenkomst II van toepassing zou zijn, te bepalen dat ten behoeve van [eiser 1] een tweede hypotheek wordt gevestigd op de woning va[gedaagde 1]gden] voor de duur dat [eiser 1] niet geheel zou zijn terugbetaald en te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de notariële akte;

7[gedaagde 1]gden] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de beslagkosten.

[[eiser 1]ers]. stellen dat overeenkomst I vernietigd dient te worden op grond van dwaling, bedrog danwel misbruik van omstandigheden. De sub 2 genoemde vordering hangt hiermee samen. Daarnaast dient overeenkomst II op grond van dwaling, bedrog en/of misbruik van omstandigheden te worden vernietigd dan wel op grond van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 7A:1684 BW te worden ontbonden. De vorderingen, zoals genoemd sub 4 tot en met 6 hangen met deze vordering samen.

2.2[gedaagde 1]gden] hebben tot afwijzing van de vordering geconcludeerd.

in reconventie

2.3. [gedaagden] vorderen – verkort weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [[eiser 1]ers]. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de in overeenkomst I genoemde boete van € 24.500,--, vermeerderd met rente en kosten.

2.4. [[eiser 1]ers]. hebben nog geen conclusie van antwoord in reconventie genomen.

3. Het geschil in incident

3.1. De vordering va[gedaagde 1]gden] luidt, verkort weergegeven, dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren ten aanzien van de vorderingen zoals genoemd onder 3 tot en met 7 van de dagvaarding.

Zij hebben hier – zakelijk weergegeven – het volgende aan ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 16 van overeenkomst II, worden geschillen die voorvloeien uit de overeenkomst of nadere overeenkomsten die hiervan het gevolg zijn of hiermee samenhangen bij uitsluiting beslecht door drie arbiters. In lid 4 van het voornoemde artikel worden enkele uitzonderingen genoemd, waaronder ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW. Hiervan is in ieder geval geen sprake, nu [[eiser 1]ers]. beweren destijds te hebben gedwaald. De rechtbank dient zich, op grond van artikel 1022 Rv, onbevoegd te verklaren om van de vorderingen van [[eiser 1]ers]. (in conventie) zoals genoemd sub 3 tot en met 7 kennis te nemen.

3.2. [[eiser 1]ers]. hebben geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering.

Zij hebben daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Artikel 16 lid 4 van overeenkomst II bepaalt dat de burgerlijke rechter bevoegd is om over de vanwaardeverklaring en verklaringsprocedures welke voortvloeien uit conservatoire beslagen te oordelen. Hiermee hebben partijen bedoeld om de burgerlijke rechter over conservatoire beslagen te laten oordelen. Nu [[eiser 1]ers]. in het onderhavige geval conservatoir beslag hebben laten leggen ter zekerheid van hun verhaal op grond van overeenkomst II, is de burgerlijke rechter bevoegd om van dit geschil kennis te nemen. Daarnaast is de burgerlijke rechter op grond van artikel 16 lid 4 van overeenkomst II bevoegd om van het geschil kennis te nemen indien het een vordering tot ontbinding van de vennootschap op grond van een wettige reden als bedoeld in artikel 7A:1684 BW betreft. De dwaling, bedrog dan wel misbruik van omstandigheden vormen de dringende reden van de ontbinding.

4. De beoordeling in het incident

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat zij zijn gaan samenwerken als vennoten in de vennootschap onder firma 4 U Tours. In overeenkomst II hebben zij de voorwaarden waaronder zij de vennootschap onder firma zijn aangegaan vastgelegd. Artikel 16 van deze overeenkomst luidt – voor zover relevant – als volgt:

“Artikel 16 Arbitrage

1. Alle geschillen die voortvloeien uit onderhavige overeenkomst of nadere overeenkomsten die hiervan het gevolg zijn of hiermede samenhangen zullen bij uitsluiting worden beslecht door drie arbiters te benoemen door de voorzitter der Kamer van Koophandel te Rotterdam.

2. Een geschil wordt geacht aanwezig te zijn zodra een van de partijen zulks verklaart.

3. De arbiters stellen zelf de procesorde vast.

4. De bepalingen in de voorgaande leden brengen geen wijziging in de bevoegdheid van partijen om de President van de Rechtbank te verzoeken om in kort geding een voorlopige voorziening bij voorraad te geven, in de toepasselijkheid van de daartegen openstaande rechtsmiddelen, in de bevoegdheid van de President van de Rechtbank om verlof te verlenen tot het leggen van conservatoire beslagen en in de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om voor de vanwaardeverklaring en verklaringsprocedure uit deze beslagen voortvloeiende, te oordelen alsmede over vorderingen tot ontbinding van de vennootschap op grond van een wettige reden als bedoeld in artikel 7A:1684 Burgerlijk Wetboek.

(…)”

4.2. Gelet op dit beding moet worden vastgesteld dat partijen met betrekking tot geschillen voortvloeiend uit overeenkomst II in beginsel arbitrage zijn overeengekomen. Lid 4 van artikel 16 maakt hierop voor een aantal gevallen een uitzondering, onder meer voor zover het gaat om procedures tot vanwaardeverklaring van gelegde conservatoire beslagen en vorderingen tot ontbinding van de vof op grond van artikel 7A:1684 BW. Volgens [[eiser 1]ers]. zijn beide uitzonderingen hier aan de orde. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

4.3. Volgens artikel 16 van overeenkomst II blijft de rechtbank bevoegd te oordelen over vorderingen tot vanwaardeverklaring van gelegde conservatoire beslagen en over verklaringsvorderingen die uit die beslagen voortvloeien. Niet ter discussie staat dat het in deze procedure niet gaat om een vordering tot vanwaardeverklaring noch om een verklaringsprocedure. [[eiser 1]ers]. hebben echter aangevoerd dat, nu zij ter zekerstelling van hun vorderingen op grond van overeenkomst II beslag hebben doen leggen, de rechtbank dus bevoegd is. Dit betoog komt er in feite op neer dat de rechter bevoegd zou blijven in alle gevallen waarin conservatoir beslag is gelegd. In het licht van de tekst van artikel 16, die de bevoegdheid van de rechter in weerwil van het arbitragebeding voor zover hier van belang nadrukkelijk beperkt tot bepaalde bijzondere procedures in verband met gelegde beslagen, ligt deze door [[eiser 1]ers]. bepleite uitleg niet voor de hand. Zij hebben bovendien geen feitelijke omstandigheden aangevoerd die zouden meebrengen dat deze uitleg niettemin door partijen is beoogd. Het hier bedoelde standpunt van [[eiser 1]ers]. wordt daarom verworpen.

4.4. Bij dagvaarding (onder 23) hebben [[eiser 1]ers]. zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zij (subsidiair) ontbinding van de vof vorderen op grond van artikel 7A:1684 BW. Daarmee is in beginsel gegeven dat de rechtbank in elk geval ten aanzien van dit deel van de vordering bevoegd is. Dat mogelijk geen sprake is van een gewichtige reden voor ontbinding op grond van artikel 7A:1684 BW, zoals [gedaagden] hebben betoogd, doet aan de grondslag van de vordering en dus aan de (in beginsel gegeven) bevoegdheid van de rechtbank niet af.

4.5. De vordering op grond van artikel 7A:1684 BW is echter nadrukkelijk subsidiair ingesteld. Primair vorderen [[eiser 1]ers]. immers vernietiging van overeenkomst II en daarnaast hebben zij ook vorderingen ingesteld voor het geval overeenkomst II niet wordt vernietigd of ontbonden. Ten aanzien van die vorderingen is arbitrage overeengekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 1053 Rv doet daaraan niet af dat de vordering tot vernietiging – als zij slaagt – ertoe leidt dat overeenkomst II niet langer bestaat. Vanwege de wijze waarop [[eiser 1]ers]. de vordering hebben ingekleed, komt de vraag naar de vernietigbaarheid van overeenkomst II logischerwijs het eerste aan de orde. De rechtbank behoort zich daarom onbevoegd te verklaren. Het is te zijner tijd aan de arbiter een oordeel te geven over zijn bevoegdheid ten aanzien van de subsidiaire vordering gebaseerd op artikel 7A:1684 BW, zo hij aan die vordering toekomt.

4.6. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat een deel van de vorderingen van [[eiser 1]ers]. betrekking heeft op overeenkomst I en dat de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van die vorderingen niet ter discussie staat. Uit de stellingen bij dagvaarding moet worden afgeleid dat de vorderingen uit hoofde van beide overeenkomsten zijn gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Dat is echter op zichzelf onvoldoende om het arbitragebeding te passeren en de rechtbank ten aanzien van het geheel bevoegd te achten. Daarvoor zou alleen grond zijn als het beroep op (gedeeltelijke) onbevoegdheid van de rechtbank in de gegeven omstandigheden geacht moet worden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te zijn. Het lag op de weg van [[eiser 1]ers]. daartoe (desgewenst) de nodige feiten te stellen. Dat hebben zij niet gedaan. Van onaanvaardbaarheid in de hier bedoelde zin is dus niet gebleken.

4.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de incidentele vordering zal worden toegewezen (behoudens voor zover zij betrekking heeft op vordering 7, de gevorderde proceskostenveroordeling). Dit heeft tot gevolg dat de hoofdzaak zal worden voortgezet voor zover het gaat om de vorderingen voortvloeiend uit overeenkomst I.

4.8. [[eiser 1]ers]. zullen, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van dit incident.

4.9. In de hoofdzaak zal de zaak voor wat betreft de vorderingen in conventie onder 1, 2 en 7 en voor wat betreft de vordering in reconventie worden aangehouden voor beraad in de zin van artikel 131 Rv.

5. De beslissing

De rechtbank,

in het incident

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak in conventie, weergegeven onder 3 tot en met 6 van 2.1 van dit vonnis;

veroordeelt [[eiser 1]ers]. hoofdelijk in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagden] begroot op € 452,= voor advocaatsalaris;

wijst de incidentele vordering voor het overige af;

in de hoofdzaak

houdt iedere beslissing aan voor beraad in de zin van artikel 131 Rv.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.?

2057/1980/1729