Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8205

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
142843 / HA ZA 00-1804
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Adviseur dient eigen belang. Strijd met de goede zeden. Nietigheid samenhangende overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 142843 / HA ZA 00-1804

Vonnis van 25 mei 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.A.S. Boersen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

3. [gedaagde sub 3],

4. [gedaagde sub 4],

5. [gedaagde sub 5],

6. [gedaagde sub 6],

7. [gedaagde sub 7],

8. [gedaagde sub 8],

9. [gedaagde sub 9],

alle wonende/gevestigd te [woonplaats 2],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. B.E.J.M. Tomlow.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Afzonderlijk zal gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] genoemd worden en zullen de overige gedaagden bij hun naam, zonder vermelding van de rechtsvorm, genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 21 juli 2000;

- de conclusie van eis;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie tevens van antwoord in reconventie;

- de akte overlegging productie van [eiser];

- de conclusie van dupliek in conventie tevens van repliek in reconventie, tevens akte houdende wijziging van eis, tevens conclusie van eis in het incident strekkende tot het verkrijgen van een provisionele veroordeling, van [gedaagden];

- de conclusie van antwoord in het incident;

- de akte strekkende tot intrekking van de provisionele vordering van [gedaagden];

- de antwoordakte in het incident;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- de nadere conclusie zowel in conventie als in reconventie tevens akte houdende wijziging van eis van [eiser];

- de nadere antwoord conclusie;

- de akte overlegging producties bij pleidooi van [eiser];

- de pleitnota van mr. drs. E.C.M. Wagemakers aan de zijde van [eiser];

- de pleitnota van mr. Tomlow.

1.2. Bij voornoemde processtukken zijn tevens de daarin genoemde producties overgelegd. Voorts zijn de stukken overgelegd ter zake van de door [eiser] ten laste van [gedaagden] gelegde conservatoire beslagen.

1.3. Gelijktijdig met dit vonnis zal vonnis worden gewezen in de zaak met zaak-/ rolnummer: 147820 / HA ZA 00-2521 tussen [bedrijf 2] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [gedaagden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. In beide zaken is op 17 maart 2011 gelijktijdig gepleit, waarna in beide zaken vonnis is bepaald.

1.4. Op verzoek van [eiser] heeft in de periode 2001 tot 2010 een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden. Alle partijen zijn bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest. De afgelegde verklaringen hebben derhalve dezelfde bewijskracht als die, welke op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd. De van het voorlopig getuigenverhoor opgemaakte processen-verbaal zijn in deze procedure overgelegd. In de loop van de tijd zijn getuigen gehoord door verschillende rechters-commissarissen. Van die rechters-commissarissen maakt mr. C. Bouwman deel uit van de meervoudige kamer die dit vonnis wijst. De overige rechters-commissarissen kunnen niet aan de totstandkoming van dit vonnis meewerken, nu zij niet meer werkzaam zijn in de sector civiel recht van deze rechtbank.

2. De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

2.1. [eiser] hield zich in de - voor de geschillen tussen partijen relevante - periode van 1995 tot 2000 bezig met het adviseren van particuliere grondeigenaren. Dit betrof veelal agrariërs wier grond door planologische ontwikkelingen interessant was geworden voor projectontwikkeling. [eiser] handelde daarbij door middel van de door hem beheerste rechtspersoon [bedrijf 2], handelende onder de naam [bedrijf 1]. De advisering door [eiser] betrof onder meer het ten behoeve van zijn klanten zoveel mogelijk bevorderen dat voor hen gunstige overeenkomsten tot verkoop van hun grond konden worden gesloten. Indien door bemiddeling van [bedrijf 1] koopovereenkomsten tot stand werden gebracht ontving zij daarvoor courtage van de betreffende klant.

2.2. Het door [bedrijf 1] gehanteerde briefpapier vermeldde over haar activiteiten:

"Adviezen in onteigeningszaken, taxaties. Bemiddeling bij koop, verkoop, huur en verhuur."

2.3. [gedaagde sub 1] was in de voornoemde periode actief als projectontwikkelaar door middel van diverse door hem beheerste rechtspersonen waaronder [gedaagde 4], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 9].

2.4. [eiser] en [gedaagde sub 1] zijn met elkaar in contact gekomen in verband met de verkoop van enkele percelen grond te [project 6]. [bedrijf 1] trad daarbij op als belangenbehartiger van de grondeigenaren. [gedaagde sub 1] was via [gedaagde 4] geïnteresseerd in verwerving van betreffende percelen.

2.5. Op enig moment hebben [eiser] en [gedaagde sub 1], al dan niet als vertegenwoordigers van door hen vertegenwoordigde rechtspersonen, mondeling afspraken met elkaar gemaakt over samenwerking bij toekomstige projecten, waarbij de strekking was dat de op die projecten te maken winst zou worden verdeeld. Daarbij zou iedere partij gerechtigd zijn tot 50% van de winst.

2.6. [eiser] en [gedaagde sub 1], althans door hen beheerste rechtspersonen, hebben vervolgens samengewerkt bij diverse projecten, door partijen aangeduid als [project 1], [project 2], [project 3], [project 4] en [project 5]. In die projecten bemiddelde [bedrijf 1] in opdracht van verkopers, zij het niet steeds voor alle verkopers in het betreffende project. [bedrijf 1] ontving van diverse verkopers in diverse projecten courtage. Ter zake van de verdeling van de in diverse projecten door de aan [eiser] en [gedaagde sub 1] gelieerde rechtspersonen gemaakte winst zijn over en weer betalingen verricht. Zo heeft [gedaagde 4] inzake het [project 1] het winstaandeel van [eiser], althans van [bedrijf 1], ten bedrage van f 711.716,14 overgemaakt naar een door [bedrijf 1] opgegeven rekening van [eiser]. Inzake het [project 4] heeft [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]) - een via een stroman door [eiser] beheerste rechtspersoon - een perceel grond ingekocht voor f 125,00 per vierkante meter. [bedrijf 3] heeft dat perceel doorverkocht aan een aan [gedaagde sub 1] gelieerde rechtspersoon voor f 137,50 per vierkante meter, die de grond vervolgens voor f 150,00 per vierkante meter heeft doorverkocht aan de afnemer, waarmee de op de transacties te maken winst in beginsel was verdeeld.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1. In conventie vordert [eiser] - na wijzigingen van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

"1. Gedaagde(n) te veroordelen om in verband met het [project 6] aan eiser te betalen een bedrag van fl. 247.500,00, zijnde € 112.310,60, althans te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 terzake van de weigering, althans nalatigheid tot nakoming van bedoelde betalingsplicht door de terzake relevante vennootschap waarover hij volledige zeggenschap heeft, toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld weshalve gedaagde sub 1 aan eiser bij wijze van schadevergoeding verschuldigd is een bedrag van fl. 247.500,00, zijnde € 112.310,60, welk bedrag vermeerderd dient te worden met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 december 1996, althans vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

2. [gedaagde sub 1] te veroordelen een op waarheid berustende specificatie betreffende het [project 1]:

- verrichte betalingen inzake inkoop;

- ontvangsten;

- betalingen ingevolge kosten;

- verifieerbare bescheiden zoals (notariële) akten, facturen en notariële afrekeningsnota’s;

- een berekening betreffende het winstaandeel van de heer [eiser];

over te leggen aan de heer [eiser] binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

3. Te verklaren voor recht dat [gedaagden] ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens de heer [eiser] door niet tijdig zorg te dragen voor het treffen van passende beslagmaatregelen teneinde levering van de hiervoor onder 9q bedoelde strook van 2.000 m2 aan de gemeente Barendrecht te voorkomen en/of [gedaagden] heeft nagelaten om tegenover de gemeente Barendrecht een rechtsprocedure te starten ertoe strekkende de gemeente Barendrecht te veroordelen tot teruglevering van de desbetreffende strook grond, met veroordeling van [gedaagden] in de door de heer [eiser] als gevolg daarvan geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, onder meer bestaande uit de door de heer [eiser] gemaakte kosten ingevolge rechtsbijstand alsmede minder opbrengst betreffende dit project, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 mei 2000, althans vanaf het tijdstip van indiening van deze vordering.

4a. Gedaagde(n) te veroordelen om in verband met het [project 7] aan eiser bij wege van voorschot te betalen een bedrag van fl. 1.102.041,00, zijnde € 500.084,40, althans te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 terzake van de weigering, althans nalatigheid tot nakoming van bedoelde betalingplicht door de terzake relevante vennootschap waarover hij volledige zeggenschap heeft, toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld weshalve gedaagde sub l aan eiser bij wijze van schadevergoeding verschuldigd is een bedrag van fl. 1.102.041,00, zijnde € 500.084,40, welk bedrag vermeerderd dient te worden met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 1 mei 2000, althans vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

4b. Gedaagde(n) te veroordelen om in verband met het [project 7] aan eiser te betalen een schadebedrag - zijnde het nader te bepalen bedrag terzake van het aan eiser toekomende 50%-aandeel in de winst van dit project - een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 terzake van de weigering, althans nalatigheid tot nakoming van bedoelde betalingsplicht door de terzake relevante vennootschap waarover hij volledige zeggenschap heeft, toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld weshalve gedaagde sub 1 aan eiser verschuldigd is een schadebedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, welk bedrag vermeerderd dient te worden met wettelijke rente vanaf 1 mei 2000, althans vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

4c. [gedaagde sub 1] te veroordelen een op waarheid berustende specificatie betreffende het [project 7]:

- verrichte betalingen inzake inkoop;

- ontvangsten;

- betalingen ingevolge kosten;

- verifieerbare bescheiden zoals (notariële) akten, facturen en notariële afrekeningsnota’s;

- een berekening betreffende het winstaandeel van de heer [eiser];

over te leggen aan de heer [eiser] binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

5a. Gedaagde(n) te veroordelen om in verband met het [project 5] aan eiser te betalen een bedrag van fl. 5.019.497,50 zijnde € 2.277.748,66, althans te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 terzake van de weigering, althans nalatigheid tot nakoming van bedoelde betalingplicht door de terzake relevante vennootschap waarover hij volledige zeggenschap heeft, toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld weshalve gedaagde sub 1 aan eiser bij wijze van schadevergoeding verschuldigd is een bedrag van fl. 5.019.497,50 zijnde € 2.277.748,66, welk bedrag vermeerderd dient te worden met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf 7 december 2000 althans vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

5b. Gedaagde(n) te veroordelen om in verband met het [project 5] aan eiser te betalen een schadebedrag - zijnde het nader te bepalen bedrag terzake van het aan eiser toekomende 50%-aandeel in de winst van dit project - een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans te verklaren voor recht dat gedaagde sub 1 terzake van de weigering, althans nalatigheid tot nakoming van bedoelde betalingsplicht door de terzake relevante vennootschap waarover hij volledige zeggenschap heeft, toerekenbaar onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld weshalve gedaagde sub 1 aan eiser verschuldigd is een schadebedrag op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, welk bedrag vermeerderd dient te worden met wettelijke rente vanaf 7 december 2000, althans vanaf het tijdstip van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

5c. [gedaagde sub 1] te veroordelen een op waarheid berustende specificatie betreffende het [project 5]:

- verrichte betalingen inzake inkoop;

- ontvangsten;

- betalingen ingevolge kosten;

- verifieerbare bescheiden zoals (notariële) akten, facturen en notariële afrekeningsnota’s;

- een berekening betreffende het winstaandeel van de heer [eiser];

over te leggen aan de heer [eiser] binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

5d. te verklaren voor recht dat [gedaagden] ernstig tekort geschoten is in zijn verplichtingen jegens de heer [eiser] door niet tijdig zorg te dragen dat aan [persoon 1] op of omstreeks 15 januari 1999 een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht, ertoe leidende dat vanaf 15 januari 1999 [persoon 1] terzake van de niet nakoming van zijn leveringsverplichting de in de koopovereenkomst voorziene boete verschuldigd was, met veroordeling van [gedaagden] in de door de heer [eiser] als gevolg daarvan geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, onder meer bestaande uit de door de heer [eiser] gemaakte kosten ingevolge rechtsbijstand alsmede minder opbrengst betreffende dit project, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 januari 1999, althans vanaf het tijdstip van indiening van deze vordering.

6. Gedaagde(n) te veroordelen aan eiser te betalen een bedrag van fl. 25.000,00, zijnde € 11.344,51, terzake van gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en voorts gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure in conventie die van de beslagleggingen daaronder begrepen."

3.2. In reconventie vordert [gedaagden] - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

"Voor het geval Uw Rechtbank vaststelt dat tussen [eiser] in privé en [gedaagde sub 1] in privé, en/of [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 9], [gedaagde sub 4], een samenwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen:

a. primair:

voor recht te verklaren dat de samenwerkingsovereenkomst tussen [gedaagden] en [eiser] betreffende [project 5] op 13 oktober 1999 buitengerechtelijk ontbonden is;

subsidiair:

de samenwerkingsovereenkomst tussen [gedaagden] en [eiser] betreffende het [project 5] te ontbinden per 13 oktober 1999;

b. voor het geval tussen [gedaagde sub 1], danwel [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 9], [gedaagde sub 4] en [eiser] een samenwerkingsovereenkomst is aangegaan betreffende [project 2], [project 4] en [project 3], te verklaren voor recht dat de samenwerkingsovereenkomst behelsde dat alle inkomsten uit welke hoofde dan ook, die een der partijen ingevolge een samenwerkingsproject ontving, ingebracht diende te worden en na aftrek van de betreffende dit project te maken kosten tussen partijen fifty-fifty verdeeld diende te worden;

c. voor recht te verklaren dat [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagde 2 t/m 6] heeft gehandeld door op 18 juli 2000, 19 juli 2000, 31 juli 2000, 4 augustus 2000 en 9 augustus 2000 conservatoir beslag te laten leggen op 14 onroerende zaken die in eigendom toebehoren aan [gedaagde 2 t/m 6] alsmede [eiser] te veroordelen tot betaling van de door [gedaagde 2 t/m 6] terzake geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

d. Voorzover [eiser] in privé als contractspartij beschouwd wordt van [gedaagde sub 1] in privé, danwel [gedaagde sub 2], verder [gedaagde sub 2], inzake [project 4] vorderen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], dat Uw Rechtbank, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I te verklaren voor recht dat [eiser] met [gedaagde sub 2] betreffende [project 4] de afspraak heeft gemaakt dat de samenwerkingsovereenkomst inhield dat alle ontvangsten door [eiser] en/of zijn B.V.’s uit welke hoofde dan ook betreffende het [project 4] ingebracht dienden te worden en na aftrek kosten betreffende het [project 4] voor de helft verdeeld diende te worden met [gedaagde sub 2];

II [eiser] te veroordelen een op waarheid berustende specificatie betreffende het [project 4]:

- betreffende ontvangen courtages;

- verrichte betalingen ingevolge inkoop;

- ontvangsten;

- betalingen ingevolge kosten;

- alsmede verifieerbare bescheiden, zoals facturen en notariële afrekeningsnota;

- een berekening betreffende het winstaandeel van [gedaagde sub 2]

over te leggen aan [gedaagde sub 2] binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,= per dag, voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.

e. Voorzover [eiser] in privé als contractspartij beschouwd wordt van [gedaagde sub 1] in privé, danwel [gedaagde sub 4], verder te noemen [gedaagde sub 2], inzake [project 2] vordert [gedaagde sub 2], dat Uw Rechtbank, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I te verklaren voor recht dat [eiser] met [gedaagde sub 2] betreffende [project 2] de afspraak heeft gemaakt dat de samenwerkingsovereenkomst inhield dat alle ontvangsten door [eiser] en/of zijn B.V.’s uit welke hoofde dan ook betreffende het [project 2] ingebracht dienden te worden en na aftrek kosten betreffende het [project 2] voor de helft verdeeld diende te worden met [gedaagde sub 2];

II [eiser] te veroordelen een op waarheid berustende specificatie betreffende het [project 2]:

- betreffende ontvangen courtages;

- overige ontvangsten;

- alsmede verifieerbare bescheiden betreffende kosten, alsmede betreffende facturen;

- een berekening betreffende het winstaandeel van [gedaagde sub 2] op basis van deze gegevens

over te leggen aan [gedaagde sub 2] binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,= per dag, voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

f. te verklaren voor recht dat [eiser] ernstig tekortgeschoten is in zijn verplichtingen jegens [gedaagde sub 4] door niet tijdig zorg te dragen dat getransporteerd kon worden op basis van ƒ 425.000,= kosten koper betreffende perceel [persoon 2], met veroordeling van [eiser] in de door [gedaagde sub 4] als gevolg daarvan geleden schade, bestaande uit de door [gedaagde sub 4] gemaakte kosten ingevolge rechtsbijstand, alsmede minder opbrengst betreffende het perceel [persoon 2], alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum transport [persoon 2] d.d. 3 mei 2000, nader op te maken bij staat."

3.3. Partijen voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de wederpartij, met veroordeling van de wederpartij, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de wijzigingen van eis is geen bezwaar gemaakt. De rechtbank zal recht doen op de vorderingen zoals deze na de eiswijzigingen luiden.

in conventie

4.2. [eiser] grondt zijn vorderingen op overeenkomst en op onrechtmatige daad. Hij stelt daartoe - kort weergegeven - het volgende.

[eiser] en [gedaagde sub 1] hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten waaruit voor [gedaagden] verbintenissen voortvloeien. [gedaagden] dient na te komen. [gedaagde sub 1] handelt bovendien onrechtmatig jegens [eiser] door te verhinderen dat vennootschappen waarover hij volledige zeggenschap heeft de verplichting tot het verrichten van betalingen/afdrachten aan [eiser] nakomen.

vordering sub 1 ([project 6]):

In [project 6] trad [bedrijf 1] op als adviseur van de verkopende partijen, de tuinders [persoon 3] en [persoon 4]. Tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] was afgesproken dat [eiser] van [gedaagde sub 1] een bedrag ter grootte van 10% zou ontvangen van de koopsommen die [gedaagde sub 1] voor de daar aan de orde zijnde gronden zou moeten betalen aan [persoon 3] en [persoon 4]. [gedaagde sub 1] is vanaf december 1996 in gebreke met betaling van het verschuldigde bedrag.

vorderingen sub 2 t/m 5 (overige projecten):

De vorderingen ter zake van de overige projecten vloeien voort uit een tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] tot stand gekomen samenwerkingsovereenkomst. In het najaar van 1995 hebben [gedaagde sub 1] en [eiser] afgesproken dat zij voor gezamenlijke rekening en risico grondposities zouden verwerven om deze zelf te ontwikkelen dan wel om deze aan een derde door te verkopen. Ze zouden ieder voor de helft in de winst of het verlies delen. Deze afspraken zijn door hen in privé gemaakt. Nadien, toen zij eenmaal met derden in contact zijn gekomen om grondposities te verwerven, hebben zij jegens die derden gebruik gemaakt van aan elk van hen gelieerde vennootschappen. Die vennootschappen zijn te zien als vehikels om de tussen hen gemaakte afspraken te verwezenlijken. Gezamenlijke projecten van [eiser] en [gedaagde sub 1] in dit kader zijn [project 1], [project 4], [project 2], [project 3] ([project 7]) en [project 5] (percelen [persoon 1], [persoon 5] en [persoon 6]).

vordering sub 2 ([project 1]):

Het [project 1] is volgens de afspraken afgewikkeld. [gedaagde sub 4] heeft ter zake van dat project een betaling van ƒ 711.716,14 verricht aan [eiser]. Naar aanleiding van de bij antwoord nadere conclusie door [gedaagden] overgelegde bescheiden, heeft [eiser] tijdens de zitting van 17 maart 2011 zijn vordering dat [gedaagden] met betrekking tot dit project nog bescheiden aan hem dient te verstrekken niet langer gehandhaafd.

vordering sub 3 ([project 2]):

[gedaagde sub 1] heeft niet adequaat gehandeld door geen passende rechtsmaatregelen te treffen tegen verkoper [persoon 2] en/of de gemeente nadat de gemeente door [persoon 2] een strook grond bestemd voor een fietspad aan zich liet leveren. Daardoor zijn [gedaagde sub 1] en [eiser] met betrekking tot dit project een winst van ƒ 1.500.000,00 misgelopen. [gedaagden] dient het door [eiser] gemiste aandeel in die winst ten bedrage van ƒ 750.000,00. aan [eiser] te vergoeden.

vordering sub 4 (project Wateringse Veld):

[gedaagde sub 1] weigert af te wikkelen volgens de afspraken. De samenwerking tussen partijen had in dit project betrekking op beide percelen, zowel [project 7].

vordering sub 5 ([project 5]):

[gedaagde sub 1] weigert af te wikkelen volgens de afspraken.

4.3. De rechtbank zal de vorderingen van [eiser] afwijzen. De rechtbank acht de strekking van de overeenkomsten die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd in strijd met de goede zeden. Dit leidt ingevolge artikel 3:40 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) tot nietigheid van de betreffende rechtshandelingen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

4.4. Desgevraagd heeft [eiser] ter zitting van 17 maart 2011 erkend dat de samenwerking van partijen - kort weergegeven - het volgende inhield. [eiser] trad door middel van [bedrijf 1] op als adviseur van potentiële verkopers van voor projectontwikkeling geschikte percelen. [eiser] bevorderde vanuit die positie dat aan [gedaagde sub 1] en/of [eiser] gelieerde rechtspersonen die percelen voor een aantrekkelijke prijs konden aankopen. Die percelen werden tegen een (veel) hogere prijs doorverkocht aan derden. Veelal kon levering en doorlevering achtereenvolgens op dezelfde dag plaatsvinden zodat slechts in beperkte mate en slechts ten aanzien van enkele projecten voorfinanciering nodig was. Op deze wijze werden door aan [eiser] en [gedaagde sub 1] gelieerde rechtspersonen substantiële winsten gemaakt. Die winst werd vervolgens tussen de samenwerkende partners [eiser] en [gedaagde sub 1] verdeeld, althans dat was de afspraak welke [gedaagde sub 1] in de visie van [eiser] niet steeds naar behoren is nagekomen. [eiser] heeft erkend dat door hem niet aan de door hem geadviseerde verkopers werd medegedeeld dat hij voor 50% meedeelde in de winst die na effectuering van de transactie door de kopende rechtsperso(o)n(en) zou worden gemaakt. In het kader van het op zijn verzoek gehouden voorlopig getuigenverhoor heeft [eiser] als getuige onder meer het volgende verklaard:

"(…) Ten aanzien van het [project 5] probeerde ik de interessante grondposities via adviesbureau [eiser] in beeld te krijgen en de voorwaarden waaronder deze verworven konden worden. [gedaagde sub 1] onderhield de contacten met de marktpartijen. (…)

Waar ik in opdracht van verkopers werkte wisten zij in het algemeen niet van de samenwerking tussen [gedaagde sub 1] en mij. (…)

Bij het [project 4] ([persoon 7]) is [bedrijf 3] als koper opgetreden. Van deze vennootschap ben ik economisch belanghebbende waarmee ik bedoel dat Van Keulen het trustkantoor exploiteert en directeur, enig aandeelhouder is. Hij handelt op mijn verzoek zodat voor een verkoper niet duidelijk is dat ik de feitelijke koper ben. (…)

4.5. De rechtbank acht de door [eiser] gestelde samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] in strijd met de goede zeden, nu de strekking daarvan was om potentiële verkopers te misleiden. Immers, waar die potentiële verkopers door toedoen van [eiser] meenden tegen een door hen te betalen redelijke courtage - voor het geval een transactie tot stand zou komen - te worden bijgestaan door een onafhankelijke bemiddelaar die beoogde hun belang te dienen, was het werkelijke doel van [eiser] om een overeenkomst tot stand te brengen met een door hem of door [gedaagde sub 1] beheerste rechtspersoon, aan welke overeenkomst hij en zijn partner [gedaagde sub 1] vervolgens zoveel mogelijk geld zouden kunnen verdienen. Voor het onoorbare karakter van de door [eiser] en [gedaagde sub 1] bewust in het leven geroepen belangenverstrengeling kan ook worden verwezen naar de strekking van de artikelen 7:416, 417, 418 en 427 BW.

4.6. De visie van [eiser] dat (ook) de potentiële verkopers belang hadden bij zijn advisering omdat zonder die advisering hun percelen wellicht onteigend zouden zijn, waarbij mogelijk een lagere vergoeding zou zijn vastgesteld dan thans aan hen is betaald door de aan [gedaagde sub 1] en/of [eiser] gelieerde rechtspersonen, mist relevantie. Van een tegen courtage voor hen werkzame professionele adviseur/verkoopbemiddelaar die voor hen bemiddelde bij de verkoop van hun percelen mochten de potentiële verkopers verwachten dat deze slechts hun belang zou behartigen en niet tevens zijn eigen belang. De advisering door [eiser] was er in dergelijke gevallen ook niet op gericht om onteigening te voorkomen teneinde een transactie tegen een zo hoog mogelijke prijs met een derde tot stand te brengen, maar om onteigening te voorkomen teneinde vervolgens een voor [eiser] en [gedaagde sub 1] zo gunstig mogelijke overeenkomst met een aan [eiser] en/of [gedaagde sub 1] gelieerde rechtspersoon tot stand te brengen opdat niet verkopers, maar [eiser] en [gedaagde sub 1], althans aan hen gelieerde rechtspersonen, zoveel mogelijk winst zouden kunnen maken. [eiser] nam daartoe jegens de potentiële verkopers een valse hoedanigheid aan, namelijk die van een onafhankelijke, in hun belang werkzame, adviseur en verkoopbemiddelaar. Een werkelijk in het belang van verkopers werkzame adviseur/verkoopbemiddelaar zou gestreefd hebben naar het in het belang van verkopers interesseren van verschillende - wellicht zoveel mogelijk - potentiële kopers voor de betreffende percelen teneinde ten behoeve van de verkopers een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren.

4.7. De pleitnota van [eiser] vermeldt over de visie van [eiser] op de samenwerking tussen [eiser] en [gedaagde sub 1], onder 2h:

"De omstandigheid dat partijen hadden afgesproken - zie de terminologie in de brief van 12 oktober 1999 van de raadsman van [gedaagde sub 1] (prod. 4 C.v.R.) "om op 50-50 basis voor gezamenlijke rekening en risico grondposities te verwerven", betekent overigens niet dat partijen alle relevante handelingen gezamenlijk deden en/of 50-50 deelden. [eiser] was bijvoorbeeld meer bezig met de inkoop van gronden, terwijl [gedaagde sub 1] meer actief was in de sfeer van de doorverkoop van die gronden."

en onder 8 en 8a:

"Over het [project 5] het navolgende.

Tussen partijen is niet ter discussie dat dit project onder de samenwerking viel. In dit verband moet overigens nog eens benadrukt worden dat [eiser] ten aanzien van dit project een grote rol heeft gespeeld aangezien de partijen waarvan grond verworven is, zijnde [persoon 5], [persoon 1] en [persoon 6], klanten van [bedrijf 1] waren. [eiser] heeft met deze partijen ook zeer veel overleg gevoerd."

Het onoorbare aspect van de gestelde samenwerkingsovereenkomst is er juist in gelegen dat [eiser] als [bedrijf 1] niet bezig was met het, in het belang van de klant, zo goed mogelijk begeleiden van de verkoop voor die klant, maar dat hij in werkelijkheid bezig was met een zo gunstig mogelijke inkoop van de grond van die klant door rechtspersonen die aan zichzelf of aan [gedaagde sub 1] gelieerd waren, teneinde vervolgens zoveel mogelijk winst voor zichzelf (en [gedaagde sub 1]) te kunnen behalen.

4.8. Zowel [eiser] als [gedaagde sub 1] moeten zich van het onoorbare karakter van hun samenwerking ook bewust zijn geweest, hetgeen wellicht verklaart waarom de samenwerking waarop [eiser] zijn vorderingen baseert nooit schriftelijk is vastgelegd. Wat daar ook van zij, een overeenkomst waaraan samenwerkingsafspraken ten grondslag liggen zoals de door [eiser] gestelde, is door haar strekking nietig. Daar kunnen derhalve geen rechtsvorderingen op worden gegrond. Noch via de rechtsgrond van wanprestatie, noch via de rechtsgrond van onrechtmatige daad.

4.9. Ten tijde van het [project 6] bestond de samenwerkingsovereenkomst die [eiser] aan zijn overige vorderingen ten grondslag heeft gelegd nog niet. Echter, ook de overeenkomst die in het kader van dat project door [eiser] aan zijn vordering ten grondslag wordt gelegd, is nietig. [bedrijf 1] trad in dat project op als adviseur/verkoopbemiddelaar van de tuinders [persoon 3] en [persoon 4]. Jegens hen kon zij aanspraak maken op courtage als er een overeenkomst met een koper van de percelen tot stand kwam. Het gaat dan niet aan om tevens een courtageafspraak te maken met een geïnteresseerde potentiële koper van die percelen. [eiser] stelt dat hij een percentage van 10% van de koopsommen met [gedaagde sub 1] was overeengekomen. In de visie van [gedaagde sub 1] had hij met [eiser], beiden als vertegenwoordigers van rechtspersonen, afgesproken een vergoeding van 2% over de koopsommen, ten aanzien van het perceel van [persoon 4] nog te vermeerderen tot 7% indien door de aan [gedaagde sub 1] gelieerde kopende rechtspersoon een bepaalde verkoopwaarde voor het perceel zou worden gerealiseerd. Ter zitting heeft [eiser] erkend dat de verkopers er niet van op de hoogte waren dat hij een dergelijke overeenkomst met de potentiële koper had gesloten. Dat ligt ook in de rede omdat aangenomen mag worden dat [persoon 3] en [persoon 4] zich in dat geval niet (verder) door [bedrijf 1] zouden hebben laten adviseren, maar zich alsnog tot een onafhankelijke adviseur zouden hebben gewend teneinde voor hen te bemiddelen bij de verkoop van hun grond aan een derde op voor hen zo gunstig mogelijke voorwaarden, in het bijzonder een zo hoog mogelijke prijs.

4.10. Ter zitting heeft [eiser] nog aangevoerd dat een potentiële koper door een "gebruikelijke" courtage van 10% te betalen aan de door de verkoper ingeschakelde bemiddelaar tijd koopt teneinde het in verband met de verkoopbeslissing van belang zijnde onderzoek zonder tijdsdruk te kunnen verrichten, hetgeen ook in het belang van de verkoper is. De rechtbank ziet echter niet in dat dit in het belang van de verkoper is. Immers, de verkoper heeft in beginsel juist belang bij belangstelling van meerdere gegadigden die met elkaar in concurrentie treden. Dat vergroot de kans op een hogere verkoopprijs. Zou dit al anders zijn, dan zou de verkoper er nog immer geen belang bij hebben dat door de (potentiële) koper ter verwerving van tijd voor onderzoek een vergoeding aan de in opdracht van de verkoper werkzame bemiddelaar wordt betaald. De vergoeding voor het aan koper gunnen van die tijd zou dan immers ook ten behoeve van de verkoper kunnen worden bedongen. De door de verkoper ingeschakelde bemiddelaar ontvangt zijn beloning uit de door hem met de verkoper overeengekomen courtage. Die bemiddelaar behoort niet daarnaast tevens op andere wijze van de transactie te profiteren, althans in ieder geval niet zonder de verkoper (tijdig) van het eigen belang van de bemiddelaar bij de transactie in kennis te stellen.

4.11. Desgevraagd heeft ook [gedaagde sub 1] ter zitting van 17 maart 2011 medegedeeld dat zijns inziens [eiser] niet aan de klanten van [bedrijf 1] had verteld dat hij ook een courtagevergoeding met de potentiële koper was overeengekomen. Na interventie door mr. Tomlow heeft [gedaagde sub 1] dit genuanceerd in die zin dat hij heeft medegedeeld dat hij niet wist of [eiser] dat had medegedeeld aan zijn klanten. De rechtbank merkt hierover op dat voor zover [gedaagde sub 1] dit niet wist, hij het kennelijk ook niet wilde weten. Voor [gedaagde sub 1] moet het ook duidelijk zijn geweest dat een potentiële koper niet buiten de verkoper om een courtagevergoeding behoort aan te bieden aan de adviseur/verkoopbemiddelaar van die verkoper.

4.12. Wat er ook zij van de precieze tussen [eiser] en [gedaagde sub 1], althans tussen aan hen gelieerde rechtspersonen, afgesproken percentages, de rechtbank is van oordeel dat de tussen hen gemaakte afspraak naar normaal spraakgebruik kan worden aangeduid als het overeenkomen van smeergeld, ook wel steekpenningen genoemd. [gedaagde sub 1], althans een aan hem gelieerde vennootschap, beoogde de percelen van [persoon 3] en [persoon 4] te verwerven en daartoe kwam hij met de adviseur/verkoopbemiddelaar van [persoon 3] en [persoon 4] overeen dat deze - buiten [persoon 3] en [persoon 4] om - een substantieel bedrag zou ontvangen als de beoogde transacties tot stand zouden komen. Een overeenkomst met een degelijke inhoud of strekking is in strijd met de goede zeden en deswege nietig. [eiser] kan geen nakoming vorderen van verbintenissen die in zijn visie voor [gedaagde sub 1] of voor aan [gedaagde sub 1] gelieerde rechtspersonen uit een dergelijke (immers: nietige) overeenkomst voortvloeien.

4.13. De rechtbank heeft ter zitting van 17 maart 2011 de advocaten van beide partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of er in de zin van artikel 3:40 lid 1 BW sprake kon zijn van nietigheid van de gestelde overeenkomsten wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde. Mr. Kox heeft ter zitting namens [gedaagden] erkend dat de door [eiser] gestelde samenwerkingsovereenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden. Mr. Wagemakers heeft hierover opgemerkt dat deze nietigheid niet de overeenkomsten treft voor zover daarbij niet [eiser] en/of [gedaagde sub 1], maar aan hen gelieerde rechtspersonen partij waren. De rechtbank is echter van oordeel dat dit geen wezenlijk verschil maakt. Ongeacht welke aan [eiser] en/of [gedaagde sub 1] gelieerde rechtspersonen betrokken waren bij de overeengekomen samenwerking en/of bij de uitwerking daarvan, aan de onzedelijke strekking van die samenwerking en het nietige karakter van de daaruit voortvloeiende overeenkomsten doet dat niet af. Als getuige heeft [eiser] over de positie van die rechtspersonen in het kader van de overeengekomen samenwerking verklaard dat deze slechts zijn te zien als vehikels om de tussen [eiser] en [gedaagde sub 1] gemaakte afspraken te verwezenlijken.

4.14. Mr. Wagemakers heeft voorts opgemerkt dat het niet redelijk zou zijn indien [gedaagden] niet zou behoeven na te komen, kennelijk vanuit de gedachte dat in dat geval meer dan de helft van de uit de samenwerking voortvloeiende winst in het bezit van [gedaagden] zou kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat die vermeende onredelijkheid in ieder geval niet meebrengt dat vorderingen van [eiser] tot afdracht van een deel van die winst aan hem in rechte kunnen worden gehonoreerd.

4.15. De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daarin begrepen.

in reconventie

4.16. [gedaagden] heeft onder diverse voorwaarden diverse vorderingen in reconventie geformuleerd. Die vorderingen behoeven, ongeacht de precieze inhoud van de voorwaarden waaronder zij zijn ingesteld, geen bespreking voor zover deze zijn gegrond op de in conventie door [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag gelegde samenwerkings¬overeenkomst. Immers, de samenwerkingsovereenkomst is door de strekking daarvan in strijd met de goede zeden en derhalve nietig. Noch [eiser], noch [gedaagden] kunnen daarop rechtsvorderingen gronden. Dan resteert slechts de vordering van [gedaagden] als weergegeven in alinea 3.2 onder c. Deze strekt ertoe voor recht te verklaren dat [eiser] onrechtmatig jegens [gedaagden] heeft gehandeld door op 18 juli 2000, 19 juli 2000, 31 juli 2000, 4 augustus 2000 en 9 augustus 2000 conservatoir te laten leggen op 14 onroerende zaken die in eigendom toebehoren aan [gedaagden], en [eiser] te veroordelen tot betaling van de door [gedaagden] ter zake van die beslagen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.17. Er bestaat onvoldoende belang bij de gevorderde verklaring voor recht, nu [gedaagden] veroordeling van [eiser] kan vorderen - en vordert - om de uit de beslagen voortvloeiende schade te vergoeden. De verklaring voor recht is derhalve reeds om die reden niet toewijsbaar.

4.18. [eiser] heeft betwist dat [gedaagden] door de beslagen schade heeft geleden. Daarbij heeft [eiser] erop gewezen dat [gedaagden] de schade op geen enkele wijze heeft toegelicht en/of gespecificeerd. Ook na die betwisting heeft [gedaagden] de stelling dat schade is geleden door de beslagen niet toegelicht en de eventuele schade niet gespecificeerd. [gedaagden] heeft naar aanleiding van de betwisting zelfs niet toegelicht/gespecificeerd welke als eiser(es) in reconventie optredende (rechts)persoon (welke) schade heeft/hebben geleden als gevolg van welke beslagen. Onder deze omstandigheden bestaat er geen grond voor veroordeling van [eiser] tot vergoeding van uit de beslagen voortvloeiende schade, op te maken bij staat. Deze vordering zal bij gebreke van een voldoende onderbouwing worden afgewezen.

4.19. [gedaagden] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld.

het incident:

4.20. [gedaagden] heeft in deze procedure een provisionele vordering ingesteld en deze nadien, nadat daartegen verweer was gevoerd, ingetrokken. [gedaagden] zal worden veroordeeld in de kosten van het incident.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] bepaald op € 3.396,54 aan vast recht, op € 74,83 aan overige verschotten en op € 35.321,00 aan salaris voor de advocaat,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. wijst de vorderingen af,

5.5. veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 1.808,00 aan salaris voor de advocaat,

5.6. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het incident

5.7. verstaat dat de vordering is ingetrokken,

5.8. veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 452,00 aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. M. Fiege en mr. S.C. Hes-Bakkeren, en in het openbaar uitgesproken op 25 mei 2011.(

1729/204/336