Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8184

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
335618 - HA ZA 09-2082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding. Ongedaanmakingsverbintenis. Art. 6:271 BW. Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden. Art. 25 Rv. Gelet op gebleken feiten na vorig tussenvonnis rijst de vraag of ook geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Mogelijkheid voor partijen zich bij akte ter rolle over die nieuwe grondslag uit te laten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 335618 / HA ZA 09-2082

Vonnis van 8 juni 2011

in de zaak van

de vennootschap onder firma

V.O.F. DRIEMAAS SHIPPING,

gevestigd te Hendrik-Ido-Ambacht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.A. Bik te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Werkendam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.F. van der Stelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna “Driemaas” en “[gedaagde]” genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 oktober 2010 (hierna: het tussenvonnis), alsmede de daaraan ten grondslag liggen processtukken;

- de akte na vonnis van [gedaagde], met twintig producties;

- de antwoordakte na vonnis van Driemaas;

- de antwoordakte na vonnis van [gedaagde], met één productie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling in conventie

2.1. In het tussenvonnis is de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [gedaagde] met betrekking tot de vraag of zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan tot het ondernemen van juridische stappen in Nederland en China tegen de Chinese werven als bedoeld in rechtsoverweging 7.3 van dat vonnis.

2.2. Gesteld noch gebleken is dat de Chinese werven inmiddels zijn overgegaan tot terugbetaling van de aanbetaalde bedragen aan [gedaagde].

2.3. Ook is niet gesteld dan wel gebleken dat partijen inmiddels niet meer van mening verschillen over de vraag of [gedaagde] aan haar genoemde inspanningsverplichting heeft voldaan. [gedaagde] meent dat zij aan deze verplichting heeft voldaan, Driemaas betwist dat.

2.4. Onder 10 van haar akte na vonnis stelt [gedaagde] het volgende:

“[gedaagde] zal de duwbakken en [de] ponton afnemen zodra de kwaliteit van de ponton voldoende is. De duwschepen zullen niet worden afgenomen omdat de kwaliteit onvoldoende is waardoor de schepen geen klasse certificaat kunnen verkrijgen. De levering van de duwbakken en de ponton valt op korte termijn te verwachten. Bij betaling van de ponton en de duwbakken zal de aanbetaling van [gedaagde] worden verrekend met de koopprijs. Ook zal de schadevergoeding wegens vertraging op grond van artikel 12 van de overeenkomst tussen [gedaagde] en de Chinese werven worden verrekend. De ponton zal voor vertrek uit China naar Nederland worden gekocht door Neptune Marine Service B.V. De duwbakken hebben een taxatiewaarde van tussen EUR 775.000,- en EUR 850.000,-. De duwbak die voor Driemaas bestem[d] was, kan in elk geval voor een zodanig bedrag worden verkocht dat de aanbetaling van Driemaas kan worden terugbetaald. De overige duwbakken worden geleverd aan de overige participanten. Zij willen nog steeds de duwbakken afnemen.”

Driemaas voert vervolgens onder 22 van haar antwoordakte na vonnis het volgende aan:

“[gedaagde] zal, volgens haar stellingen in de Akte, de duwbakken en de ponton afnemen en zij verwacht dat de levering hiervan op korte termijn (?) zal plaatsvinden. Daarna zal zij deze afnemen en de gedane aanbetalingen vermeerderd met de verschuldigde boetes met de koopprijs voor [de] ponton en de duwbakken verrekenen, zo wordt gesteld. Wat hiermee komt vast te staan is dat [gedaagde] haar aanbetaling zal terugverkrijgen. Verrekening is immers evengoed een wijze van betaling. Driemaas stelt voorop dat zij niet gehouden kan worden te wachten tot het moment waarop [gedaagde] de levering accepteert en de koopprijs dient te voldoen. Gelet op de weinig doortastende wijze waarop [gedaagde] dit project tot op heden heeft aangepakt kan dat redelijkerwijs ook niet van Driemaas worden gevergd.”

Gewezen zij, ten slotte, nog op hetgeen [gedaagde] onder 3 van haar antwoordakte na vonnis opmerkt:

“De enige mogelijkheid dat de aanbetaling wordt terugbetaald door de Chinese werven is wanneer de aanbetaling wordt verrekend met de koopprijs voor de duwbakken. Eventuele alternatieven zullen er vooralsnog niet toe leiden dat de aanbetaling zal worden terugbetaald door de Chinese werven.”

2.5. Van de bedragen die [gedaagde] destijds heeft teruggevorderd van de Chinese werven maakt deel uit het bedrag dat [gedaagde] als aanbetaling op de koopprijs van het Koppelverband (duwschap + duwbak) heeft ontvangen van Driemaas en dat [gedaagde] aan Driemaas dient terug te betalen overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de Overeenkomst. Zie de laatste alinea van rov. 7.3 van het tussenvonnis. Voor zover [gedaagde] is overgegaan tot verrekening van deze van Driemaas afkomstige aanbetaling met de koopprijs van de duwbak, zoals zij op grond van het bovenstaande van plan geweest lijkt te zijn, en zij vervolgens deze duwbak van de Chinese werven geleverd heeft gekregen, leidt dat ertoe dat zij vanaf dat moment de beschikking heeft over een zaak die deze aanbetaling van Driemaas belichaamt (vervangt). Als gevolg hiervan lijkt [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt te zijn ten koste van Driemaas. In bovengenoemde stellingen van [gedaagde] lijkt een aanbod aan Driemaas besloten te liggen tot terugbetaling van deze aanbetaling zodra [gedaagde] de duwbak heeft verkocht aan een derde. Daarmee lijkt [gedaagde] zélf ook van opvatting te zijn dat door de levering aan haar van deze duwbak zij ongerechtvaardigd verrijkt is ten koste van Driemaas. De verplichting van [gedaagde] tot terugbetaling van de aanbetaling van Driemaas lijkt dan ook (mede) gebaseerd te kunnen worden op ongerechtvaardigde verrijking.

2.6. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding de zaak naar de rol te verwijzen voor uitlating door partijen, eerst [gedaagde], over bovenstaande rechtsoverweging 2.5 alsmede over de vraag of zij de voor Driemaas bestemde duwbak inmiddels heeft verkocht aan derden en daarvoor betaling heeft ontvangen.

2.7. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

verwijst de zaak naar de rol van 6 juli 2011 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over bovenstaande rechtsoverweging 2.5 alsmede over de vraag of zij de voor Driemaas bestemde duwbak inmiddels heeft verkocht aan derden en daarvoor betaling heeft ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Scheffers en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.(

901/1278