Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8161

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
AWB 09/2772 TELEC-T1 en AWB 10/971 WOB-T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Optimalisatieverzoek afgewezen. Niet is gebleken van onvoldoende ontvangstkwaliteit. Het gerealiseerde bereik is beter dan de zerobase-planningsnorm. Grief omtrent de wijze van meten is reeds in een eerdere procedure bij het CBb aan de orde geweest. Geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Beroep ongegrond. Voorts is niet gebleken dat verweerder in procedure 09/2772 niet alle meetgegevens heeft overgelegd. Eiseres heeft derhalve geen belang bij een afzonderlijk oordeel in procedure 10/971. Beroep is in dit geding niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 09/2772 TELEC-T1

AWB 10/971 WOB-T1

Uitspraak in de gedingen tussen

Radio 538 B.V., gevestigd te Hilversum, eiseres (hierna ook: Radio 538),

gemachtigde mr. M.I. Robichon-Lindenkamp, advocaat te Amsterdam,

en

de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (Agentschap Telecom), voorheen de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder.

1.1 Ontstaan en loop van de procedure 09/2772

Bij besluit van 1 augustus 2008 heeft verweerder het optimalisatieverzoek van eiseres ter oplossing van haar klachtnummer 112 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 september 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 6 augustus 2009 beroep ingesteld. Bij brief van 21 september 2009 heeft eiseres de beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft bij brief van 11 maart 2011 een verweerschrift ingediend.

1.2 Ontstaan en loop van de procedure 10/971

Bij brief van 20 november 2008 heeft verweerder desgevraagd onder meer aan eiseres medegedeeld dat het Agentschap Telecom (hierna: het AT) in 2007 drie metingen in Breda heeft verricht en dat zij daarbij 4.189 meetgegevens heeft gegenereerd die aan eiseres zijn verstrekt. Andere meetgegevens zijn er niet, zodat deze ook niet kunnen worden verstrekt.

Bij brief van 30 december 2008 heeft eiseres aangegeven dat, indien en slechts voor zover de brief van 20 november 2008 een of meer besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bevat(ten), zij daartegen bezwaar maakt. In dat geval verzoekt zij aan verweerder om haar een termijn te stellen van ten minste zes weken om de gronden van bezwaar aan te vullen.

Bij brief van 1 juli 2009 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat de brief van 20 november 2008 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat deze brief een mededeling is als bedoeld in artikel 7:4, zesde lid, van de Awb. Hierdoor wordt niet voldaan aan de voorwaarde van eiseres voor het maken van bezwaar, waaruit volgt dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de brief van 20 november 2008. Verweerder neemt de brief van 30 december 2008 voor kennisgeving aan.

Bij brief van 6 augustus 2009 heeft eiseres tegen het in de brief van 1 juli 2009 vervatte besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 19 november 2009 een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 maart 2011 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

1.3 Vervolg van de loop van de procedures

De rechtbank heeft aanleiding gezien de onderhavige procedures op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Awb gevoegd te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door ir. H.C. Milius. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.A. Diekema, mr. L. Ensing en F. Holl.

2 Overwegingen

2.1 Juridisch kader

De Telecommunicatiewet (hierna: de Tw) bevatte ten tijde van belang onder meer de volgende bepalingen.

Artikel 3.3

“1. Voor het gebruik van frequentieruimte is een vergunning vereist van Onze Minister welke op aanvraag kan worden verleend.

(…).

4. De verlening van vergunningen in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid geschiedt:

a. op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;

b. door middel van een vergelijkende toets, al dan niet met inbegrip van een financieel bod, of

c. door middel van een veiling.

(…)

9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, met inachtneming van richtlijn nr. 2002/20/EG, regels gesteld terzake van de verlening, wijziging en verlenging van vergunningen. (..)”

Artikel 3.6

“1. Een vergunning wordt door Onze Minister geweigerd indien:

a. verlening daarvan in strijd is met het frequentieplan;

b. een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert;

c. reeds een vergunning voor het gebruik van de in de aanvraag gevraagde frequentieruimte is verleend, tenzij gedeeld gebruik van frequentieruimte mogelijk is (..)”

Artikel 3.7, tweede en derde lid

“2. Een vergunning kan door Onze Minister voorts slechts worden ingetrokken indien:

(..)

c. een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert;

d. de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning ernstig gevaar zal opleveren voor de veiligheid van de staat of de openbare orde;

e. de gronden waarop de vergunning is verleend zijn vervallen, of (..)

3. Op de gronden, genoemd in het tweede lid, kan Onze Minister in plaats van de vergunning intrekken deze ook wijzigen.”

Artikel 17 Frequentiebesluit (verder: Fb)

“Onze Minister kan een vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen gedurende de looptijd van de vergunning slechts wijzigen:

a. op verzoek van de vergunninghouder;

b. indien de naleving van een internationale overeenkomst aangaande het gebruik van frequentieruimte dit vordert;

c. in de gevallen bedoeld in artikel 3.7, derde lid, van de wet, en

d. indien door het gebruik van de vergunning ontoelaatbare belemmeringen worden veroorzaakt in radiozend- of ontvangapparaten of in elektrische of elektronische inrichtingen.”

2.2 Feiten en achtergronden ten aanzien van 09/2772 TELEC

In 2003 is een nieuwe frequentieplanning doorgevoerd waarbij aan een aantal commerciële radio-omroepen, waaronder Radio 538, vergunningen als bedoeld in artikel 3.3 van de Tw zijn verleend om onder bepaalde voorwaarden gebruik te maken van frequentieruimte in de FM-band (hierna: zerobase-vergunningen). Na ingebruikneming van de zerobase-vergunningen bleken er ontvangstproblemen in de verzorgingsgebieden van de commerciële omroepen te bestaan. De ontvangst voldeed niet overal aan de door de Minister van Economische Zaken verstrekte garanties voor het bereik. Ten einde deze ontvangstproblemen op te lossen is in april 2005 een convenant gesloten tussen de Vereniging voor Commerciële Radio (hierna: VCR) en de Staat der Nederlanden. Volgens overweging N had dit convenant als doel om aantoonbaar tekortschietend bereik in de commercieel bestemde frequentienetten te repareren op gelijke wijze als dit voor de publieke omroepen is gedaan. In het convenant is nader uitgewerkt op welke wijze partijen technische oplossingen konden aandragen. Hiertoe werd een zogenaamde Taskforce ingesteld waarin alle betrokken partijen waren vertegenwoordigd. De Taskforce had onder meer tot taak het aansturen van de Technische Werkgroep waarin de oplossingsrichtingen van ontvangstklachten technisch werd voorbereid. In het kader van het convenant konden vergunninghouders tot uiterlijk 24 maart 2006 oplossingen aandragen om de ontvangstproblemen te repareren. Onder repareren wordt in dit verband verstaan het zoveel mogelijk in overeenstemming brengen van het demografisch bereik met het in het aanvraagdocument voorgerekende demografisch bereik, ook wel bekend als "het groene gebied". Ontvangstklachten die niet als reparatieverzoek in behandeling zijn genomen zijn overgeheveld naar bijlage B bij de brief van de Minister van Economische Zaken van 13 april 2006, hetgeen betekent dat die ontvangstklachten mogelijk nog in een latere fase worden opgelost, de zogeheten optimalisatieronde.

Bij faxbericht van 24 maart 2006 heeft Radio 538 een voorstel ingediend ter reparatie van haar ontvangstklacht met nummer 112. De klacht heeft betrekking op de bij Radio 538 in gebruik zijnde frequentie 102.7 MHz met als opstelplaats Rotterdam. Uit onderzoek van Broadcast Partners (hierna: BP) bleek volgens Radio 538 dat de frequentie niet goed is te ontvangen in een deel van Breda. Als oplossingsrichting is door Radio 538 een netgebonden steunzender voor Breda voorgesteld waarbij de frequentie 102.1 MHz wordt ingezet.

Bij besluit van 13 april 2006 is aan Radio 538 meegedeeld dat haar ontvangstklacht met nummer 112 niet als reparatieverzoek in behandeling is genomen en naar bijlage B bij het besluit is overgeheveld, hetgeen betekent dat de ontvangstklacht onder het zogeheten optimalisatiebeleid in behandeling wordt genomen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb) heeft bij uitspraak van 2 september 2010, LJN: BN6822, een eindoordeel over dit besluit gegeven.

Het CBb heeft in deze uitspraak overwogen dat niet staande kan worden gehouden dat verweerder zich bij de uitwerking van het reparatiebeleid niet in redelijkheid heeft kunnen beroepen op de in het convenant neergelegde afspraken. Dat verweerder bij de beoordeling van ontvangstklachten als gevolg van grootsignaalgedrag de ondergrens van 10 kW hanteert, acht het CBb als uitgangspunt voor de beoordeling van ontvangstklachten niet onjuist of onredelijk.

Voorts heeft het CBb beoordeeld of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een zodanig ontvangstprobleem in gedeelten van Breda, mede veroorzaakt door een gebrekkige veldsterkte of door de gehanteerde protectiemarge, dat de gevraagde steunzender door middel van een wijziging van de vergunning diende te worden toegekend. In dit kader heeft het CBb in rechtsoverweging 5 het volgende overwogen:

“Bij deze beoordeling geldt als uitgangspunt dat Radio 538 ter onderbouwing van ontvangstklacht 112 in eerste instantie heeft verwezen naar een rapportage van BP van maart 2006. Verweerder heeft gewezen op een door het AT zelfstandig uitgevoerd onderzoek naar storing als gevolg van grootsignaalgedrag in Breda. Daaruit zou naar voren zijn gekomen dat de kwaliteit van de ontvangst goed tot zeer goed is te noemen en dat van grootsignaalgedrag geen sprake is. Omdat de gegrondheid van de ontvangstklacht van aanvang af door het AT is betwist, heeft op 1 november 2007 een gezamenlijke meetsessie van het AT en BP plaatsgevonden waarbij onderzoek is gedaan naar de ontvangstmogelijk-heid van de zender Rotterdam 102.7 MHz in Breda. Uit de resultaten van deze meting blijkt dat op minimaal 95% van de meetlocaties een veldsterkte van ten minste 43,5 dBµV/m wordt gerealiseerd. Dit betekent dat de zerobase-planningsnorm ruimschoots wordt gehaald. Slechts op een zeer beperkt aantal locaties is de gemeten veldsterkte gering. Verder is uit een onderzoeksrapportage van het AT van december 2007 naar voren gekomen dat er evenmin een ontvangstprobleem is als gevolg van een te lage protectiemarge.

Op grond van deze onderzoeksresultaten is er in de visie van verweerder [..] sprake van een zeer beperkt ontvangstprobleem dat niet door middel van reparatie in de vorm van een steunzender dient te worden opgelost. Naar het oordeel van het College is de juistheid van deze conclusie door Radio 538 niet met op feiten gebaseerde argumenten. Het College ziet dan ook onvoldoende aanknopingspunten om de juistheid van het standpunt van verweerder in twijfel te trekken.”

Het CBb concludeert dat verweerder het verzoek om reparatie van de ontvangstklachten in Breda niet ten onrechte heeft afgewezen.

Bij het primaire besluit van 1 augustus 2008 heeft verweerder het in het kader van de optimalisatieprocedure ingediende verzoek van eiseres van 24 maart 2006 eveneens afgewezen omdat er geen sprake is van gegronde ontvangstklachten in Breda, waardoor het toewijzen van de steunzender Breda 102.1 MHz niet doelmatig wordt geacht.

2.3 Standpunten van partijen

2.3.1 Verweerder blijft bij zijn standpunt dat, tijdens de gezamenlijk door het AT en BP op

1 november 2007 te Breda gehouden meetsessie, op minimaal 95% van de meetpunten de veldsterkte ruimschoots boven de zerobase planningsnorm - die inhoudt dat volgens het theoretische model op 50% van de locaties de veldsterkte boven de 43,5 dBuV/m dient te liggen - uitkomt. In dit verband merkt verweerder op dat in de optimalisatie-aanvraag is aangegeven dat de plaats van storing “in en om Breda” is en dat de metingen van het AT hebben plaatsgevonden op de locatie waar volgens eiseres ontvangstproblemen zijn. Voorts wijst verweerder erop dat de subjectieve waarneming niet heeft plaatsgevonden met een hoogwaardige ontvanger, maar met een on-board autoradio in combinatie met een standaard auto-antenne. Anders dan BP gebruikt het AT een gewone consumentenradio en geen Audemat, omdat deze te onnauwkeurig is en door de luisteraars niet wordt gebruikt.

Verweerder stelt dat grootsignaalgedrag eerst relevant is te achten als de (storende) zender gelijk aan of groter is dan 10 kW, hetgeen hier niet aan de orde is.

2.3.2 Eiseres stelt zich op het standpunt dat het onderzoeksrapport van het AT van december 2007 onjuist en onvolledig is. Terwijl BP, na de gezamenlijke meting van BP en AT op

1 november 2007, tot ruim 60.000 momentele waarden komt, verstrekt het AT slechts 4189 gemiddelde waarden. Bovendien volgt uit het rapport van BP van 11 juni 2007 dat de ontvangstklachten worden veroorzaakt door een tekort aan veldsterkte van tenminste 6 dB en door een niet toereikende protectiemarge door storing van de zender Schoten. Gelet hierop deugt het onderzoeksrapport van het AT niet.

In dit kader merkt eiseres verder op dat het AT de problemen bagatelliseert door te concluderen dat de ontvangst (als er wordt uitgemiddeld) over het algemeen goed is. Naar de mening van eiseres kan het theoretische verzorgingsmodel niet zo worden uitgelegd dat als minimaal 50% van de gemeten punten voldoende signaal voor goede ontvangst heeft, daarmee feitelijke klachtgebieden kunnen worden weggepoetst. Het AT had slechts de plaatsen met ontvangstproblemen moeten opnemen en niet daarnaast de gebieden met goede ontvangst, want daar gaat de optimalisatieklacht niet over. Een haperende ontvangst op de ene plaats kan niet gecompenseerd worden door een signaaloverdracht elders.

Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat de ontvanger die door het AT werd gehanteerd kwalitatief veel beter is dan de gemiddelde autoradio waarover de luisteraar beschikt. Die ontvanger is zodoende niet representatief en had niet mogen worden gebruikt. De ontvangstproblemen vertalen zich in de praktijk naar de standaard autoradio en niet naar een topmodel, dat maar weinig mensen hebben. De argumenten van verweerder tegen het gebruik van de Audemat overtuigen niet omdat het AT de resultaten van de meting van BP wel zodanig voldoende zorgvuldig, representatief en betrouwbaar heeft geacht om deze aan zijn eigen rapport ten grondslag te leggen. De conclusies van verweerder zijn namelijk in meerderheid gestoeld op de meetgegevens van BP.

Eiseres is van mening dat vast staat dat er ontvangstklachten zijn, dat deze grotendeels veroorzaakt worden door een gebleken tekort aan veldsterkte en een tekortschietende protectiemarge op de betrokken locaties en dat daarnaast grootsignaalgedrag in beperkte mate verantwoordelijk is voor een deel van de ontvangstklachten. Dit zou (alleen) met de steunfrequentie, die geen nieuwe ontvangstklachten zou veroorzaken, kunnen worden opgelost. De eis dat de storende zender volgens de beleidsregels minstens 10kW moet bedragen, dient volgens eiseres wegens strijd met zowel een doelmatig frequentiegebruik als de zorgvuldigheid buiten beschouwing te worden gelaten. Tot slot wijst eiseres naar de oplossing van ontvangstklachten in Den Haag, waarbij vier steunzenders zijn toegekend, terwijl het hoogste vermogen van de storende zender maximaal 2 kW bedroeg.

2.4 Beoordeling

Het verzoek van eiseres strekt ertoe om, door middel van een wijziging van de eerder verleende vergunning voor het gebruik van de frequentieruimte 102.7 MHz, aan die vergunning een reparatiezender voor Breda met frequentie 102.1 MHz toe te voegen. Voor de beoordeling van een verzoek om wijziging van een vergunning geldt als toetsingskader artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Tw in verbinding met artikel 17 van het Fb. Dit houdt, voor zover hier van belang, in dat de gevraagde wijziging kan worden geweigerd wanneer een doelmatig gebruik van het frequentiespectrum dit vordert. Bij deze beoordeling beschikt verweerder over een niet geringe mate van beoordelings- en beleidsvrijheid, hetgeen betekent dat de wijze waarop verweerder het verzoek dat hier aan de orde is heeft beoordeeld, door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst.

Uit de toelichting bij de Beleidsregel optimalisatie commerciële FM-vergunningen (hierna: de Beleidsregel) blijkt dat het optimalisatiebeleid tot doel heeft om ontvangstklachten op te lossen die een gevolg zijn van het feit dat er na de ingebruikneming van de vergunningen een verschil is ontstaan tussen het berekende bereik en het daadwerkelijke bereik.

Gelet op de artikelen 6 en 7 van de Beleidsregel ligt ten aanzien van optimalisatie in beginsel een ander criterium en beoordelingskader voor dan bij reparatie. De rechtbank constateert echter dat de feiten die aan de beide door eiseres ter zake van frequentie 102.7 MHz ingediende verzoeken ten grondslag liggen, waaronder de door eiseres aangegeven ontvangstklachten en de daaraan verbonden meet- en onderzoeksrapporten, dezelfde zijn. Een groot aantal van de beroepsgronden die eiseres in de onderhavige optimalisatieprocedure heeft aangevoerd, waaronder de gronden die betrekking hebben op (de wijze waarop) het onderzoek van het AT (is uitgevoerd), en de daaruit getrokken conclusies is reeds in de reparatieprocedure aan de orde gekomen. Daarover heeft het CBb, als hoogste Nederlandse (bestuurs)rechter, in de eerder genoemde uitspraak van 2 september 2010 reeds een oordeel uitgesproken, zie hiervoor onder 2.2.

De in dit geschil aangevoerde grieven van eiseres omtrent de (wijze van) meting - waaronder die ten aanzien van het verschil van mening over het aantal door verweerder verstrekte waarden na de meting van 1 november 2007, de gebruikte instrumenten en het te onderzoeken gebied - zijn in die procedure bij het CBb aan de orde gesteld. In de door eiseres in de onderhavige optimalisatieprocedure (ten aanzien van de feiten) nader aangedragen argumenten ziet de rechtbank geen aanleiding daar thans anders over te oordelen.

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de kwaliteit van de ontvangers van het AT ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het AT daarbij (ten onrechte) van een bovengemiddelde autoradio gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het AT een representatieve gemiddelde ontvanger heeft gebruikt, overeenkomend met die welke in 2003 bij de zerobase planning zijn ingezet. Voorts is onbetwist door verweerder gesteld dat gebruik is gemaakt van dezelfde gekwalificeerde apparatuur als bij de metingen voor de publieke omroepen zijn gebruikt. Voor de meting van de veldsterkte heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gebruik mogen maken van deze meetapparatuur, die door de International Telecommunication Union (ITU) is genormeerd. Daarnaast merkt de rechtbank nog op dat de heer Holl namens verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij tijdens de gezamenlijke meting tevens subjectief heeft geluisterd in de auto van BP en dat hij daarbij geen onvoldoende ontvangstkwaliteit heeft kunnen vaststellen. De door BP bij de meting gebruikte Audemat is niet (als standaard) bij ITU genormeerd. Wat hiervan ook zij, ook uit de meetgegevens van deze Audemat volgt dat de zerobase-planningsnorm ruimschoots wordt gehaald. Zoals het CBb ook ten aanzien de reparatieprocedure heeft geoordeeld, vormt de zerobase-planningsnorm voor de optimalisatie het relevante toetsingskader.

Eiseres heeft aangevoerd dat (een deel van) de ontvangstklachten zijn oorzaak vindt in grootsignaalgedrag. In de Beleidsregel is opgenomen dat steunzenderfrequenties bij grootsignaalgedrag uitsluitend worden ingezet als het grootsignaalgedrag als gevolg van de storende zender gelijk of groter is dan 10 kW. Dit beleidsuitgangspunt acht de rechtbank niet onjuist of onredelijk. Hierbij is in aanmerking genomen dat een ondergrens niet kan worden gemist om te voorkomen dat er grote aantallen steunzenders worden ingezet, hetgeen weer tot andere storingen en ontvangstklachten kan leiden en daarmee niet in het belang van een doelmatig gebruik van frequentieruimte is aan te merken.

Eiseres heeft grootsignaalgedrag in haar aanvraag - anders dan bij haar reparatieverzoek - niet nadrukkelijk aan de orde gesteld. Eerst in beroep en met name ter zitting heeft eiseres gesteld dat zij in de gelegenheid gesteld had moeten worden haar aanvraag aan te passen, naar aanleiding van de door verweerder goedgekeurde verplaatsing van een opstelpunt van Sky Radio. Eiseres meent nader dat dit bij haar ontvangstproblemen als gevolg van grootsignaalgedrag veroorzaakt.

De rechtbank overweegt in dit verband dat het optimalisatiebeleid zich ten doel stelt om (ex tunc) de op het moment van de aanvraag bestaande klachten op te lossen. Daaruit volgt dat eventueel nadien (bijvoorbeeld als gevolg van reparatie- dan wel optimalisatiebesluiten) ondervonden ontvangstklachten niet door middel van een vervolgtraject in het kader van het optimalisatiebeleid aan de orde gesteld kunnen worden. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat er ten tijde van het optimalisatieverzoek van eiseres geen sprake was van een situatie waarbij een zender grootsignaalproblematiek, gelijk of groter dan 10 kW, veroorzaakte. Bovendien is ter zitting gebleken dat de huidige (toegenomen) ontvangstklachten van eiseres met name zien op een illegale zenderverplaatsing in Breda door Sky Radio. Gelet hierop vallen de thans door eiseres gestelde ontvangstklachten niet binnen het toepassingsbereik van de Beleidsregel.

Hoewel ook door het CBb is vastgesteld dat er ten aanzien van eiseres in en rondom Breda (met name achter hoge gebouwen) geen sprake is van een 100% ontvangst, staat vast dat het gerealiseerde bereik beter is dan de zerobase-planningsnorm. Om die reden ontbreekt dan ook de noodzaak om de in het kader van het optimalisatiebeleid aangevraagde steunzender te verlenen. Voor zover eiseres met haar verwijzing naar een situatie te Den Haag heeft bedoeld een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit betoog niet. Aangetoond noch aannemelijk is gemaakt dat er hier sprake is van gelijke gevallen, zoals is vereist voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank komt, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, tot de conclusie dat verweerder op goede gronden op grond van artikel 3.6, eerste lid, van de Tw het optimalisatieverzoek van eiseres voor een steunzender heeft afgewezen. Het beroep van eiseres is dan ook ongegrond.

2.5 Procedure 10/971

Volgens vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2003, LJN: AH9900, kan een belanghebbende bij de ter zake bevoegde rechter slechts opkomen tegen een besluit, indien hij bij het instellen van dat rechtsmiddel een rechtens relevant belang heeft.

Met deze procedure wenst eiseres te bereiken dat zij van verweerder alle meetgegevens verkrijgt die tijdens de gezamenlijke meetsessie van het AT en BP op 1 november 2007 door het AT zijn gegenereerd. Zowel in de eerder door eiseres gevoerde beroepsprocedure in het kader van haar reparatieverzoek als in het gevoegde geding 09/2772 (optimalisatie¬verzoek), zijn door verweerder op grond van artikel 8:42 van de Awb de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd. Dit impliceert dat op verweerder de plicht rustte alle in haar bezit zijnde relevante meetgegevens in te dienen. Nu de rechtbank ambtshalve na dient te gaan of aan deze plicht is voldaan en in de procedure 09/2772 niet om nadere stukken heeft verzocht en evenmin heeft geconstateerd dat er stukken ontbraken, ligt in de uitspraak in die procedure het oordeel besloten dat verweerder in dat geding alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingediend. Om die reden heeft eiseres geen belang bij een afzonderlijk oordeel in procedure 10/971. Het beroep dient, vanwege het ontbreken van een procesbelang, niet-ontvankelijk verklaard te worden.

2.6 Eindoordeel

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep van eiseres in het geding 09/2772 ongegrond dient te worden verklaard en haar beroep in het geding 10/971 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep in zaak 09/2772 ongegrond,

verklaart het beroep in zaak 10/971 niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. M. Schoneveld en mr. M.J.S. Korteweg-Wiers, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 16 juni 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: