Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ8157

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
AWB 09/4300 BESLU- T1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW4497, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

einduitspraak. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter plaatse onderzoek heeft laten verrichten door een deskundige. Die deskundige is tot de conclusie gekomen dat op basis van de beschikbare informatie er geen aanwijsbare factoren zijn die een eventuele toename van het aantal padden in de kas in verband brengen met de aanleg van de natuurvriendelijke oever. Door het treffen van fysieke maatregelen kan de overlast van padden ook voorkomen worden. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de door eiser ondervonden hinder van padden niet met zich brengt dat verweerder de vergunning had moeten weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/2900
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/4300 BESLU - T1

Uitspraak in het geding tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. L.J. van Pelt, van LTO Noord Advies te Haarlem,

en

het college van Dijkgraaf en Heemraden van het waterschap Hollandse Delta, gevestigd te Ridderkerk, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 3 november 2009 betreffende verlening van vergunning voor het aanleggen, hebben en onderhouden van natuurvriendelijke oevers langs hoofdwatergang [nummers] en de kavelsloten ter hoogte van de percelen [plaats] [nummers] nabij de [straatnaam] te [plaats].

Op 23 december 2010 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan, waarin verweerder in de gelegenheid is gesteld een in die tussenuitspraak geconstateerd gebrek te herstellen.

Bij brief van 9 maart 2011 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eiseres heeft hierop bij brief van 18 april 2011 gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

2 Overwegingen

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke (toegenomen) overlast van padden op het bedrijf van eiser als gevolg van de aanleg van de natuurvriendelijke oevers.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft verweerder onderzoek laten verrichten door het Bureau Waardenburg bv, namens welk bureau op 18 februari 2011 rapport is opgemaakt door drs. M.T. Collombon, onder supervisie van drs. G.F.J. Smit.

Het rapport bevat de volgende conclusies:

“De kassen en hun omgeving met sloten en ruderale terreintjes vormen een geschikte habitat voor padden. De aanwezigheid van padden is dan ook te verwachten op deze locatie, zowel in als om de kassen. Naar verwachting komt de soort van oudsher in de omgeving voor.

Er zijn geen redenen om aan te nemen dat aanleg van een natuurvriendelijke oever een toename in de paddenpopulatie tot gevolg heeft gehad. De natuurvriendelijke oever heeft geen directe meerwaarde voor gewone pad en de dieren hebben de natuurvriendelijke oever niet nodig om zich voort te planten. De natuurvriendelijke oever draagt er eerder aan bij, dat de padden zich van de kas af bewegen wanneer ze het water verlaten. De oever is hier

immers beter toegankelijk voor de dieren.

De steile, maar grazige oevers vormen geen barrière voor de jonge padden om het water te verlaten. Ook zonder natuurvriendelijke oevers kunnen de padden de kassen op het perceel van [naam] bereiken, bijvoorbeeld vanuit andere sloten rond het terrein zoals de voor padden geschikte spoorsloot.

Op basis van de beschikbare informatie zijn er geen aanwijsbare factoren die een eventuele toename van het aantal padden in de kas in verband brengen met de aanleg van de natuurvriendelijke oever.”

Voorts worden de volgende aanbevelingen gedaan:

“De overlast van padden kan worden voorkomen door de oeverstrook rondom de kas kaal te houden en de oevers van de sloten rondom de kas voor padden ongeschikt te maken door deze over de gehele lengte te voorzien van een beschoeiing. Eventueel kan worden overwogen om folie langs kaswand in te graven, op een zodanige wijze dat ook kleine padden zich niet de kas in kunnen begeven.”

Eiser heeft hier tegenover gesteld dat de conclusies haaks staan op hetgeen bekend is met betrekking tot de aanleg van natuurvriendelijke oevers. Eiser heeft dit standpunt onderbouwd met verwijzing naar de Algemene Regels Natuurvriendelijke Oevers, een artikel van Janco Mulder van de Werkgroep Amfibieën en Reptielen Fryslân, en een verklaring van een naburige teler, waarin staat vermeld dat deze teler de laatste 10 jaar geen toename van het aantal padden in zijn kas heeft waargenomen vanuit de spoorsloot en/of zijsloten.

De rechtbank stelt vast dat verweerder ter plaatse onderzoek heeft laten verrichten door een deskundige. De algemene regels en het artikel waarnaar eiser heeft verwezen, zijn niet toegespitst op de situatie van eiser. Uit de verklaring van de naburige teler valt voorts niet af te leiden in hoeverre het een vergelijkbare situatie betreft. Zo blijkt uit die verklaring niet of, en zo ja, in welke mate er sprake is van toegankelijkheid van padden bij het bedrijf van die teler.

De rechtbank voegt daaraan toe dat blijkens het rapport, door het treffen van fysieke maatregelen, de overlast van padden voorkomen kan worden.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de door eiser ondervonden hinder van padden niet met zich brengt dat verweerder de vergunning had moeten weigeren.

Gelet op hetgeen de rechtbank in haar tussenuitspraak van 23 december 2010 heeft overwogen, is eisers beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, doch kunnen de rechtsgevolgen van dat besluit in stand worden gelaten.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 1.092,50 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven,

bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 150,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50.

Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. J.D.M. Nouwen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 16 juni 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: