Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7612

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/ 4626 TELEC – T1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2014:215, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een brief met het oog op de verhindering van publicatie van een boetebesluit, in welke brief niet uitdrukkelijk medegedeeld wordt dat bezwaar wordt gemaakt tegen dat boetebesluit zelf, maar waarin dat besluit “evident onrechtmatig” wordt genoemd en waarin wordt vermeld dat men “alle rechtsmiddelen zal aanwenden” tegen dat besluit, is (mede) op te vatten als een bezwaarschrift tegen dat boetebesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/ 4626 TELEC – T1

Uitspraak in het geding tussen

SD&P Interactive B.V., gevestigd te Breda, eiseres,

gemachtigden mr. J.A.J. Hooymayers, advocaat te Breda en

mr. G.A. van der Veen, advocaat te Rotterdam,

en

het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Verweerder heeft bij besluit van 28 april 2010 (hierna: het boetebesluit) eiseres een boete opgelegd wegens overtredingen van de artikelen 11.7, eerste lid, en 11.7, derde lid, aanhef en onder b, van de Telecommunicatiewet (hierna: Tw).

Verweerder heeft ten aanzien van een voorgenomen publicatie van het boetebesluit eiseres per brief van 28 april 2010 verzocht om aan te geven welke informatie zij als vertrouwelijk in de zin van artikel 10 Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) beschouwt.

Aan dit verzoek heeft eiseres per brief van 7 mei 2010 gehoor gegeven.

Bij brief van 21 juni 2010 heeft eiseres verweerder desgevraagd bericht dat de brief van eiseres van 7 mei 2010 (tevens) opgevat dient te worden als een bezwaarschrift tegen het boetebesluit van 28 april 2010.

Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen het besluit van 6 oktober 2010 heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2011. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Veen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H. la Roi, mr. R. Rodenrijs en mr. D.P. de Haan.

2 Overwegingen

Artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

Artikel 6:5 van de Awb bevat de eisen waaraan een bezwaarschrift moet voldoen.

Ingevolge artikel 6:6, van de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5, van de Awb of enig ander bij de wet gestelde eisen voor het in behandeling nemen daarvan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:7, van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Verweerder betoogt dat eiseres tegen het boetebesluit geen bezwaarschrift heeft ingediend en dat de gemachtigde van eiseres eenvoudigweg is vergeten tijdig bezwaar te maken. Pas nadat verweerder eiseres er op wees dat er bij verweerder geen bezwaarschrift tegen het boetebesluit was ingekomen, kwam er een reactie van eiseres. Volgens verweerder maakt de brief van 7 mei 2010 deel uit van de procedure tot openbaarmaking van het betreffende boetebesluit. Van een (summiere) aanduiding van de gronden voor haar bezwaar tegen het boetebesluit is naar de mening van verweerder in de brief van 7 mei 2010 geen sprake.

Eiseres heeft in de brief van 7 mei 2010 gesteld dat het boetebesluit evident onrechtmatig is, en dat zij daartegen dan ook alle rechtsmiddelen zal aanwenden. Volgens verweerder heeft eiseres met deze bewoordingen hoogstens willen aankondigen voornemens te zijn rechtsmiddelen in te stellen tegen het boetebesluit. De brief van 7 mei 2010 kan, gelet op de inhoud daarvan, naar de mening van verweerder niet als bezwaarschrift worden aangemerkt.

Eiseres is van mening dat de brief van 7 mei 2010 (ook) opgevat kan worden als een bezwaarschrift tegen het boetebesluit van 28 april 2010.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de brief van 7 mei 2010 blijkt onmiskenbaar dat eiseres zich niet kon verenigen met het besluit van 28 april 2010. De bewoordingen “evident onrechtmatig” en “alle rechtsmiddelen zal aanwenden” laten daar geen twijfel over bestaan. Dat in de brief van 7 mei 2010 niet uitdrukkelijk is vermeld dat (ook) bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit van 28 april 2010, kan hier niet aan afdoen. Gelet hierop kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres tijdig schriftelijk bezwaar heeft gemaakt - en aldus tijdig een bezwaarschrift in de zin van artikel 6:5 van de Awb heeft ingediend - tegen het besluit van 28 april 2010. Dat in het bezwaarschrift nog geen gronden waren opgenomen, doet daar, gelet op het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb, niet aan af.

Verweerder heeft eiseres dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

Het beroep is gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 874,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het besluit van 6 oktober 2010,

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-,

bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 298,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.H. de Wildt, rechter in tegenwoordigheid van R.P. Evegaars, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op: 9 juni 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: