Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7566

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-03-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
312370 - HA ZA 08-1913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis; schadevordering van een TBS-gestelde tegen de TBS-kliniek naar aanleiding van een ten onrechte ingetrokken proefverlof. Relativiteitsverweer is te laat in de procedure naar voren gebracht, zodat aan dit verweer wegens strijd met de goede procesorde voorbij zal worden gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 312370 / HAZA 08-1913

Vonnis van 30 maart 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. K.B. Larooij

tegen

de stichting

DE KIJVELANDEN, INSTELLING VOOR FORENSISCHE PSYCHIATRIE,

gevestigd te Poortugaal,

gedaagde,

advocaat mr. P.J.C. van Gog.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Kijvelanden genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 maart 2010, alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- nadere conclusie zijdens [eiser], met producties;

- antwoordconclusie na tussenvonnis, met producties.

Tenslotte is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

Het betreft hier een schadevordering van een TBS-gestelde tegen de TBS-kliniek naar aanleiding van een ten onrechte ingetrokken proefverlof. In het tussenvonnis was, nadat de ontvankelijkheidsverweren waren verworpen, geoordeeld dat de Kijvelanden (in beginsel) onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en waren partijen conform de ter comparitie gemaakte afspraken in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over, kort gezegd, de mogelijke aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond, en aard en omvang van de schade.

2.2

Uit het slot van art. 6:162 lid 2 BW vloeit voort dat het bestaan van een rechtvaardigingsgrond meebrengt dat een bepaald handelen, hoewel op zichzelf in beginsel als onrechtmatig aan te merken, in het concrete geval (toch) niet onrechtmatig is. Het oordeel in 5.22 van het tussenvonnis moet zo worden begrepen dat het intrekken van het proefverlof in beginsel onrechtmatig was.

De discussie rond de rechtvaardigingsgrond spitst zich toe op de vraag of de directeur, hoewel hij het proefverlof niet had mogen intrekken wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden, dat, gegeven de situatie, dat wel had mogen doen op grond van de, in de stukken als "de algemene voorwaarde" aangeduide bepaling van art. 50 lid 3 Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna BvT). Deze bepaling houdt in dat het hoofd van de inrichting het proefverlof kan intrekken "indien dit noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de terbeschikkinggestelde voor de veiligheid van anderen dan de terbeschikkinggestelde of de algemene veiligheid van personen of goederen".

Overigens merkt de rechtbank op dat de Kijvelanden ook nog melding maakt van de algemene voorwaarde dat de betrokkene zich niet aan enig misdrijf mag schuldig maken, maar de rechtbank gaat er, bij gebreke van enig aanknopingspunt dat aanwijzingen voor een misdrijf bestonden dat verband hield met de intrekking, van uit dat de Kijvelanden daaraan geen conclusies verbindt.

2.3.1

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank aan toetsing op dit punt niet kan toekomen omdat de beklagcommissie en de RSJ hierover al geoordeeld hebben. Subsidiair meent hij, dat als aangenomen moet worden dat deze instanties daarover niet geoordeeld hebben, dat is te wijten aan de omstandigheid dat de Kijvelanden zich in de beklag- en beroepsprocedure nimmer expliciet op deze rechtvaardigingsgrond heeft beroepen; het is dan aan de Kijvelanden te (ver)wijten dat daarover geen oordeel is gegeven en het is in strijd met de goede procesorde dat de Kijvelanden zich nu, in dit geding, alsnog op die rechtvaardigingsgrond beroept.

Meer subsidiair meent [eiser] dat de Kijvelanden haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Zij onderbouwt niet dat en waarom zij als vast staand beschouwt dat [eiser] niet in staat was zelfstandig te leven en te wonen en dat hij zijn verplichtingen niet nakwam. Bovendien, zelfs als dat zo was, dan volgt daaruit nog niet dat intrekking van het proefverlof geboden geweest zou zijn uit een oogpunt van bescherming van de veiligheid van personen of goederen.

2.3.2

De Kijvelanden wijst erop, dat [eiser], gelet op het systeem van de wet en de artikelen 50 en 51 Bvt, geen recht had op proefverlof, het betreft een discretionaire bevoegdheid. De Kijvelanden is dan ook niet aansprakelijk jegens [eiser] doordat zij geen inbreuk heeft gemaakt op zijn wettelijk recht toen zij het proefverlof introk.

Voor wat betreft de rechtvaardiging wijst de Kijvelanden erop, dat [eiser] achterstallig was met betalen, zichzelf (met name op het punt van medicijngebruik) en zijn leefomgeving verwaarloosde en met name verontrustend gewelddadig en pornografisch materiaal bleek te bezitten. De Kijvelanden moest, gegeven de veroordeling van [eiser] en haar verantwoordelijkheid tegenover de samenleving, ingrijpen en het resocialisatietraject en de behandeling heroverwegen. In die zin kon en mocht de directeur beslissen het proefverlof in te trekken omdat dat met het oog op de veiligheid van personen en zaken noodzakelijk was; hij was daartoe op grond van de wet ook gehouden. Ook uit de beslissingen omtrent de (verlengingen van de) tbs blijkt, dat eerst op 1 april 2010 het delictgevaar tot een acceptabel niveau was teruggebracht.

Dit is in de beklag- en beroepsprocedure, waarin [eiser] werd bijgestaan door een advocaat, voldoende duidelijk aan de orde geweest.

Voorts is van belang dat [eiser] weigerde mee te werken aan resocialisatie, aanvullende behandeling en diagnostiek. Daarom kon geen nieuw behandelplan worden opgesteld en ook geen nieuwe machtiging voor proefverlof worden aangevraagd; dat heeft [eiser] zelf ook toegegeven. Het is dus, in de zin van art. 6:101 BW, aan [eiser] toe te rekenen dat hij in de kliniek is moeten blijven en wel in zodanige mate dat de schadevergoedingsplicht geheel vervalt.

2.4.1

In het tussenvonnis was reeds, impliciet, beslist dat de rechtbank van oordeel was dat het aspect van de rechtvaardigingsgrond door deze rechtbank beoordeeld moet worden; dat is in de beklag- en beroepsprocedure niet (voldoende) aan de orde geweest. Dat hangt samen met de aard van die procedure, waarin slechts voorlag of de genomen beslissing met de bijbehorende motivering in stand kon blijven of niet. De rechtbank ziet in hetgeen thans nog is aangevoerd geen aanleiding om op die beslissing terug te komen.

Voorts valt evenmin in te zien waarom de Kijvelanden dit argument niet thans, in deze procedure, voor het eerst zou mogen bezigen; pas in deze procedure - die ziet op schadevergoeding uit onrechtmatige daad - is daar immers aanleiding toe. Van strijd met de goede procesorde is geen sprake.

2.4.2

Juist is, dat de Kijvelanden tot aan haar laatste conclusie haar standpunt onvoldoende feitelijk had onderbouwd; zij had daartoe echter, gegeven het tussenvonnis, in die laatste conclusie nog de gelegenheid. Nu de Kijvelanden die nadere onderbouwing inmiddels wel heeft gegeven maar [eiser] daarop nog niet heeft kunnen reageren zal de zaak naar de rol worden verwezen om hem daartoe in de gelegenheid te stellen.

2.5

De Kijvelanden heeft zich, in haar laatste conclusie voor het eerst, op het standpunt gesteld dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming van schade als door [eiser] aangegeven, zodat art. 6:163 BW meebrengt dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat.

De goede procesorde staat eraan in de weg dat de Kijvelanden dit argument in dit stadium van de procedure voor het eerst hanteert, zodat dit buiten beschouwing wordt gelaten. Geheel ten overvloede wijst de rechtbank erop, dat het enkele (op zich juiste) gegeven dat de (intrekking van) proefverlof met name de maatschappelijke veiligheid beoogt te beschermen niet de kern van de zaak raakt. De norm die in dit geval geschonden is, is immers een andere, te weten dat een intrekking van een proefverlof niet gebaseerd mag zijn op onjuiste gronden.

2.6.1

Voor wat betreft aard en omvang van de schade stelt [eiser] dat de onrechtmatige daad ertoe heeft geleid dat hij ongeveer drie-en-een half jaar (de periode tussen de beslissing tot intrekken op 7 november 2006 en 1 april 2010) heeft vastgezeten, hetgeen een ernstige inbreuk op zijn integriteit betekent en tot psychische schade heeft geleid en voorts zijn bewegingsvrijheid onrechtmatig heeft beperkt.

De immateriële schade die daaruit voortvloeit begroot hij, analoog aan de berekeningswijze bij ten onrechte ondergane hechtenis (art. 89 Sr) over de periode van 7 december (de rechtbank leest dit als een verschrijving voor november) 2006 tot aan 29 april 2009, de datum van de voorwaardelijke beëindiging van (de opgelegde verpleging bij) de TBS. Dat volgens de minister het proefverlof van rechtswege is geëindigd op 16 mei 2007 doet niet ter zake, nu dat een gevolg is van het onrechtmatig nalaten van de Kijvelanden om een evaluatie te verzorgen.

Voor wat betreft de materiële schade stelt [eiser] dat deze gelijk is aan de waarde van de inboedel, die hij heeft moeten opgeven omdat hij opslag niet kon betalen als gevolg van de intrekking van het proefverlof en daarmee het verlies van zijn baan en arbeidsinkomsten. Van eigen schuld in dat opzicht is geen sprake, aldus [eiser].

2.6.2

De Kijvelanden stelt daartegenover dat ook tijdens proefverlof de verpleging van overheidswege met de bijbehorende vrijheidsbeperking voortduurt, zodat deze wegens een wettelijke basis niet onrechtmatig kan zijn geweest en dus ook voor aansluiting bij art. 89 Sr geen grond bestaat. Van schending van eer en goede naam is geen sprake, althans deze is zonder belang omdat zij voortvloeit uit de veroordeling waarbij tbs is opgelegd.

Voor wat betreft de periode geldt dat na de beslissing van de beklagcommissie, op grond waarvan de Kijvelanden een nieuwe beslissing diende te nemen over het proefverlof, onduidelijk was of de ministeriële machtiging nog geldig was. Toen zijdens de minister werd medegedeeld dat de machtiging was verlopen omdat art. 54 lid 3 Reglement verpleging ter beschikking gestelden (hierna: RvT) meebrengt dat een machtiging als hier aan de orde van rechtswege vervalt, kon het proefverlof alleen voortduren, als opnieuw proefverlof zou zijn aangevraagd, maar daartoe was een proefverlofplan nodig dat niet kon worden opgesteld omdat [eiser] daaraan niet wilde meewerken. Dit valt de Kijvelanden niet te verwijten. De Kijvelanden is verplicht het proefverlof in te trekken als de machtiging vervallen is

Art. 53 lid 2 RvT is niet van toepassing. Dat betekent, dat de periode waarover schadevergoeding kan worden berekend hoogstens tot 16 mei 2007 subsidiair 29 april 2009, toen [eiser] de kliniek heeft verlaten, geduurd kan hebben.

Voor de materiële schade is de Kijvelanden hoe dan ook niet aansprakelijk. [eiser] heeft zelf afstand gedaan van een aantal goederen, hoewel hem de mogelijkheid geboden is de inboedel elders onder te brengen; in zoverre heeft hij zelf schuld aan de schade. In elk geval heeft [eiser] geen enkele poging gedaan om de schade te beperken. Voorts is de schade onvoldoende onderbouwd.

2.7.1

De rechtbank oordeelt als volgt.

Voor wat betreft de immateriële schade geldt, dat ingevolge art. 6:95 BW alleen ruimte bestaat voor toekenning van vergoeding als de wet daarin voorziet. Voor zover [eiser] heeft bedoeld zich rechtstreeks te beroepen op art. 89 Sr kan dat hem niet baten, omdat het daar voorziene geval hier niet aan de orde is. Er bestaat immers op zich een rechtsgeldige titel voor vrijheidsbeneming (althans vrijheidsbeperking) in de vorm van het oorspronkelijke vonnis waarbij [eiser] werd veroordeeld tot gevangenisstraf en TBS met verpleging en de daarop volgende verlengingsbeslissingen. Deze bepaling is dus alleen analoog, voor zover het gaat om de hoogte van een eventueel, naar billijkheid, vast te stellen vergoeding, mogelijk van belang.

Ook de schending van eer en goede naam, bedoeld in art. 6:106, lid 1 onder b BW, is hier niet aan de orde. Bij gebreke van een behoorlijke onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de onterechte intrekking van het proefverlof schade aan de eer en goede naam van [eiser] heeft opgeleverd; dergelijke schade zal veeleer het gevolg zijn van (de veroordeling voor) het oorspronkelijke delict.

2.7.2

De rechtbank is echter, met [eiser], van oordeel dat wel sprake is van aantasting in de persoon, zodat art. 6:106 lid 1 onder b BW de vereiste wettelijke basis biedt. De intrekking leidde er toe dat de tijdens het proefverlof aanzienlijke bewegingsvrijheid van [eiser] zeer sterk werd beperkt. Vast staat immers, dat hij voor de intrekking zelfstandig woonde en werkte, zij het onder toezicht, en dat hij na en als gevolg van de intrekking terug moest naar de kliniek en daar werd ingesloten, zonder dat hem enige verlofmodaliteit werd geboden. Dat, op zich, de tbs met verpleging voor die vrijheidsbeneming een wettelijke basis bood doet aan het feit van de vrijheids- en bewegingsbeperking niet af. Het gaat erom, dat de Kijvelanden hem aanvankelijk, gedurende de tbs met verpleging en met inachtneming van de wettelijke kaders, een veel ruimere bewegingsvrijheid had geboden die zij hem vervolgens heeft afgenomen.

Indien, na de nadere uitlatingen, geen rechtvaardigingsgrond komt vast te staan acht de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid een vergoeding per dag van de helft van de destijds gebruikelijke vergoeding in het kader van art. 89 Sr (van € 70,= per dag) billijk, omdat het niet gaat om vrijheidsbeneming maar vrijheidsbeperking.

Voor wat betreft de periode zal [eiser] nog mogen reageren op de nadere stellingen van de Kijvelanden op dat punt. Naar het zich laat aanzien zal, als er grond is voor een vergoeding, deze in elk geval de periode 6 november 2006 tot 27 mei 2007 beslaan, nu uit de stellingen en de stukken is op te maken dat beide partijen het er uiteindelijk over eens zijn dat de machtiging tot laatstgenoemde datum gold, en vervolgens mogelijk nog de periode tot 29 april 2009, omdat [eiser] toen uit de kliniek is vertrokken. Tegen de impliciete eiswijziging op dat punt -ten tijde van de dagvaarding had [eiser] de kliniek nog niet verlaten- is door de Kijvelanden geen bezwaar gemaakt.

In verband met deze looptijd is van belang of [eiser] inderdaad geweigerd heeft mee te werken aan een plan. Met de Kijvelanden is de rechtbank van oordeel dat in de gegeven situatie niet art. 52 lid 3, maar art. 54 Rvt toepasselijk was. Niet in te zien valt, gelet op het wettelijk kader, dat de Kijvelanden zonder een behandelplan een nieuwe machtiging zou hebben kunnen verkrijgen. Ook op dit punt mag [eiser] nog reageren op de nader toegelichte stellingen van de Kijvelanden.

2.7.3

In het kader van de nadere reactie kan [eiser] ook reageren op hetgeen de Kijvelanden nog heeft aangevoerd aangaande de materiële schade, nu ook op dat punt ten dele nieuwe stellingen zijn ingenomen.

2.8

In afwachting van de nadere uitlatingen houdt de rechtbank elke verdere beslissing aan.

De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van 18 mei 2011 voor uitlatingen als bedoeld in 2.4.2, 2.7.1, 2.7.2 en 2.7.3.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2011.

106/204