Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7565

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
365665 / HA ZA 10-3212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot stellen zekerheid. Artikel 477a lid 2 derde volzin Rv bepaalt dat de rechter op verlangen van de derde-beslagene, te uiten voor alle weren, kan bepalen dat de executant, op straffe van

niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld. Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat de derde die enerzijds aan zijn verklaring moet voldoen en anderzijds naar aanleiding van de betwisting van die verklaring of de geëiste aanvulling daarvan moet procederen met onverhaalbare proceskosten blijft zitten. Incidentele vordering toegewezen, zij het dat de rechtbank aanleiding ziet een andere wijze van zekerheidsstelling te bepalen dan de voorgestelde wijze, die niet voldoet aan art. 6:51 BW. Bankgarantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 365665 / HA ZA 10-3212

Vonnis in incident van 9 maart 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAS- MONTAGE- EN CONSTRUCTIEBEDRIJF ZUID-WEST NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Hoogerheide,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUTCH BIODIESEL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. B.Th. van Schouwenburg.

Partijen zullen hierna "LMC" en "DBD" genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten;

- de incidentele conclusie van antwoord.

Voorts is vonnis bepaald in het incident.

De beoordeling in het incident

DBD vordert dat LMC zekerheid dient te stellen voor de door DBD te maken proceskosten, op straffe van niet-ontvankelijkheid van LMC in de hoofdzaak en met veroordeling van LMC in de kosten van het incident.

2.2 LMC heeft de vordering gemotiveerd weersproken.

2.3 Artikel 477a lid 2 derde volzin Rv bepaalt dat de rechter op verlangen van de derde-beslagene, te uiten voor alle weren, kan bepalen dat de executant, op straffe van

niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld. Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat de derde die enerzijds aan zijn verklaring moet voldoen en anderzijds naar aanleiding van de betwisting van die verklaring of de geëiste aanvulling daarvan moet procederen met onverhaalbare proceskosten blijft zitten.

2.4 Gelet op dit doel ziet de rechtbank in beginsel aanleiding van de hier bedoelde bevoegdheid gebruik te maken en dus te bepalen dat LMC gehouden is zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden.

2.5 Het verweer van LMC dat haar eigen vermogen niet negatief is, is op zichzelf niet voldoende om hierover anders te oordelen. Slechts in het uitzonderlijke geval dat ondenkbaar en niet aannemelijk is dat een executant proceskosten niet zal betalen, kan hier anders over worden geoordeeld. Dat het eigen vermogen niet negatief is, is hiertoe niet voldoende.

2.6 Ook het standpunt dat aan DBD zelf is te wijten dat een verklaringsprocedure wordt gevoerd, kan LMC niet baten. Of de door DBD afgelegde verklaringen onjuist, danwel onvolledig zijn zal onderwerp zijn van het geschil in hoofdzaak en staat op voorhand niet vast. LMC heeft haar stellingen ten aanzien hiervan onvoldoende onderbouwd om in dit incident te oordelen dat zij om deze reden niet verplicht is tot het stellen van proceskostenzekerheid.

2.7 Op grond van het bovenstaande zal de incidentele vordering worden toegewezen.

2.8 Ten aanzien van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld, geldt dat het door DBD genoemde bedrag van

€ 25.000,-- door haar niet wordt onderbouwd. De rechtbank gaat uit van een procesverloop zonder complicaties en ziet aanleiding het bedrag vast te stellen op € 5.000,--, zoals door LMC subsidiair bepleit. Daarbij wordt overwogen dat DBD indien aan de orde om een aanvullende zekerheidstelling kan verzoeken.

2.9 Voor de wijze waarop de zekerheidstelling dient te geschieden, moet aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in artikel 51 van boek 6 BW. In ieder geval is van belang dat DBD zonder moeite verhaal zal kunnen nemen op de aangeboden zekerheid. Nu niet vaststaat dat de door LMC voorgestelde wijze van zekerheidstelling - overmaking van het bedrag op een derdengeldrekening van het kantoor van de raadsman van LMC - voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten, ziet de rechtbank aanleiding een andere wijze van zekerheidstelling te bepalen. LMC zal worden bevolen zekerheid te stellen door het afgeven van een bankgarantie, zoals nader bepaald in het dictum.

2.10 De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld op vier weken na de uitspraak.

2.11 De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

De beslissing

De rechtbank

in het incident

beveelt dat LMC zekerheid stelt voor een bedrag van € 5.000,00 ter zake van proceskosten waarin zij veroordeeld kan worden;

3.2 bepaalt dat LMC deze zekerheid dient te stellen door middel van afgifte aan DBD van een bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank volgens het Rotterdams garantieformulier in de meest recente versie, dan wel het model van de Nederlandse Vereniging van Banken in de meest recente versie;

3.3 bepaalt dat de zekerheid op voornoemde wijze moet zijn gesteld binnen een termijn van vier weken na deze uitspraak op straffe van niet-ontvankelijkheid van LMC in de hoofdzaak;

3.4 verwijst de zaak naar de rol van woensdag 4 mei 2011 voor het nemen van een akte door DBD teneinde zich uit te laten over de vraag of vorenbedoelde zekerheid daadwerkelijk is gesteld en zo ja, tevens te concluderen voor antwoord in de hoofdzaak;

3.5 reserveert de uitspraak over de kosten tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 4 mei 2011 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1634/1980