Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ7057

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
361619 - HA ZA 10-2611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade als gevolg van beet door hond in gezicht van vierjarig jongentje. Smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 361619 / HA ZA 10-2611

Vonnis van 27 april 2011

in de zaak van

[eiserers], als wettelijk vertegenwoordiger van [persoon 1],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. E.E. Nauta-Rijsdijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.W. Grijseels.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 december 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 21 februari 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 5 augustus 2006 is de zoon van [eiseres], [persoon 1] ([persoon 1]) op de galerij van de flat aan de [straat] te [woonplaats] in het gezicht en in de arm gebeten door (één van) de hond(en) van [gedaagde], type pitbull terriër. Het gezicht van [persoon 1] heeft enige tijd in de bek van de hond vastgezeten. [persoon 1] was destijds vier jaar oud. Na hulpgeroep van [eiseres] heeft [gedaagde] het gezicht van [persoon 1] uit de bek van de hond bevrijd.

2.2. [persoon 1] heeft door de beet van de hond vele bijtwonden in het gezicht opgelopen. Hij is twee dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest en door een plastisch chirurg geopereerd. [persoon 1] heeft desondanks als gevolg van de bijtwonden littekens in zijn gezicht behouden.

2.3. De hond van [gedaagde] is door politie in beslag genomen en gedood.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 10.465,50, vermeerderd met rente en kosten, waar¬onder nakosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de proceskosten.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Niet in geschil is dat [gedaagde] als bezitter van de hond aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade als bedoeld in artikel 6:179 Burgerlijk Wetboek (BW). [gedaagde] heeft alleen een deel van de omvang van de schade betwist.

4.2. [eiseres] vordert de volgende schadeposten:

- kosten i.v.m. opname ziekenhuis EUR 50,00

- reiskosten EUR 150,00

- eigen bijdrage Raad voor Rechtsbijstand EUR 100,00

- kosten uittreksel EUR 25,00

- kosten medische informatie EUR 75,00

- griffierecht EUR 78,50

- immateriële schade EUR 10.000,00

[gedaagde] heeft de hoogte van de immateriële schade betwist, als ook de gevorderde reiskosten. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft hij de verschuldigdheid van de overige schadeposten erkend.

4.3. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 150,00 aan reiskosten. Zij stelt daartoe dat zij gedurende de periode dat [persoon 1] in het ziekenhuis heeft gelegen hem twee maal per dag heeft bezocht, in totaal vijf maal, en dat zij daarvoor gebruik heeft gemaakt van het vervoer door een taxi à EUR 30,00. Zij stelt voorts dat zij zelf ook door de hond van [gedaagde] was gebeten, dat zij daardoor beenletsel had opgelopen en dat zij daarom geen gebruik kon maken van openbaar vervoer.

4.4. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij verplicht is de reiskosten van [eiseres] op grond van artikel 6:107 Burgerlijk Wetboek te vergoeden. Evenmin heeft hij betwist dat [eiseres] zelf ook door de hond is gebeten en dat zij in totaal EUR 150,00 aan taxikosten heeft betaald. [gedaagde] heeft alleen de noodzaak van het vervoer door middel van een taxi betwist. Hij meent dat [eiseres] met het openbaar vervoer naar het ziekenhuis had kunnen reizen.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat van [eiseres] in dit geval, nu zij zelf ook door de hond was gebeten en daardoor beenletsel had opgelopen, niet verwacht behoefde te worden dat zij gebruik zou maken van het openbaar vervoer. De gevorderde taxikosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking.

4.6. [eiseres] vordert een bedrag van EUR 10.000,00 aan immateriële schade. [gedaagde] meent dat een lager bedrag aan immateriële schade toewijsbaar is. Hij wijst erop dat in vergelijkbare gevallen door verschillende rechtbanken bedragen tussen EUR 1.090,00 en EUR 4.500,00 zijn toegekend. Hij meent voorts dat de vordering om twee redenen verder moet worden gematigd. Enerzijds omdat nog geen sprake is van een medische eindsituatie en het zeer wel mogelijk is dat de nadere operatie na het 18de levensjaar van [persoon 1] de rest¬schade aanzienlijk wordt beperkt en van psychische schade niet is gebleken. Anderzijds doet [gedaagde] een beroep op matiging in verband met zijn zorgelijke inkomenspositie.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat smartengeld een naar billijkheid vast te stellen vergoeding vormt voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de aard en de ernst van het letsel, de restgevolgen en de impact van deze gevolgen op het leven van de betrokkene. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij dient de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding in aanmerking te worden genomen. Het smartengeld pleegt te worden begroot per datum schadeveroorzakende gebeurtenis en wordt dan vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum tot de datum waarop het smartengeld wordt betaald.

4.8. De rechtbank houdt in dit geval rekening met de volgende omstandigheden. De hond die [persoon 1] heeft gebeten betrof een pitbull terriër. Niet in geschil is dat het indertijd verboden was een hond van dat type te bezitten. Vast staat dat de hond het gezicht van [persoon 1] enige tijd in zijn bek heeft vastgehouden en dat hij pas na hulpgeroep van [eiseres] door [gedaagde] uit de bek van de hond is bevrijd. Dit is voor [persoon 1] onmiskenbaar een zeer traumatische ervaring geweest. Voorts staat vast dat [persoon 1] twee dagen met ernstige beet¬wonden in het ziekenhuis is opgenomen geweest en dat hij door een plastisch chirurg is geopereerd. Vast staat ook dat [persoon 1] littekens in het gezicht heeft behouden en dat hij niet eerder dan na zijn achttiende levensjaar nogmaals door een plastisch chirurg geopereerd zal kunnen worden. Onzeker is in hoeverre die latere ingreep de littekens zal doen verdwijnen. In ieder geval gedurende nagenoeg zijn gehele jeugd (waaronder de puberteit) wordt [persoon 1] geconfronteerd met de zichtbare gevolgen van de beet. Van de zijde van [eiseres] is ter zitting verklaard dat [persoon 1] een kwetsbaar jongentje is dat gepest wordt met de littekens die hij aan de beet heeft overgehouden.

4.9. Op grond van deze omstandigheden, mede in aanmerking nemend de smartengeld¬vergoedingen die in de rechtspraak in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zal de recht¬bank de immateriële schade van [persoon 1] naar redelijkheid begroten op een bedrag van EUR 7.000,00 per 5 augustus 2006. Voorts houdt de rechtbank bij bepaling van het smarten¬geldbedrag enerzijds rekening met geluiden uit de literatuur en de schaderegelingpraktijk dat de smartengeldvergoedingen in Nederland wel iets hoger zouden mogen zijn, maar anderzijds ook met de wenselijkheid om te blijven streven naar rechtsgelijkheid en een bepaalde mate van voorspelbaarheid van de beslissingen hieromtrent.

4.10. Gelet op de aard van de schade en aansprakelijkheid – ernstig gezichtletsel bij een vierjarig jongentje, toegebracht door een hond, waarvan het indertijd verboden was die te bezitten en waarvoor [gedaagde] als bezitter aansprakelijk is – ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoeding te matigen. De inkomenspositie van [gedaagde] en de omstandigheid dat hij zich niet tegen wettelijke aansprakelijkheid had verzekerd leggen daarvoor onvoldoende gewicht in de schaal.

4.11. Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiseres] toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 7.300,00 (EUR 7.000,00 immateriële schade, EUR 50,00 kosten in verband met ziekenhuisopname, EUR 150,00 reiskosten, EUR 25,00 kosten uittreksel en EUR 75,00 kosten opvragen medische informatie.) Voor een afzonderlijke vergoeding van de eigen bijdrage Raad voor de Rechtsbijstand ad EUR 100,00 is geen plaats. Deze bijdrage wordt geacht verdisconteerd te zijn in de proceskostenveroordeling. De wettelijke rente is als niet weersproken toewijs¬baar vanaf 5 augustus 2006.

4.12. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding EUR 94,93

- betaald griffierecht 78,50

- in debet gesteld griffierecht 235,50

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.176,93.

De nakosten zullen (voorwaardelijk) worden toegewezen als hierna vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 7.300,00 (zevenduizend driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 5 augustus 2006 tot aan de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.176,93, waarvan EUR 1.098,43 moet worden voldaan aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.688 ten name van MvJ Arrondissements¬rechtbank Rotterdam (545) onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer, en EUR 78,50 aan de advocaat van [eiseres],

5.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van EUR 131,00 aan nakosten, verhoogd met EUR 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.

336/1729