Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ6265

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
27-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/3966 WET-T2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeval. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is overtreden. Verweerder was bevoegd een boete aan eiseres op te leggen.

Op basis van hetgeen eiseres terzake heeft aangevoerd valt niet in te zien dat haar geen enkel verwijt valt te maken met betrekking tot het ongeval of dat zich een omstandigheid voordoet die zou moeten leiden tot verlaging van het normbedrag van de boete.

Bij bepaling van de hoogte van de boete is verweerder van het juiste aantal werknemers uitgegaan. Uit het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Arbowet volgt dat een stagiair of ingeleende werknemer onder het werknemerbegrip valt. Niet valt in te zien dat in de Beleidsregels een ander of een meer feitelijk werknemerbegrip wordt gehanteerd dan de Arbeidsomstandighedenwet waarop zij gebaseerd zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/3966 WET-T2

Uitspraak in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, gemachtigde mr. H.A. Meindersma,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 2 september 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 27 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder eiseres krachtens artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) een boete opgelegd van € 5.400,--.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, [A] en [B], extern adviseur P&O. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.E. van Heijningen.

2 Overwegingen

2.1 Op 23 februari 2010 heeft in een leslokaal van het College [naam college] te [vestigingsplaats college] een arbeidsongeval plaatsgevonden waarbij een werknemer van eiseres, [naam werknemer] (hierna: de werknemer), gewond is geraakt, doordat de ladder waarop hij zich bevond bij werkzaamheden aan een cv-ketel, is weggegleden.

2.2 Aan de bij het bestreden besluit gehandhaafde boeteoplegging heeft verweerder ten grondslag gelegd de overtreding door eiseres van artikel 7.23a, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit), daar de ladder waarop de werknemer zich bevond niet tegen wegglijden was geborgd.

2.3 Artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) luidt:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. werkgever:

1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten;

2°. degene aan wie een ander ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid als bedoeld onder 1°.;

b. werknemer: de ander, bedoeld onder a.

2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder:

a. werkgever:

1°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten;

2°. degene die zonder werkgever of werknemer in de zin van het eerste lid te zijn, een ander niet onder zijn gezag arbeid in een woning doet verrichten, in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen;

b. werknemer: de ander, bedoeld onder a, met uitzondering van degene die als vrijwilliger arbeid verricht.”

Artikel 16, tiende lid, van de Arbowet luidt:

“De werkgever, dan wel een ander dan de werkgever bedoeld in het zevende, achtste of negende lid en de werknemers zijn verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.”

Artikel 33, tweede lid, van de Arbowet luidt:

“Als overtreding wordt tevens aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.”

Artikel 34, van de Arbowet, voor zover van belang, luidt:

“1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar legt de bestuurlijke boete op aan de overtreder op wie de verplichtingen rusten die voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als overtreding.

2. (…)

3. De hoogte van de bestuurlijke boete die ten hoogste voor een overtreding kan worden opgelegd is gelijk aan de geldsom van de categorie die voor de overtreding is bepaald. (…)

4. Er zijn 2 categorieën:

1°. de eerste categorie: € 9.000;

2°. de tweede categorie: € 22.500.

5. Onze Minister stelt beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete wordt bepaald.

(…)”

Artikel 7.23a van het Arbobesluit luidt:

“1. Ladders en trappen worden zodanig geplaatst dat hun stabiliteit tijdens het gebruik is gewaarborgd. In ieder geval worden hiertoe de volgende maatregelen genomen:

a. de steunpunten van draagbare ladders en trappen rusten op een stabiele, stevige en onbeweeglijke ondergrond van voldoende omvang, zodat de sporten horizontaal blijven;

b. hangladders worden stevig vastgemaakt en, met uitzondering van touwladders, zodanig dat zij niet kunnen verschuiven en dat heen en weer zwaaien wordt vermeden.

2. Bij het gebruik van ladders en trappen worden in ieder geval de volgende maatregelen genomen:

a. het wegglijden van de voet van draagbare ladders en trappen tijdens het gebruik wordt tegengegaan door de boven of onderkant van de ladderbomen vast te zetten, of door middel van een antislipinrichting of een andere, even doeltreffende oplossing;

b. toegangsladders steken tenminste 1 meter uit boven het toegangsniveau, tenzij andere voorzieningen een veilig houvast mogelijk maken;

c. meerdelige ladders en schuifladders worden zodanig gebruikt dat de verschillende delen niet ten opzichte van elkaar kunnen verschuiven;

d. verrolbare ladders en trappen worden vastgezet voordat zij worden betreden.

3. Ladders en trappen worden zodanig gebruikt dat de werknemers steeds veilige steun en houvast hebben. In elk geval mag het met de hand dragen van lasten op een ladder of een trap niet een veilig houvast belemmeren.”

Artikel 9.1 van het Arbobesluit, voor zover van belang, luidt:

“De werkgever is verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld, (…).”

Artikel 9.9c van het Arbobesluit, voor zover van belang, luidt:

“1. Als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, wordt aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in de volgende artikelen:

(…)

g. van hoofdstuk 7: de artikelen (…) 7.23a, (…)”

Volgens beleidsregel 33, achtste lid, aanhef en onder a, van de Beleidsregels Arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels), voor zover thans van belang, geldt ingeval het bedrijf 5 tot en met 9 werknemers heeft € 5.400,- als normbedrag bij de berekening van een boete voor een beboetbaar feit van de tweede categorie bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbowet en zoals hier aan de orde. Voor een bedrijf met minder dan 5 werknemers geldt in zo’n geval een boete van € 2.700,-.

Volgens onderdeel c van het achtste lid, gelezen in verbinding met het vierde lid, onder b, kunnen één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn die achtereenvolgens leiden tot verlaging van het normbedrag:

- indien de werkgever aantoont dat hij de risico's van de werkzaamheden waarbij de overtreding zich heeft voorgedaan voldoende heeft geïnventariseerd en op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen en deugdelijke, voor de arbeid geschikte, arbeidsmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking heeft gesteld, wordt de boete met een derde gematigd;

- indien de werkgever bovendien aantoont dat hij voldoende instructies heeft gegeven, wordt de boete met nog een derde gematigd;

- indien de werkgever bovendien aantoont dat hij adequaat toezicht heeft gehouden, wordt geen boete opgelegd.

Volgens het negende lid wordt indien de verwijtbaarheid ontbreekt, geen boete opgelegd.

2.4 Vaststaat dat de ladder waarop de werknemer ten tijde van het ongeval stond, is weggegleden. Uit het ongevallenboeterapport van de Arbeidsinspectie van 6 april 2010 blijkt genoegzaam dat er door de werknemer geen maatregelen zijn genomen om dit te voorkomen. De ladder was niet aan de boven- of onderkant van de ladderbomen vastgezet. Evenmin was gebruik gemaakt van een antislipinrichting. Dat de werknemer mogelijk geen bijzondere veiligheidsmaatregelen heeft genomen omdat de ladder door hem zodanig in de buurt van de hefbrug zou zijn geplaatst dat deze niet kon wegglijden, zoals door eiseres is aangevoerd, maakt niet dat er sprake was van een andere doeltreffende oplossing om het wegglijden van de voet van de ladder tegen te gaan. De ladder is immers daadwerkelijk weggegleden waardoor deze oplossing niet doeltreffend is gebleken. Aan deze constatering doet de stelling van eiseres dat de inspecteur van de Arbeidsinspectie die na het ongeval ter plaatse was niet heeft kunnen zien hoe de ladder precies heeft gestaan en dat niet duidelijk is hoe de ladder heeft kunnen schuiven, niet af. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het ongevallenboeterapport ondeugdelijk is. Verweerder heeft zich dan ook op dit rapport mogen baseren en terecht geconcludeerd dat artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is overtreden.

2.4.1 Deze bepaling bevat geen opzet of schuld als bestanddeel. De overtreding staat vast als aan de materiële voorwaarden van dit artikelonderdeel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal hij dit aannemelijk moeten maken. De bewijslast rust in dat geval bij de werkgever. Verwezen wordt naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2009 (LJN: BI6082).

Hoewel de rechtbank niet in twijfel trekt dat eiseres veiligheid voor haar werknemers in een hoog vaandel heeft staan, dat zij van het onderhavige ongeval geschrokken is en alles zo goed mogelijk schriftelijk gaat vastleggen, zoals zij ter zitting heeft verklaard, valt op basis van hetgeen eiseres terzake heeft aangevoerd niet in te zien dat haar geen enkel verwijt valt te maken met betrekking tot het ongeval of dat zich een omstandigheid voordoet die zou moeten leiden tot verlaging van het normbedrag van de boete. Hoewel eiseres heeft gesteld dat zij elke werkdag ochtendbijeenkomsten houdt waarbij de werkzaamheden van de dag worden besproken en ook de veiligheidsmaatregelen aan de orde komen, waardoor de werknemer goed was geïnstrueerd en wist dat hij de ladder moest borgen, waartoe in de bedrijfswagens ook de middelen aanwezig zijn, waren de risico’s van en beschermingsmaatregelen bij werkzaamheden als hier aan de orde ten tijde van het ongeval niet schriftelijk vastgelegd. Het overgelegde rapport van Maetis arbo, bevattende een risico-inventarisatie en -evaluatie, ziet niet op de werkzaamheden van eiseres maar op onderhouds- en servicebedrijf [naam bedrijf]. Daarbij is niet relevant dat eiseres in hetzelfde pand is gevestigd en de leiding van beide bedrijven bij dezelfde personen berust. De concrete werkzaamheden van eiseres komen in dit rapport niet aan de orde terwijl een voldoende inventarisatie hiervan volgens beleidsregel 33 wel is vereist voor matiging van de boete. Het overgelegde stroomschema voor veilig werken op hoogte is, naar eiseres ter zitting heeft bevestigd, eerst na het ongeval aan haar werknemers verstrekt, zodat dit niet als een voldoende inventarisatie of instructie kan gelden.

Ten aanzien van de stelling van eiseres dat het ongeval de werknemer te verwijten is en hij het bepaalde in artikel 11 van de Arbeidsomstandighedenwet heeft overtreden, overweegt de rechtbank dat verweerder overtreding van dat artikel niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd en ook niet had behoeven te leggen. Op basis van deze bepaling kan, als aan alle voorwaarden is voldaan, de werknemer een boete worden opgelegd. Dit staat los van het opleggen van een boete aan de werkgever. Dit laatste is in deze procedure aan de orde en de gestelde eigen schuld van de werknemer maakt de verwijtbaarheid van eiseres in dit geval niet minder en had verweerder niet hoeven te leiden tot matiging van de boete.

2.4.2 Eiseres heeft nog betoogd dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat haar bedrijf ten tijde van het ongeval een omvang had van 5 tot en met 9 werknemers. Blijkens de door eiseres overgelegde verzamelloonstaat had zij ten tijde van het ongeval vier personen (naast de werknemer drie anderen, te weten [namen werknemers]) in loondienst, hetgeen door verweerder op zichzelf niet wordt betwist. Daarnaast staat echter vast dat er destijds één stagiair ([naam stagiair]) bij haar was, die de werknemer ten tijde van het ongeval vergezelde. Dat deze stagiair een leer-/arbeidsovereenkomst had met het bedrijf [naam bedrijf], zoals ter zitting naar voren is gekomen, doet er niet aan af dat hij ten tijde van het ongeval feitelijk onder het gezag van eiseres arbeid verrichtte. Bepalend voor het werkgeversbegrip als bedoeld in artikel 1, tweede lid, aanhef, onder a, onder 1, van de Arbowet is het bestaan van een gezagsverhouding. Bij de beoordeling of sprake is van een gezagsverhouding dient acht te worden geslagen op alle relevante feiten en omstandigheden. Uit het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Arbowet volgt dat een stagiair of ingeleende werknemer onder het werknemerbegrip valt, zoals dat ook in de Beleidsregels wordt gebruikt. Niet valt in te zien dat in de Beleidsregels een ander of een meer feitelijk werknemerbegrip wordt gehanteerd dan de Arbeidsomstandighedenwet waarop zij gebaseerd zijn, zoals namens eiseres is aangevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen boete dan ook terecht van vijf werknemers uitgegaan.

2.5 Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat artikel 7.23a, tweede lid, aanhef en onder a, van het Arbobesluit is overtreden, dat verweerder bevoegd was een boete aan eiseres op te leggen en dat hij daarbij terecht is uitgegaan van het normbedrag voor een bedrijf met een aantal werknemers van 5 tot en met 9. Hij was daarbij niet gehouden tot matiging van de boete. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit kan standhouden, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

2.6 Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter, en mr. D. Haan en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op: 26 mei 2011.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: