Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ6218

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
366956 / HA ZA 10-3401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident. Provisionele vordering ex art. 223 Rv. Samenhang met kortgedingprocedure. Overeenkomst van rechtsbijstandverzekering. Schorsing en ontbinding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 366956 / HA ZA 10-3401

Vonnis in incident van 9 maart 2011

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING SCHADEREGELINGSKANTOOR VOOR RECHTSBIJSTANDSVERZEKERING,

gevestigd te Zoetermeer,

2. de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

eiseressen in conventie in de hoofdzaak,

verweersters in reconventie in de hoofdzaak,

eiseressen in incident,

verweersters in het incident van [gedaagde],

advocaat mr. E.J. Eijsberg,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

verweerder in het incident van SRK en RVS,

eiser in incident,

advocaat mr. J. van Weerden.

Partijen zullen hierna SRK en RVS en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 november 2010, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, met de producties 1 tot en met 8;

- de conclusie van antwoord (in conventie) en van eis in reconventie in de hoofdzaak, tevens conclusie van antwoord in het incident, tevens conclusie van eis in incident (ook aangeduid als eis in reconventie in incident), met de producties 1 tot en met 4;

- de conclusie van antwoord in incident (van 26 januari 2011).

2. De feiten

2.1. Het gaat in de onderhavige incidenten, waaraan al een aantal rechterlijke beslissingen is voorafgegaan, om het navolgende.

2.2. Tussen RVS als verzekeraar en [gedaagde] als verzekeringnemer is op 30 september 2006 een verzekering tot het verlenen van rechtsbijstand aan [gedaagde] tot stand gekomen. De uitvoering daarvan heeft RVS opgedragen aan SRK. [gedaagde] heeft sindsdien enkele tientallen geschillen ter behandeling aangemeld bij SRK. Bij brief van 9 november 2009 heeft SRK [gedaagde] (samengevat) bericht dat zij zich vanwege onaanvaardbare uitingen door [gedaagde], waaronder bedreigingen, niet langer gehouden acht in een bepaalde zaak verder rechtsbijstand te verlenen en dat zij geen nieuwe meldingen in behandeling zal nemen. Vervolgens heeft RVS aan [gedaagde] inzage gevraagd in de dossiers die hebben geleid tot dit standpunt van SRK, hetgeen [gedaagde] heeft geweigerd. Uiteindelijk heeft SRK bij brief van 14 december 2009 [gedaagde] bericht (voor zover hier van belang) dat RVS per 14 december 2009 zal overgegaan tot beëindiging van de polis, met bijbehorende melding.

2.3. [gedaagde] heeft vervolgens een kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem, uitmondend in een vonnis van 16 februari 2010. In dat vonnis zijn de vorderingen van [gedaagde], strekkend tot nakoming van de overeenkomst, afgewezen. Het gerechtshof Arnhem heeft bij arrest van 19 oktober 2010 dit vonnis vernietigd en RVS alsnog gelast de overeenkomst na te komen, in die zin dat daaraan uitvoering zal worden gegeven totdat de overeenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat RVS door middel van de overgelegde stukken nog niet voldoende heeft onderbouwd en/of aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar verplichtingen uit de overeenkomst terecht heeft opgeschort omdat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag en het uiten van bedreigingen. [gedaagde] heeft op basis van het arrest van het hof aanspraak gemaakt op dwangsommen die in zijn visie door RVS verschuldigd zijn geworden.

2.4. Op vordering van SRK en RVS heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bij vonnis in kort geding van 8 december 2010 de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof Arnhem geschorst, totdat bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis in de onderhavige bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter heeft daarbij onder meer (zie de overwegingen 4.7 en 4.8) in aanmerking genomen dat [gedaagde] niet naar waarheid heeft geantwoord op een vraag van het gerechtshof. Verder heeft de voorzieningenrechter overwogen dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] zich er van bewust moet zijn geweest dat indien het hof van een juiste veronderstelling was uitgegaan, het arrest mogelijk anders - ten nadele van [gedaagde] - had geluid.

2.5. [gedaagde] heeft op 30 december 2010 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding van 8 december 2010.

2.6. Bij brief van 14 december 2010 heeft RVS [gedaagde] medegedeeld dat de overeenkomst wordt opgezegd tegen het einde van de verzekeringstermijn, zijnde per 1 november 2011. Bij brief van 4 januari 2011 heeft zij [gedaagde] vervolgens (onder andere) bericht dat de redenen voor de beëindiging van de rechtsbijstandsverzekering ook aanleiding geven de gegevens betreffende naam, woonplaats en geboortedatum van [gedaagde] te laten opnemen in het Systeem Vertrouwelijke Mededelingen en Malusregistratie van de Stichting CIS.

2.7. In de onderhavige zaak wensen SRK en RVS tot (vaststelling van de) beëindiging van de overeenkomst tot het verlenen van rechtsbijstand te komen, waarbij zij in incident - kort gezegd - opschorting vorderen. [gedaagde] voert hiertegen verweer en vordert van zijn kant verwijdering van de CIS-registratie (zowel in hoofdzaak als in incident) en vergoeding van schade.

3. Het incident van SRK en RVS en de beoordeling daarvan

3.1. SRK en RVS vorderen in incident, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. [gedaagde] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat er voor de duur van de hoofdzaak onder de vigerende overeenkomst geen werkzaamheden worden verricht of kosten worden vergoed door SRK en RVS dan wel enige andere door hen in te schakelen partij hoe ook genaamd, en te gehengen en te gedogen dat de uit de overeenkomst voortvloeiende aanspraken en rechten worden opgeschort, inclusief de zaken die [gedaagde] na de betekening van het arrest van het gerechtshof te Arnhem bij SRK heeft aangemeld;

B. [gedaagde] te verbieden contacten leggen met SRK en RVS, of enig ander die voor SRK en RVS bij het geschil is betrokken;

C. het bij A en B bepaalde op verbeurte van een dwangsom per overtreding, door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

D. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2. In de hoofdzaak vorderen SRK en RVS, samengevat:

- te verklaren voor recht dat SRK en RVS gerechtigd zijn tot opschorting van de overeenkomst vanaf 9 november 2009;

- te verklaren voor recht dat de overeenkomst per 9 november 2009 is ontbonden, althans;

- de overeenkomst per eerst mogelijke datum nadien ontbonden te verklaren;

- [gedaagde] te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.3.1. De incidentele vorderingen hangen samen met de hoofdvorderingen. De beslissing hierop heeft hetzelfde (voorlopige) karakter als een beslissing in kort geding. Bewijsvoering in het incident ligt in beginsel niet in de rede.

3.3.2. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, staat het vonnis in kort geding van 8 december 2010 niet in de weg aan ontvankelijkheid van SRK en RVS in hun incidentele vorderingen. Voor zover de schorsing van de executie van het arrest van het hof Arnhem op één lijn valt te stellen met een bevestiging van het vonnis in kort geding van 13 februari 2010 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem, is de juridische stand van zaken - kort gezegd - thans (slechts) dat RVS niet is veroordeeld de uitvoering van de overeenkomst tussen partijen voort te zetten. Dit biedt SRK en RVS niet dezelfde positie als die waarin zij zouden komen te verkeren bij toewijzing van hun incidentele vorderingen. In dat geval zou immers hun opschorting gesteund worden door een voorlopige beslissing en zou [gedaagde] gehouden zijn dit te respecteren (te gehengen en te gedogen). De omstandigheid dat ook nog een beslissing in hoger beroep tegen het kort geding vonnis van 8 december 2010 kan worden verwacht, leidt niet tot een ander oordeel. Het risico van onverenigbare uitspraken wordt al afdoende weggenomen door de mogelijkheid van hoger beroep tegen de onderhavige beslissing in het incident.

3.3.3. SRK en RVS hebben aan hun incidentele vorderingen ten grondslag gelegd dat zij gerechtigd zijn tot opschorting en ontbinding en dat zij belang hebben bij voorlopige maatregelen voor de duur van de hoofdzaak. In dit kader voeren SRK en RVS aan dat sprake is van een restitutierisico voor de (advocaat)kosten voor het (doen) verlenen van rechtsbijstand, terwijl [gedaagde] ook op andere wijze in een eventuele behoefte aan rechtsbijstand kan voorzien, bijvoorbeeld via een toevoeging. Verder hebben SRK en RVS aangevoerd dat [gedaagde] bovenmatig telefonisch contact met RVS zoekt. Bij conclusie in incident van 26 januari 2011 hebben SRK en RVS aangegeven dat hun onder B gevraagde voorziening aldus dient te worden verstaan dat het [gedaagde] voor de duur van de procedure verboden wordt anders dan schriftelijk of per e-mail met SRK en RVS te communiceren.

Feitelijk voeren SRK en RVS aan (dagvaarding, onder 20) dat sprake is geweest van bedreiging van een medewerker van SRK (waarvan aangifte is gedaan), van verbaal geweld / bedreigingen jegens (andere) medewerkers van SRK, van verbaal geweld jegens wederpartijen, van misdragingen die zelf tot geschillen leiden en van wangedrag (telefonische stalking, leidend tot aangifte en vervolging).

3.3.4. [gedaagde] heeft betoogd dat verstrekking van dossierinformatie door SRK aan RVS onrechtmatig jegens hem is te achten, zodat SRK en RVS zelf in verzuim zijn geraakt en om die reden niet tot opschorting en ontbinding gerechtigd zijn.

Ten aanzien van de verweten gedragingen bestrijdt [gedaagde] dat hij zich op onaangepaste wijze heeft gedragen. De rechtbank, oordelend in dit incident, acht deze bestrijding echter onvoldoende concreet en onvoldoende gemotiveerd en acht hetgeen [gedaagde] in dit kader aanvoert geen deugdelijke weerlegging van het hem verweten gedrag. [gedaagde] geeft immers (slechts) aan dat hij zich realiseert dat hij "vanwege zijn luide stem en grote postuur, mogelijk intimiderend kan overkomen", dat het kan "voorkomen dat [gedaagde] geprikkeld reageert", dat [gedaagde] het zich wel kan "voorstellen dat medewerkers van SRK zich wel eens onprettig hebben gevoeld in contacten met [gedaagde]", hetgeen hem spijt en waarvoor hij graag zijn excuses wil aanbieden, met de opmerking dat hij geen van de medewerkers heeft willen bedreigen en dat hij zich niet aan (telefonische) belaging heeft schuldig gemaakt.

3.3.5. In deze omstandigheden heeft SRK naar het voorlopige oordeel van de rechtbank recht en belang haar werkzaamheden ten behoeve van [gedaagde] op te schorten in afwachting van (een uitspraak over) ontbinding of opzegging van de overeenkomst. Daarvan uitgaande heeft RVS recht en belang de overeenkomst met [gedaagde] op te schorten in afwachting van (een uitspraak over) ontbinding of opzegging van de overeenkomst. De verweten (en onvoldoende bestreden) gedragingen van [gedaagde] zijn van een zodanige aard en ernst dat deze aangemerkt kunnen worden als toerekenbare tekortkomingen zijdens [gedaagde] die opschorting en ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigen. Ook naar de maatstaf van een redelijke uitvoering van de overeenkomst luidt het oordeel dat van SRK niet gevergd kan worden - en logischerwijs dan ook niet van RVS, die SRK heeft ingeschakeld voor de uitvoering van de overeenkomst - nog langer uitvoering aan de overeenkomst te geven.

De incidentele vordering onder A is hiermee toewijsbaar. Het belang van [gedaagde] bij het (op basis van een verzekering) verkrijgen van rechtsbijstand staat hieraan niet in de weg. Bovendien kan worden aangenomen dat [gedaagde] in aanmerking komt voor een toevoeging.

3.3.6. Bij de toewijzing van de gevorderde voorziening past niet het opleggen van een dwangsom. Bij de desbetreffende verplichting van [gedaagde] (het gehengen en gedogen van een opschorting van de uitvoering van een overeenkomst tot het verlenen van rechtsbijstand) is oplegging van een dwangsom niet doelmatig.

3.3.7. Het gevorderde contactverbod acht de rechtbank niet toewijsbaar op basis van hetgeen SRK en RVS daarvoor feitelijk hebben aangevoerd. Tijdrovende en/of anderszins belastende telefonische contacten zijn daarvoor op zichzelf niet voldoende. Niet gebleken is dat op dit moment sprake is van een zodanige situatie dat een ordemaatregel geboden is, temeer gelet op de toewijzing van de vordering onder A.

3.3.8. De beslissing over de proceskosten in dit incident zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

4. Het incident van [gedaagde] en de beoordeling daarvan

4.1. [gedaagde] vordert in incident, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis voor zover de wet dat toelaat, RVS te veroordelen:

A. binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis alle gegevens die op [gedaagde] betrekking hebben uit het CIS-register te (doen) verwijderen en verwijderd te (doen) houden, op een zodanige wijze dat niet kenbaar zal zijn dat de gegevens van [gedaagde] in dit registers opgenomen zijn geweest;

B. de deelnemers aan het CIS aan wie uit het voornoemde register gegevens over [gedaagde] zijn verstrekt, van deze verwijdering in kennis te stellen;

C. de advocaat van [gedaagde] zowel de verwijdering als de kennisgeving omgaand schriftelijk te bevestigen;

D. met hoofdelijke veroordeling van SRK en RVS in de proceskosten.

4.2. In de hoofdzaak vordert [gedaagde], kort samengevat:

- verwijdering van gegevens uit het CIS-register en de bevestiging daarvan;

- verklaring voor recht dat SRK en RVS onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld;

- veroordeling van SRK en RVS tot schadevergoeding, op te maken bij staat;

- voordelen van SRK en RVS tot betaling van € 5.000,= aan smartengeld;

- verklaring voor recht dat RVS de kosten van juridische bijstand in de kort geding procedures, in de onderhavige procedure en eventuele toekomstige procedures, aan [gedaagde] dient te vergoeden uit kracht van de verzekeringspolis;

- met hoofdelijke veroordeling van SRK en RVS in de proceskosten.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.1. Bij conclusie van 26 januari 2011 hebben SRK en RVS uitdrukkelijk aangegeven dat de CIS- melding tot dat moment niet is gedaan en dat RVS toezegt "dat zij die melding nu nog niet zal doen". RVS kondigt daarbij aan dat in de bodemprocedure de vordering zal worden vermeerderd met een verklaring voor recht dat zij gerechtigd is een dergelijke melding te doen. Daardoor, aldus SRK en RVS, kan in de hoofdzaak in één keer over alle geschilpunten worden beslist.

4.3.2. De rechtbank begrijpt voormelde mededeling van SRK en RVS aldus dat zij op basis van de tot dit moment gebleken feiten en omstandigheden geen CIS-melding zal/zullen doen totdat (op basis van een nog in te stellen vordering) hieromtrent in de hoofdzaak zal zijn beslist. Daarvan uitgaande acht de rechtbank thans geen grond en niet voldoende belang bij [gedaagde] aanwezig om een voorziening te treffen als door hem gevorderd.

4.3.3. De beslissing over de proceskosten in dit incident wordt aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident van SRK en RVS:

5.1. veroordeelt [gedaagde] om te gehengen en te gedogen dat er voor de duur van de hoofdzaak onder de vigerende overeenkomst geen werkzaamheden worden verricht of kosten worden vergoed door SRK en RVS dan wel enige andere door hen in te schakelen partij hoe ook genaamd, en te gehengen en te gedogen dat de uit de overeenkomst voortvloeiende aanspraken en rechten worden opgeschort, inclusief de zaken die [gedaagde] na de betekening van het arrest van het gerechtshof te Arnhem bij SRK heeft aangemeld;

5.2. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde;

in het incident van [gedaagde]:

5.5. wijst de vorderingen af;

5.6. houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

5.7. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 23 maart 2011 voor beraad over het al dan niet bepalen van een comparitie;

5.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2011.?

[1694 / 1980]