Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5089

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
366779 / HA ZA 10-3379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een vordering inhoudende dat de rechtbank erfgenamen ex artikel 118 Rv in een andere tussen de eisende partij en een inmiddels overleden procespartij aanhangige procedure zal oproepen om in het geding te verschijnen en voort te procederen, met het doel dat de erfgenamen worden gedwongen in die procedure niet alleen als materiele procespartij, maar ook als formele procespartij voort te procederen, is niet toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 366779 / HA ZA 10-3379

Vonnis van 20 april 2011

in de zaak van

de commanditaire vennootschap DE TUINEN PLANONTWIKKELING C.V.,

gevestigd te Naaldwijk,

eiseres,

advocaat mr. M.J. de Groot te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

laatste woonadres van de overledene te Ouddorp,

gedaagde,

advocaat mr. K. Beumer te Rhoon.

Partijen zullen hierna De Tuinen en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 januari 2011 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 4 april 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Tuinen heeft bij dagvaarding van 16 december 2009 voor de sector civiel recht van deze rechtbank een procedure aanhangig g[persoon 1] tegen [pe[persoon 1]1] Die procedure is bij de rechtbank bekend onder nummer 345545 / HA ZA 09-3776 (hierna: de hoofdprocedure).

2.2. In de hoofdprocedure heeft [persoon 1] op 5 februari 2010 van antwoord geconcludeerd. Vervolgend heeft de rechtbank bepaald dat op 8 april 2010 een comparitie van partijen zou plaatsvinden. Op verzoek van [persoon 1] is de comparitie uitgesteld. Op 15 juni 2010 is [persoon 1] overleden.

2.3. Nadat de rechtbank in het kader van correspondentie over de uitgestelde comparitie van partijen was geïnformeerd over het zeer recente overlijden van [persoon 1] heeft de rechtbank bepaald dat de uitgestelde comparitie geen doorgang zou vinden, maar dat gelegenheid zou worden geboden voor conclusies van repliek en dupliek.

2.4. [gedaagde] hebben in de hoofdprocedure kenbaar gemaakt deze op naam van [persoon 1] te willen voortzetten. In de hoofdprocedure is vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd.

3. Het geschil

3.1. De Tuinen vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] ex artikel 118 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal oproepen in het geding te verschijnen en voort te procederen waarmee de vordering van De Tuinen op [persoon 1] als ingesteld in de hoofdprocedure zich ook tot [gedaagde] richt, zulks met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [gedaagde] voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van de vordering met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van De Tuinen in de kosten van deze procedure, met bepaling dat de proceskosten binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis aan [gedaagde] dienen te zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen in het vonnis van 26 januari 2011, waarbij de comparitie werd gelast:

"(…) De rechtbank neemt aan dat eiseres heeft beoogd in de procedure die bij de rechtbank tussen partijen aanhangig is onder zaak-/rolnummer 345545 / HA ZA 09-3776 gedaagden als derden in het geding op te roepen. In plaats daarvan heeft eiseres echter een nieuwe procedure tegen gedaagden aanhangig gemaakt waarin eiseres vordert dat (niet zij maar) de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden ex artikel 118 Rv zal oproepen in dat geding te verschijnen en voort te procederen, waarbij de vordering als verwoord in de die procedure inleidende dagvaarding zich ook tot gedaagden richt.

De rechtbank wenst met partijen te bespreken wat het doel en de zin kan zijn van de onderhavige nieuwe procedure. Het komt de rechtbank voorshands voor dat hiermee processuele verwikkelingen dreigen te worden/zijn ingeleid die voor beide partijen slechts leiden tot een onwenselijke verhoging van de aan het procederen verbonden kosten. In dit verband wijst de rechtbank erop dat het feit dat in de procedure onder zaak-/rolnummer 345545 / HA ZA 09-3776 op naam van de overledene wordt doorgeprocedeerd uiteraard niet betekent dat de overledene procespartij is. Tussen partijen lijkt niet in geschil te zijn dat gedaagden ook in die procedure de procespartij zijn. Het belang van eiseres lijkt dan ook slechts te zijn om buiten twijfel te stellen dat een eventueel veroordelend vonnis in die zaak op naam van de overledene als gedaagde feitelijk ten uitvoer zal kunnen worden gelegd tegen gedaagden. Voor zover zich in dat kader in de toekomst praktische problemen zouden voordoen, komt het de rechtbank voor dat het dan in de rede zou liggen een executoriale titel op formeel de juiste naam of namen te verwerven in kort geding. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat partijen hierover praktische afspraken maken. Zulks lijkt in ieder geval aantrekkelijker dan betrokken te zijn in - en kosten te moeten maken in verband met - de onderhavige procedurele verwikkelingen. (…)"

4.2. Ter comparitie is de hiervoor genoemde aanname van de rechtbank juist gebleken. De Tuinen heeft beoogd [gedaagde] als derden in de hoofdprocedure te betrekken. Dat doel kan met de in deze procedure ingestelde vordering echter niet worden bereikt. Er bestaat ook geen grond om [gedaagde] als derden in de hoofdprocedure te betrekken. Immers, zij zijn in de hoofdprocedure als rechtsopvolgers onder algemene titel van [persoon 1] van rechtswege als materiële procespartij in de plaats is getreden van [persoon 1]. Dat is tussen partijen terecht niet (meer) in geschil. [gedaagde] zijn niet verplicht zich in de hoofdprocedure ook formeel als partij in de plaats te doen stellen van [persoon 1], de oorspronkelijke partij. Er bestaat voorts geen rechtsgrond die meebrengt dat de rechtbank [gedaagde], op vordering van De Tuinen in deze aparte procedure, in het hoofdgeding zou kunnen oproepen om te verschijnen en voort te procederen.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de vordering van De Tuinen afwijzen. De Tuinen zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Weliswaar heeft De Tuinen erop gewezen dat aan haar zijde slechts behoefte bestaat aan duidelijkheid en dat [gedaagde] in de hoofdprocedure verwarring hebben veroorzaakt door zich op het - rechtens onhoudbare - standpunt te stellen dat zij die procedure "niet overnemen", maar noch de bij De Tuinen bestaande behoefte aan duidelijkheid, noch de eventueel door [gedaagde] opgeroepen verwarring, rechtvaardigen dat de proceskosten van deze procedure geheel of ten dele ten laste van [gedaagde] worden gebracht. De Tuinen heeft een niet toewijsbare vordering ingesteld en daarmee de kosten van deze procedure nodeloos veroorzaakt.

4.4. De Tuinen zal derhalve in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht EUR 255,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.129,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt De Tuinen in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.129,00,

5.3. bepaalt dat de proceskosten binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis aan [gedaagde] dienen te zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is, vanaf het verstrijken van die termijn tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2011.?